Kerst of de toegang tot Gods Schepping
1982-12-24
De vierentwintigste psalm heeft het over twee heiligdommen.- Jaargang 26
- nummer 48
Het ene heiligdom is het bekende, in Jeruzalem, op de Sionsberg, de tempel dus.
De tempel was de plaats van de verzoeningsdienst in Israël.
De ark stond er en in de ark, onder het verzoendeksel, bevonden zich de tafels van het verbond. Dat wil zeggen: het verbond tussen de Here God en zijn volk wás er, krachtens de verzoening. Dat was dé belangrijke boodschap die er van de tempel uitging: verbond, vrede tussen God en zijn volk door het geheimenis van de verzoening.
Maar wat is dan het tweede heiligdom? Naast dat op de Sion kon er toch geen tweede zijn?
Er is toch één God, één verbond, één verzoening? Zeker! En dat tweede heiligdom is dan ook niet een concurrerende tempel naast die in Jeruzalem.
Nee, het tweede heiligdom is in deze psalm de aarde en haar volheid, de wereld en die daarin wonen.
Waar dus de psalm mee begint: "Des HEREN is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarin wonen".
De aarde is het huis van de HERE. Goed, Hij woont er niet. Hij woont in de hemel. Maar daarom houdt de aarde niet op van Hem te zijn. Hij laat er ons op wonen. Hij geeft ons haar in gebruik, maar zij blijft van Hem. En daarom is de aarde als geheel een huis Gods, een tempel. Een plaats waar we de schoenen van de voeten doen omdat het heilige grond is. En, zoals dat bij een heiligdom hoort, er zit een geheimenis aan de aarde, iets dat ontzag inboezemt, iets dat tot aanbidding van God uitnodigt.
Dat staat in vers 2 van de psalm: "Want Hij heeft haar op de zeeën gegrondvest en op de stromen vast gezet." Zo was de voorstelling destijds, dat de aarde rustte in het water, in de oer-oceaan.
Maar hoe kun je nu in water iets grondvesten? Om iets te grondvesten en vast te zetten heb je een rots nodig, maar juist niet zo iets bewegelijks als water.
En daarom stuiten we hier op een geheimenis. Waar rust de aarde eigenlijk op?
Rust ze in zichzelf? Nee, dat kan niet. Net zo min als een gebouw op het water kan staan.
In het boek Job staat ergens (26: 7) net zo iets, dat God de aarde ophangt aan het niet.
De aardbol in een netje. Maar waar is de spijker waaraan dat netje opgehangen kan worden?
Die is er niet! God blijft er Zelf mee in Zijn handen staan. De aarde rust in God.
De mensen trachten dit geheimenis van de aarde te ontkennen.
De aarde geschapen in den beginne? Welnee! Langzaam ontstaan, de ene vorm uit de andere.
Nu, stel dat ze gelijk hadden, die dat zeggen. Is dan aan het begin van die lange ontstaansgeschiedenis het wonder van de wereld iets minder wonderlijk geworden?
Nee toch? Het is toch veel meer zo: hoe meer men de schepping onderzoekt, des te meer wordt zij een wonder? Des te meer wordt zij een heiligdom? Een Godshuis?
En als je daarover nadenkt, over die wereld als heiligdom, dan voel je je als een klein kind aan de deur van een geweldig groot en mooi huis. Met open mond kijkt het door de deur naar binnen. Mag ik hier wel binnengaan? En nu opgelet, want daar heeft deze psalm het over. Over het binnengaan.
"Wie mag de tempel binnentreden?"
De gedachtegang van deze psalm is eigenlijk deze: een aantal pelgrims is op weg naar de tempel in Jeruzalem. Bij de poorten (de psalm spreekt verderop ook over die poorten, vers 7 en volgende) aangekomen vraagt men zich af: hoe komen wij hier' binnen? Wat zijn de vereisten om hier binnen te treden? Deze mensen komen dus niet in de gesteldheid van: "ze mogen blij zijn dat ik kom".
Zulke mensen hollen trouwens bij de eerste de beste hindernis beledigd weg. "Wie durft mij in de weg te treden; ik die zo goed ben hierheen te komen?"
Nee, voor déze tempelgangers is het binnentreden een vraag. Zij zijn inderdaad verlegen kinderen die zichzelf aan de deur onwaardig vinden.
Zo maar binnengaan? Ik?
Maar nu is dit het typische van deze psalm dat de tempelbezoekers die hier aan het woord zijn achter het heiligdom in Jeruzalem het heiligdom van deze wereld zagen. Dat heiligdom dus waar deze psalm mee begint. In psalm 15, die goed met de 24ste vergeleken kan worden, ontbreken aan het begin die zinnen over de aarde en haar volheid. Die psalm heeft 't over het ene heiligdom in Jeruzalem.
In psalm 24 echter zijn dat er twee. Hoewel, die twee heiligdommen waarover ik het in het begin had, waren voor de gelovigen toch eigenlijk één. Want door de tempel in Jeruzalem binnen te gaan, gingen ze tegelijk de aarde en haar volheid binnen. En de schroom waarvan deze psalm getuigenis aflegt ,in vers 3: "Wie mag de berg des HEREN beklimmen en wie mag staan in zijn heilige plaats?", - deze schroom was een dubbele: voor de tempel en voor de wereld; voor de zondag en voor de maandag.
Dit is een hoogst opmerkelijke kijk. Voor veel mensen, ook christenen, vormen de aarde en haar volheid geen enkel probleem. Ze stappen er in rond als herenboeren, de duimen achter het vest.
Hunner is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarin wonen. "Onze wereld", "de wereld van ons en onze kinderen", zeggen ze. Geen sprake van dat het hun tot een probleem is of zij die wereld wel mogen gebruiken. Vanzelfsprekend mógen ze dat, vinden ze. En vanzelfsprekend kunnen ze dat, denken ze.
Terwijl er niets vanzelfsprekends aan is. Denk eens in: deze psalm heeft het over reine handen en een zuiver hart en een gespoelde mond! Stel je nu eens een ogenblik voor dat de mensen zo met de aarde en haar volheid om zouden gaan: met reine handen en zuivere harten; met geen verlangen naar ijdelheid in de ziel en met geen bedrog in de mond. Dat is toch niet voor te stellen?
En toch, omdat de aarde des Heren is, moet dat wel. Hij wil het zo.
Kijk, op deze wijze wordt het ons tot een probleem hoe wij in deze wereld zullen verkeren, in dat huis des Vaders met zijn vele woningen. De aarde en haar indrukwekkende volheid, de schepping en haar imponerende veelheid, - hoe gaan we er mee om?
De Schrift zegt: het is belangrijk langs welke weg je binnengaat. Als je van elders inklimt, dan ben je een dief en een moordenaar en een vernieler en een schenner.
Je moet door Sion binnengaan. De aarde met haar volheid heeft Jeruzalem tot ingang.
Zoals de ingang tot de week de zondag is. Hebt u zo de kerkdienst wel eens gezien? En de avondmaalsviering? Als een ingang tot de aarde en haar volheid? Door de verzoening heen naar Gods schepping?
De kerkdienst is de deurmat waarop u uw vuile voeten veegt om binnen te treden in de wereld.
Ik denk dat wij meer geneigd zijn om dit precies omgekeerd te zien.
Wij zijn in de wereld (vanzelfsprekend, daar horen wij), en nu wordt het zondag. Nu moeten we ons even losmaken van die vuile wereld om binnen te gaan in het heiligdom. Zo is de kerkdienst een uitgang uit de wereld in plaats van een ingang tot de wereld. Zo komt het ook dat voor veel mensen de godsdienst niets met deze wereld te maken heeft. Ze laten die wereld nadrukkelijk achter zich als zij iets aan godsdienst doen.
"Welt, geh aus!" Maar in de bijbel is het zo dat het heiligdom van de tempel het heiligdom van de wereld vertegenwoordigt.
En dat de plaats der verzoening de poort is waardoor we Gods' schepping binnengaan.
Achter Jezus aan. Want als we de vereisten gehoord hebben: reine handen en zuivere harten, geen gezindheid tot ijdelheid en geen valse eden en leugentaal, - ach, dan kunnen we mismoedig worden.
Niet omdat we dit niet willen, maar juist omdat we hier zo vurig naar verlangen. Wij hongeren en dorsten naar deze gerechtigheid. Zo zijn wij "het geslacht dat vraagt naar God en zijn aangezicht zoekt." Vragers en zoekers - "W'ir sind nur Bettler" (Luther). En als God dan Zijn Zoon geeft als de Koning der ere, dan houden we ons aan Hem.
Jezus Christus is de koning der ere waar het slot over spreekt; voor wie de engelen zongen en in de houding sprongen, toen Hij kwam. Voor Hem staat de deur niet op een kier. Hij gaat met vlag en wimpel binnen.
De poorten barsten zelfs uit hun voegen, zo moeten ze open, open ... voor Hem.
"Heft, poorten, uw hoofden omhoog! Opdat de Koning der ere binnenga." Hij gaat de tempel binnen en zo gaat Hij de wereld binnen. Hij komt tot het Zijne: de aarde en haar volheid. En wij achter Hem aan en met Hem mee.
Maar nu kunnen wij elkaar danig in verlegenheid brengen met de vraag: wat komt daar nu van terecht?
Door de verzoening heen, achter Christus aan, de schepping binnentreden.
Via Jeruzalem naar de aarde en haar volheid. Met de reine handenen het zuivere hart van Christus. Als de ware Jakob. Niet als de Jakob die een bokje slachtte om de zaak te bedriegen - en hoe vaak gebruiken wij zo de schepping niet voor onze eigen duistere doelen? - maar als de ware Jakob ("dit is Jakob").
Nog eens, wat komt daarvan terecht?
De psalm gaat eigenlijk over de Kerk en het Koninkrijk Gods: door de Kerk heen naar het Koninkrijk Gods. Maar is onze ervaring als christenen eigenlijk niet dat naarmate we ouder worden de Kerk meer aandacht gaat opeisen en het Koninkrijk Gods naar de achtergrond verdwijnt? Met andere woorden: het leven is meer voeten vegen dan binnengaan, meer zondag dan maandag, meer rechtvaardiging dan heiliging, meer verzoening dan genieting.
Ik richt me nu ook tot de ouderen onder ons. U leest zo'n psalm en de uitleg ervan en u denkt: wat moet ik er mee? Door de kerk heen de wereld ingestuurd worden? Door de kerk heen toch veeleer de wereld uitgeleid worden? Ik kan die aarde en haar volheid niet aan. A:ls ik omkijk is me dat duidelijk gebleken. Eoht dus weer een boodschap voor de jongeren, zeker.
Nee, toch niet. Deze psalm roept om een uiteindelijke vervulling. Belooft die ook, trouwens.
Als we nog even die onderscheiding van zopas gebruiken: Kerk en Koninkrijk Gods, dan zeg ik: dit leven is inderdaad meer Kerk dan Koninkrijk Gods. Niet: enkel Kerk en geen greintje Koninkrijk Gods, maar: méér Kerk dan Koninkrijk Gods. Ingang tot, voorportaal van de schepping; we staan hier toch hoofdzakelijk op de deurmat onze voeten te vegen. Al zijn er 'oases in de woestijn'.
Maar eens komt de tijd van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Daarvan zegt de Schrift: een tempel zag ik in haar niet. Dat wil zeggen: Wij zijn dan die ingang en die deurmat voorgoed gepasseerd en zetten onze reine zinnen op de aarde en leggen onze zuivere handen aan haar verrukkelijke volheid. Maar we moeten da hier wel leren.
En daarom telkens weer (en daar moeren ook de ouderen hun geest in oefenen en soepel houden!): langs Sion de wereld in. Via de kerkdienst naar de aarde en haar volheid. Door de Kerk heen naar het Koninkrijk Gods.
Langs de zondag naar de maandag. Eerst het bidden, dan het werken, of wel:
"Over de Kerst naar het Nieuwe Jaar".