Ontwikkelingen met betrekking tot het C.D.A. (2)

1982-12-17
  • Jaargang 26
  • nummer 47
C.D.A. en R.P.F.
De R.P.F. heeft zich tot nu toe gemanifesteerd als een partij die het accent richt op een beperkt aantal punten: de normloosheid en bandeloosheid, de abortuswetgeving, het emancipatiebeleid en het voorontwerp Wet Gelijke Behandeling. Het C.D.A. heeft een veel bredere gerichtheld.
Van een regeringsverantwoordelijkheid dragende partij mag uiteraard ook niet anders worden verwacht. Die positie brengt met zich mee, dat de activiteit gericht is op alle aspecten van het maatschappelijk leven. Kenmerkende verschillen tussen beide partijen zijn voorts:

- de R.P.F. laat zichzelf zien als getuigenispartij, dat wil zeggen als een- partij die er vooral waarde aan hecht, haar principiële visie op een aantal zaken uit te dragen.
Daarbij wordt niet of nauwelijks gelet op de politieke uitwerking van het eigen standpunt;

- de R.P.F. richt zich met name op het christelijk belang, dat wil zeggen het belang van christelijke Nederlanders en hun organisaties. Dit blijkt onder meer uit de beperkte taken die deze partij voor de overheidslichamen wil wegleggen. Het C.D .A. daarentegen wil de christen-democratische uitgangspunten van betekenis laten zijn voor de inrichting van de gehele samenleving in al haar geschakeerdheid. Dit verschil komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de benadering van zaken als: bijzonder onderwijs en vreemdelingenbeleid. Wat het eerste betreft: de R.P.F. stelt het bijzonder onderwijs gelijk met de christelijke school. Het C.D.A. gaat in dezen verder en propageert het bijzonder onderwijs als een algemeen beginsel, dat ook zou moeten aanslaan bij niet-christelijke Nederlanders. Wat de vreemdelingen betreft dit. De R.P.F. toont zich geïnteresseerd in de bescherming van christelijke groeperingen, zoals christen-Turken ,en Molukkers. Het C.D.A. gaat er van uit, dat de bescherming van "de vreemdeling die in Uw poorten woont" zich uit strekt tot allen die hier zijn komen wonen.

- Op sociaaleconomisch terrein kan de R.P.F. een volstrekt gebrek aan visie worden verweten.
De filosofie van het vrijemarktmechanisme blijkt hier nog opgeld te doen.
De terughoudendheid waarvan de overheid zich volgens de R.P.F. op economisch gebied dient te bedienen staat in schril contrast tot bijvoorbeeld het terrein van de zedelijkheidswetgeving, waar volgens de R.P.F. de overheid wel veel moet voorschrijven. Bij de R.P.F. zijn de opvattingen over de taak van de overheid bijzonder onevenredig. In de C.D.A.-opvatting moet de overheid in beginsel overal ingrijpen, waar situaties dreigen mis te gaan of ontsporingen kunnen worden geconstateerd.


De afgelopen tijd heeft zich, vooral op plaatselijk niveau, nogal eens een harde confrontatie voorgedaan tussen C.D.A. en R.P.F. In het C.D.A.-blad Bestuursforum, een maandblad voor provincie- en gemeentebestuurders, staat in het nummer van september 1982 een interview met de voorzitter van de C.D.A.-raadsfractie in de gemeenteraad van Alblasserdam, de heer G. C. de Groot. Deze vertelt in dit nummer, hoe tot nu toe voorkomen is, dat in Alblasserdam een R.P.F.-afdeling van de grond komt. In zijn relaas staat onder meer het volgende: "Wij zijn weer naar de oprichtingsvergadering (van de R.P.F.) gegaan. Daar kregen we weer een algemeen ethisch verhaal te horen, waarbij de tranen in je ogen springen en dat iedere christen zo kan onderschrijven. Maar het ging niet over gemeentepolitiek. Ik ben toen opgestaan en heb de inleider gevraagd of hij één punt kon noemen uit de afgelopen raadsperiode waarbij een R.P.F.-raadslid anders zou hebben gestemd dan het C.D.A. of de S.G.P., want daarvoor willen zij toch een alternatief bieden.
Daar had hij geen antwoord op. Ik heb toen gevraagd waarom men dan aan de raadsverkiezingen wilde deelnemen. Ook daarop bleef men het antwoord schuldig. Die afdeling is er, ook om andere redenen, niet gekomen". De heer De Groot komt op een bepaald moment tot de stelling, dat "er eigenlijk geen eigensoortige politieke overtuiging achter de R.P.F. zit, maar dat het een, neem me het woord niet kwalijk, parasitaire partij is". Toegegeven moet worden, dat deze laatste woorden wellicht onnodig scherp zijn. Waar het om gaat is uiteraard de vraag, of er voor de R.P.F. (maar deze vraag laat zich ook stellen voor de andere kleine christelijke partijen) wel een plaats is in het Nederlandse politieke krachtenwereld. Naast het misnoegen dat er bij grote groepen kiezers heus wel is over de opstelling van het C.D.A., met name inzake de abortusproblematiek, is er voor het oprichten van een nieuwe politieke partij, die vanuit christelijke uitgangspunten wil opereren, beslist veel meer noodzakelijk. Er dient namelijk een duidelijke, eigen visie te zijn op alle beleidsterreinen waarmee de politiek zich bezig houdt. Tot op heden is een dergelijke visie in onvoldoende mate ontwikkeld. Daarnaast wil ik er aan herinneren, dat het politieke beleid van een partij niet alleen rekening moet houden met de maatschappelijke groeperingen waaruit de partijleden afkomstig zijn, maar met de samenleving als geheel. Ook dit laatste ontbreekt er bij de R.P.F. te veel aan. Wil de R.P.F. tenslotte een factor van (politieke) betekenis gaan vormen, dan zal er wel wat meer moeten gebeuren dan hte stellen van een enkele vraag in de Tweede Kamer.
Ik meen dat er op dit moment weinig reden is om te veronderstellen, dat de R.P.F. de komende tijd een spectaculaire groei zal doormaken. Zoals deze partij thans opereert, zal zij er niet in slagen veel kiezers bij het C.D.A. vandaan te zuigen. Zeker niet, nu er pas weer een centrumrechts kabinet is aangetreden.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief