Het Druïdisme
1982-12-10
Vraag een christenmens, wat Druïden waren. Zijn antwoord zal vermoedelijk luiden: een geheime religieuze sekte van heidenen met mensenoffers, uit vroeger tijden. Julius Caesar wist (in De Belli Gallico VI) te vertellen, dat Druïden grote invloed hadden op staatszaken, waarom ze door Tiberias verboden werden, Kok's Chr. Encyclopaedie zegt dat Druïden GaIlische tovenaars waren, met een geheime leer over het voortbestaan van de ziel. In Brittannië zouden ze zelfs het Christendom hebben tegengestaan.- Jaargang 26
- nummer 46
Men verwijst daar echter naar een Frans boek over de Druïden in Z.W. Frankrijk, Gallië, uit 1911. - Winkler Prins tenslotte, die ook spreekt van Keltische tovenaars in Brittannië en Frankrijk, met een gesloten broederschapen esoterische wijsheid over zielsverhuizing - deelt tevens mee, dat onze kennis over hen gering is en dat des te meer fabels de ronde doen.
Bij de werken die wij bestudeerden teneinde enig inzicht in de Zuid-Engelse overlevering te verkrijgen, komen we de schrijver C. C. Dobson tegen, een predikant te Hastings 30). Deze zegt: "Het Druïdisme werd door de Romeinen beschouwd als de grootste religieuze tegenstander; gedeeltelijk omdat de hoofdkwartieren in Engeland waren en gedeeltelijk ook vanwege zijn wijdverspreide invloeden, die de Griekse en Romeinse mythologie absoluut tegenstonden".
De Schotse historicus David Hume 81) was van mening: "Geen religie heeft ooit de geesten der mensen zo beheerst als het Druïdisme". En Dobson gaat verder: "in de tijd van onze Heer kon het Druïdisme bogen op een historie van 2000 jaren. Een bekende Druïden-trits luidde: vrees God, wees rechtvaardig voor je naaste en sterf voor je vaderland".
Met hun edicten hebben keizers Augustus en Tiberius het Druïdisme dan ook verboden; het optreden van een priester werd een strafbaar misdrijf.
"Ongetwijfeld" (zegt Dobson) "waren de Romeinse invasies onder Julius Caesar en Claudius sterk beïnvloed door de wens, deze cultuur uit te roeien, die zo lang de tegenstander van de Romeinse beschaving was gebleken. De vastbesloten en succesrijke tegenstand van de Britten onder koningin Caractacus, Arviragus en Baodicea leverden 'het bewijs van de greep, die het Druïdisme op het Britse volk had 31).
Wanneer wij weten dat de Romeinen het Druïdisme even fel haatten ais het Christendom en beide godsdiensten gelijkelijk en met onmenselijke gewetensdrang en wreedheden hebben getracht uit te roeien, dan is het Druïdisme op onverdachte wijze in één klas gebracht met het Christendom.
En daarmee onze aandacht waard geworden. Want heidendom werd door de (heidense) Romeinen allerwege geduld.
Voorts moeten we bedenken dat, wat Romeinse historici over Druïdisme schreven, niet alleen voortkwam uit legale haat, maar ook uit wat zij in Gallië hadden aangetroffen. Nimmer op wat zij in Engeland aantroffenwant daar zijn ze nooit tot het hart van het Druïdisme doorgedrongen. En
Britse schrijvers zeggen, dat het· Gallische Druïdisme een uit Bugeland afkomstige maar verbasterde religie was, sterk onder invloed staande van het nabije Romeinse heidendom. Ze laten in het midden of daar mensenoffers zijn gebracht - maar dit staat even ver van het Britse Druïdisme af ais de beweerde kinderoffers in de jonge christengemeenten van de waarheid af stonden.
Het Druïdisme bevatte duizenden jaren oude wijsheden, die parallel liepen met even oude wijsheden in Babel, Egypte en Ohina, Het hield kennis in van natuurfilosofie, astronomie, wiskunde, aardrijkskunde, reoht, geneeskunde, poëzie en welsprekendheid. Daarbij stond detheologie boven aan. De wijsheden van de laatste faculteit werden slechts mondeling en onder strenge geheimhouding doorgegeven; voor de andere werden ook geschriften gebruikt. Dobson verwijst naar de schrijver Morgan 33), die een uitgebreide studie van het Druïdisme publiceerde en zegt er van: "of zijn visie aanvaard wordt 'of niet - zekere fundamentele conclusies schijnen onloochenbaar".
Bij de laatste willen wij ons licht opsteken.
Het basisgeloof van de Druïden was in een Drie-Eenheid, zeker geen veelgodendom als bij Grieken en Romeinen. Men noemde de Godheid "Duw", dat is Hij die zonder duisternis is en het heelal doordringt. Drie gouden lichtstralen waren het embleem der Druïdenpriesters en ze vertegenwoordigden de drie aspecten of drie personen van de Drie-eenheid. Deze drie werden gekend als Beli, de Schepper, die bijzonder het verleden beheerste; Taran, de regerende Voorzienigheid van het heden; en Yesu, de komende Verlosser van de toekomst. (In het Keltisch luidde deze naam Hesu, uitgesproken als Chesu of Yesu.) Deze komende Jesu was bekend als de "All Heal", de Heiland der wereld.
In zekere zin greep het Druïdisme dus op het Christendom vooruit, zegt Dobson. Hoe meer dit Druïdisme wordt bestudeerd, des te meer wordt zijn relatie tot de Mozaïsche boeken duidelijk. "Of zij nu dezelfde oorsprong hadden dan wel of het Druïdisme een uitloper wegens vroegere emigratie betekende - de overeenkomsten worden steeds meer bevestigd". - "De beschrijving van [ulius Caesar heeft slechts betrekking op het Gallische Druïdisme, een verbastering onder invloed van de Romeinse afgoderij" 34). Slechts deze berichtgeving van Caesar acht hij juist: "De Druïdenleren dat uitsluitend door de dood van een Mens de verzoening met het Goddelijk recht mogelijk is". "De leer der verzoening was hun basisbeginsel", zegt Dobson.
De theologische leer der Druïden had dus zijn zwaartepunt in de verlossing van de gehele mensheid, in de verzoening met de rechtvaardige en barmhartige God. Deze leer werd onderverdeeld in een fijnvertakt netwerk van esoterische details, Van een catechismus (uiterste zeldzaamheid bij een geheime leer!) is een enkele bladzijde bewaard gebleven. Morgan heeft hem vertaald en leesbaar gemaakt 35).
Zij wisten van een oorspronkelijke paradijselijke staat van de mensheid.
Ook dat de volmaakte schepselen een zodanig vrije wil hadden gehad, dat ze konden kiezen voor opstand tegen God. Een aantal engelen zou dit hebben gedaan en daarmee tot in de diepste hel zijn gezonken, de laagste staat van bewust menselijk denken.
Allen zijn door de gemeenschappelijke zondeval in de onderste lagen van het menselijk bestaan gekomen, de zogenaamde "grote wereld". Door geduldig lijden en het zoeken van het goede komen zij geleidelijk in hogere kringen, totdat ze in de "kleine wereld" terechtkomen. Het is voor hen mogelijk, weer naar lagere kringen te dalen en wel door de drie zonden: kennis te verachten, tegenzin tot het goede te hebben en neiging tot het kwade te koesteren. De ervaring van het lijden en de vernedering moeren dienen om de mens te bewaren voor hernieuwde zondeval.
De Druïden drukten hun wijsheden graag in tritsen uit. Zo bijvoorbeeld: drie verschillen tussen God en mens: de mens is eindig, God is oneindig; de mens had een begin, God is eeuwig; de mens is onbekwaam de oneindigheid van tijd en ruimte in dit leven te dragen - God verdraagt beide zonder te veranderen.
Nog een trits. In de "grote wereld", beneden het mens-zijn, overwegen kwaad en lijden 87). In de kleine wereld of mens-zijn worden goed en kwaad even zwaar en met deze kleine wereld houdt het straflijden op. In de hemel begint het zuiver goede en de zuivere blijdschap, die eindeloos doorgroeien. In de kleine wereld kan de mens weer bewust denken en leven, kan kiezen tussen goed en kwaad. De wil van de mens is de' essentie van zijn religie: is die wil naar het goede gericht dan is hij menswaardig en doet het goede 3S). "Vrijheid van geweten is zowel de geboorte als de levensadem van de mens" 38).
Bij die permanente wijzigingen in de geestelijke staat van elk individu welke zich over eeuwen uitstrekt - zag de Druïde ook een zielsverhuizing, Zulk een nieuwe geboorte zou altijd een geschenk betekenen en het individu nader tot zijn levensdoel brengen.
Morgan vertelt dat in Engeland, dus ten Zuiden van de Schotse grens, veertig Druïden-universiteiten bestonden 40), welke evenveel voorlopers van de huidige districten vormden. De adel van het land bracht er haar zonen, soms 60.000 studenten. Deze werden opgeleid tot een gespecialiseerde bovenlaag van het volk. Een volledige opleiding in alle faculteiten, zoals ideaal werd beschouwd, duurde 20 jaar.
Zagen de Romeinen in de Druïden politieke tegenstanders, en theologen slechts een valse secte, in werkelijkheid vormden de Druïden de hersenen en het geweten van een talrijk en krachtig volk. Geen wonder dat dit eilandenrijk uitmuntend bestuurd werd en bestand was tegen het barbaarse heidendom van Rome. Ook geen wonder dat de Romeinen, die de hele wereld onder hun knoet namen, anderhalve eeuw getracht hebben dit eilandenrijk te knechten. Ze zij". er op stuk gelopen. Bij hun laatste bloedige en wrede aanval beriepen de Romeinen zich er op: dat ze de Druïdenpriesters hadden aangetroffen, die krijgsgevangenen ritueel slachtten! Maar de Brit neemt dit flegmatisch op: "dat zeiden de Romeinen, die zelf hun krijgsgevangenen in groepen van duizend elkander met het zwaard ten dode lieten bevechten".
Als de legende van Somerset waarheid bevat, en als onze Heer hier een tijd in studie en meditatie heeft doorgebracht, heeft Hij ongetwijfeld ook met de Druïden gesproken. Die woonden volop rondom Hem. Jezus was 'er de persoon niet naar, om de mensen te ontlopen. Gildas zegt: Hij leerde hier van het begin af. Dobson meent: dat kan dan naar de Bergrede zijn geweest, een samenvatting van het gebod van liefde en zachtmoedigheid (de Druïden waren tegen geweld en tegen gewetensdrang.) Maar ook zal Hij gesproken hebben (meent Dobson) door beide religies te vergelijken.
Hij moet dan gezegd hebben, hoe zeer het kleed van de Aartsdruïde geleek op dat van de Joodse hogepriester. En vooral hoe beide religies uitzagen naar dezelfde Redder van de wereld, onder vrijwel dezelfde naam. "Wij hebben zijn prediking nooit losgelaten", schreef Taliesin enkele eeuwen later. Druïden hebben het Christendom dan ook nooit tegengestaan, zegt Dobson met een beroep op Morgan, ze zijn er geleidelijk in opgegaan.
Noten
30) C.C. Dobson "Did the Lord visit Britain?" 1e druk 1936, 14e druk 1967.
31) David Hume (1711-1776), zijn portret is in Edinburgh.
32) Dobson p. 35.
33) R. W. Morgan "St. Paul in Britain", 1860.
34) Dobson pag. 36.
35) Morgan pag. 48-59.
36) idem p. 20.
37) Denk aan J. P. Sartre in Huis Clos: "geloof je niet in de hel, waar je midden in zit?".
38) denk aan M. Luther’s ‘Gesinnungsethik’.
39) Morgan p. 18- 40) idem pag. 23.