Echtscheiding (1)

1982-12-31
  • Jaargang 26
  • nummer 49
Mij is gevraagd enkele Schriftgedeelten in te leiden, die betrekking hebben op het onderwerp van vandaag.
Die opdracht is me gemakkelijk en moeilijk gemaakt door de recente verschijning van het boekje van prof. J. Douma getiteld Echtscheiding, No. 8 uit de serie Ethische Commentaar, Uitg. Bolland 1982.
Gemakkelijk, omdat hij daarin de belangrijkste Schriftgedeelten duidelijk verklaart en bovendien in de veelheid van hedendaagse vragen duidelijk de weg van de Schriften wijst: wie in onze kring vandaag over dit onderwerp wil spreken, dient dit boekje gelezen te hebben.
Moeilijk, omdat ik niet wil volstaan met een herhaling van wat hij te berde bracht. Ik vond de mogelijkheid van een eigen behandeling in een aanpak vanuit verschillende patronen van de problematiek. Douma wijst in zijn boekje elke casuïstiek af. En terecht, Maar hij wijst erop dat er een sterk barmhartigheidelement zit in het ingaan op de vele gevallen. De mensen komen met vragen uit het leven: wat doe je nu als de zaak zó en zo ligt? En onze Here God is zo barmhartig om op tal van onze zondesituaties in te gaan en daarin af te dalen. Dan geeft Hij ons Zijn directieven: als de situatie zo en zo is, moet je in die en die richting handelen. Zie maar (om een voorbeeld te geven) Exodus 21.
Wat moeten we doen als twee mannen ruzie krijgen en elkaar slaan, zodat één van hen bedlegerig wordt? En wat te doen als één van hen een zwangere vrouw stoot, zodat de vrucht afgaat? Zo zal het waarschijnlijk onder ons gaan in onze besprekingen. U zult komen met praktische vragen. Want u bent zo hevig betrokken bij concrete mensen en hun concrete nood. Daarom wil ik vanmorgen uitgaan van enkele patronen die daarin telkens terugkeren. Om dan de weg te zoeken naar de Heilige Schrift.

Ontrouw in de liefde
Dat is de meest eenvoudige probleemstelling: er is (nog) geen sprake van een derde, maar de liefde tot eigen man of vrouw is gewoon opgehouden en weggeëbd. De één houdt gewoon niet meer van de ander. Dit gegeven schreeuwt natuurlijk om uitwerking en concretisering.
Maar ik volsta met de aanduiding van dit type. En benoem het als ontrouw in de liefde.
Ik denk dan aan de doorgaande boodschap van de Heilige Schrift dat onze God zo trouw is. Uiteraard is dan bedoeld: zo trouw in de liefde, ondanks onze tuchteloosheid.
De Engelse Good News Bible vertaalt het Hebreeuwse woord chèsêd (goedertierenheid) steeds met constant love. Zo b.v. de bekende woorden van psalm 103 : 8: Genadig is de Here en barmhartig, lankmoedig en groot van constant-love, constante, vaste, sterke liefde. En dat ondanks Israëls overspel: denk aan de verhouding van Hosea tot Gomer. Je snapt toch niet dat hij nog van haar
Wanneer b.v. de echtgenoot komt met de boodschap: "Ik kan het niet helpen, maar ik houd gewoon niet meer van haar", moet het antwoord zijn: "En dat is het nu juist wat je beloofd hebt wèl te zullen doen. Je hebt niet beloofd je vrouw (je man) lief te vinden, maar lief te hebben. God heeft ons ook niet lief gevonden, maar liefgehad. Dat was Zijn daad. Je begint er maar aan!"
Ik zoek de diepste oorzaak van de steeds toenemende huwelijksmisère in de kerk van Christus, evenals de steeds toenemende onmacht om een stuk levensverdriet te dragen en daaronder te lijden, in het steeds slechter kennen van de lengte, de breedte, de diepte en de hoogte van de liefde Gods in Christus Jezus. Eigenlijk in het steeds minder kennen van de Here Jezus Zelf. Daarvan komt het dat de liefde koud wordt, Mt. 23 : 12. En de christen op zichzelf betrokken.
Prediking van de wonderbare liefde Gods in Christus, krachtdadige prediking van (laat ik het methodistisch zeggen) het wonderbare kruis, overrompelende prediking van de liefde waarmee Christus Zich gaf, gepaard aan een dringend gebed om opening van de harten, worden bittere noodzaak in onze bloedloze tijd, in een kerk, die vaak evenzeer lijdt aan bloedarmoede. Alleen van daaruit gaan Ef. 5 en 1 Kor. 13 open. Paulus zegt in Ef. 5 niet alleen, dat de man zijn vrouw moet liefhebben ZOALS Christus Zijn gemeente liefheeft, maar ook OMDAT Christus Zijn gemeente liefheeft. Hij zegt niet alleen dat de vrouw haar man moet liefhebben ZOALS de gemeente Christus liefheeft, maar ook OMDAT Christus de gemeente liefheeft. Het Griekse woordje waar het om gaat heeft niet alleen een vergelijkende, maar ook een redengevende functie. We worden opgenomen in de liefde van Christus voor Zijn gemeente en omgekeerd.
Dat is het mysterie. Groen van Prinsterer schreef boven de brieven aan zijn vrouw: Geliefde zuster in den Here. Paulus zegt in Rom. 13 : 8: Weest niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben, want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. Mensen die gaan trouwen nemen een onafbetaalbare schuld op zich.
Onafbetaalbaar a) omdat de liefde Gods te onswaart eindeloos is en b) omdat andere gaven afgedaan zullen hebben, maar de liefde vergaat nimmermeer: wie gaat liefhebben begint aan de eeuwigheid.
Dus zegt de man: de schuld ligt bij mij: ik heb je niet genoeg liefgehad. De vrouw antwoordt: maar ik ben jouw schuldenares, want ik heb nog niet genoeg bemind. Niet allen vatten dit, zegt Jezus. Alleen wie het gegeven is, Mt. 19. De diepste vragen zijn die naar de waarachtigheid van onze wedergeboorte. Alleen van hieruit is ook het dragen van huwelijksleed mogelijk. Wij moeten mensen in de getekende nood terugbrengen tot hun Jawoord: trouw tot de dood ons scheidt. De winst ligt niet alleen in een gered huwelijk, als God dat geeft, maar in veel diepere kennis van onze Here Jezus Christus (zie 2 Petr. 1 : 8 in zijn verband).

Het ontwrichte huwelijk
Van het ontwrichte huwelijk is sprake, als iedereen zegt: zo kan het niet langer. Als de dokter zegt: dit wordt uw dood. Douma maakt terecht verschil tussen scheiding en echtbreuk.
We moeten goed letten op wat Christus zegt in Mt. 5 : 31 en 32:

Er is ook gezegd: al wie zijn vrouw wegzendt, moet haai:'een scheidsbrief geven. Maar ik zeg u: ieder die zijn vrouw verstoot, behalve ingeval van ontucht, brengt haar ertoe echtbreekster te worden; en wie een verstoten vrouw huwt, pleegt echtbreuk.

Het proces verloopt dus in twee fasen: eerst scheiding; daarna echtbreuk. Daarvan is pas sprake als de verstoten vrouw "één vlees" wordt met een ander. Scheiding is nog geen echtbreuk, maar kan er gemakkelijk toe lijden. Zo ligt het ook in Matth. 19: 8 en 9: Wie zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan echtbreuk en een ander trouwt, pleegt echtbreuk.
Weer een proces in twee fasen: eerst de wegzending van de vrouw; dan het nemen van een ander. En met die laatste daad is er sprake van echtbreuk.
Het is duidelijk: de Here verbiedt beide: scheiding en echtbreuk, maar het tweede is veel erger dan het eerste. Zie ook Mk. 10 en Luk. 16. Telkens spreekt de Heiland over het geheimenis van het één vlees zijn, de éénwording. Als deze eenheid met een ander beleefd wordt is er sprake van overspel. Erg duidelijk is het verschil in 1 Kor. 7 : 10 en 11.

Doch hun die getrouw zijn, beveel ik niet, maar de HERE, dat een vrouw haar man niet mag verlaten. IS DIT TOCH GEBEURD, dan moet ze ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen en de man moet zijn vrouw niet verstoten.

Het gaat hier om de kapitaal gedrukte woorden: IS DIT TOCH GESCHIED... Verlating mag niet, maar het gebeurt. Scheiding is niet de weg, maar hij wordt gegaan. De hardigheid des harten waarvan Mozes spreekt is in het nieuwe verbond nog niet uitgewerkt. Maar het kan nog erger. De vrouw die haar man verlaat (blijkbaar kwam dat binnen de gemeente voor!) zou ook vluchtig kunnen overstappen op een andere man. Dan moet de gemeente ingrijpen. Dat zou echtbreuk betekenen. En dat mag in de gemeente van Christus nooit aanvaard worden.
Dus moet de vrouw ongetrouwd blijven. Het oude huwelijk is op non-actief gesteld. Soms moet dat geaccepteerd worden. Maar de band is er nog. Zo heilig is het huwelijk voor God.
Vermoedelijk gaat het in het voorbeeld van Paulus om een vrouw die haar man verlaat uit over geestelijke motieven. Als het gebeurd is, valt er niet veel meer te doen dan te accepteren.
Veel minder is er reden een zuster van het avondmaal te weren, die het bij haar man niet uit kon houden. Of andersom. Wie peilt het leed dat achter zo'n simpele notitie ligt? Een opmerking als deze zou niet gemaakt hoeven te worden. Jezus zegt: Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden, Mt. 5 : 7. En barmhartigen zijn toch zeker de mensen, die weten hoe bedorven zij zelf zijn (hoevaak hebben ze zelf echtbreuk gepleegd in hun hart?) en die daarom kunnen meevoelen met de zwakheden van hun broeders en zusters, die vaak door een hel gegaan zijn, mede misschien door hun eigen zonden. En die daarom mild zijn in hun oordeel en niet strenger dan de apostel Paulus. De Prediker zegt: Weest niet ze zeer rechtvaardig en gedraagt u niet al te wijs; waarom zoudt ge uzelf tot verbijstering brengen, Pred. 7 : 15.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief