De antroposofie (5)
1982-01-15
Meer dan één leven- Jaargang 26
- nummer 2
De architect werkt het bestek van een huis uit. Dit wordt uitgevoerd. Daarbij doet hij een reeks van uiteenlopende ervaringen op. Al deze ervaringen verhogen zijn kundigheid. Wanneer hij het volgende bestek uitwerkt, worden al die ervaringen er mee in opgenomen.
En dit volgende bestek blijkt tegenover het eerste verrijkt met alles wat hij bij het vorige geleerd heeft. Aldus is het met de opeenvolgende menselijke levenslopen gesteld. In de tussentijden tussen de belichamingen leeft de geest in zijn eigen domein. Hij kan zich geheel wijden aan de eisen van het geestesleven; hij ontwikkelt zich, bevrijd van heel de fysieke lichamelijkheid, naar alle kanten en verwerkt bij deze ontwikkeling de vruchten van de ervaringen in zijn vorige levenslopen.
Rudolf Steiner
Wie een fabuleuze pre-existente van de ziel leert, die zij verdoemd.
Uitspraak concilie
Constantinopel 553 AD
In het voorafgaande is duidelijk geworden dat Steiner (naar zijn volgelingen geloven) de mogelijkheid had om rechtstreeks het lot van gestorvenen in het hiernamaals te volgen. Hij kon vertellen hoe het met hen gesteld was. Het is duidelijk dat Steiner hiermee bevestigt dat er (een) leven is na de dood.
De leer van Steiner spreekt ook ondubbelzinnig over reïncarnatie, of, zo men wil, herbelichaming. Zijn visie hangt (ook hier) samen met zijn opvattingen over de mens. Sprekend over de mens vallen geregeld termen als "fysiek lichaam", "etherlichaam", "astraallichaam" en "zielelichaam".
Het is goed om daar ruime aandacht aan te schenken.
Voor het vervolg van dit verhaal ontleen ik gegevens aan een boek van Johannes Hemleben, met de titel Over de grens van het leven. De ondertitel is "Voorstellingen over een bestaan na de dood". De schrijver houdt zich bezig met gedachten over de dood bij de oude Egyptenaren, in de Griekse mythologie, bij de Romein Vergilius, maar ook met christelijke visies en gedachten van enkelingen zoals Swedenborg, Goethe en Lessing. Dit alles culmineert in de opvattingen van Steiner.
Kunnen en weten?
Het is duidelijk dat voorstellingen over een mogelijk leven na de dood in nagenoeg elke religie voorkomen. Ook dat er allerlei praktijken (hebben) bestaan om tot diepere kennis van het leven aan de Andere Kant te komen. In het algemeen kan echter worden opgemerkt dat zulke dingen bij het volk Israël niet geoorloofd waren en kennelijk ook niet voorkwamen. (Sauls bezoek aan de vrouw van Endor is een van de weinige uitzonderingen en het lijdt weinig twijfel dat dat bezoek ongeoorloofd was.) In het Nieuwe Testament wordt ook ons christenen weinig reden gegeven om ons met deze dingen bezig te houden, verder dan wat de Schrift ons zelf vermeldt. Dus wel: verzekerdheid van een leven na dit leven, mededelingen over een verheerlijkt lichaam, het zijn bij God, maar zelden veel detail. We zouden graag weten hoe dat opstandingslichaam zal zijn, maar we horen niet veel meer dan dat het er zal zijn, enzovoort. Gods beloften en de zekere uitspraken van de Bijbel laten spiritistische praktijken. Ze worden zelfs verboden.
Deze remming bestaat echter niet voor de Antroposofie. Is Steiners leer niet een "geestelijke wetenschap"? Ook hij wijst spiritistische praktijken af maar om toch wel geheel andere redenen dan dat wij dat doen. Het is geen toeval, denk ik, dat in Hemlebens boek de weergave van Steiners ideeën geplaatst wordt nadat er over parapsychologie en spiritisme is gesproken. Net als we bij mevrouw Blavatsky opmerkten, is ook Steiner van mening dat de weg van de Antroposofie veel hoger voert. Wordt door het spiritisme de feitelijkheid van een leven na dit leven bevestigd, de wijze waarop "bewijzen" worden geleverd bevredigt Steiner allerminst. "Spiritisme en hypnose betekenen verlaging, vermindering van het bewustzijn. Bij beide gaat het er om dat de doorgang naar de Overzijde gebeurt in tranceslaap..." registreert Hemleben het antroposofische gevoelen. (148) De gestorvenen die zich in seances melden spreken over andere, hogere werelden waarvan ze zelf geen ervaring bezitten. "Men kan dus zeggen: het spiritisme brengt slechts het bezinksel van een lagere tussenwereld tevoorschijn, die noch in de hoogten des hemels noch in de diepten der hel reikt - vandaar het onbevredigende van de mededelingen."
Wil men kennis van hogere werelden hebben, dan dient men die te verkrijgen door meditatie. In plaats dat men in gedachteverduistering zich voor "de Overzijde" zou openstellen, kan men leren leven in "zuivere innerlijkheid". "De meditatieve inkeer (opent) nieuwe ervaringsgebieden.
Bij het mediteren worden allengs bovenzintuigelijke domeinen ontsloten, die met recht als...vrij van het lichamelijke worden beleefd."
Hoe het zal zijn
De Antroposofie kan ons dus kennis leveren over het leven na dit leven, het leven tussen dood en volgende geboorte. Het blijkt met name een louteringsproces te zijn, dat in een soort "vagevuur" of "hel" plaatsvindt. Het sterven als zodanig is een bevrijdende ervaring. "Van hieruit gezien is het ogenblik van de dood een gebeurtenis die onveranderlijk is en met angst en beven wordt afgewacht.
Daarentegen betekent vanuit de Overzijde gezien het stervensmoment voor de gestorvene een afleggen van het lichaam, "de overwinning van de geest", als het zich ontworstelen van de geest aan het lichaam. Aldus beleeft de zo even gestorvene dit, en zo verschijnt voor hemde dood als het grootste, heerlijkste en gewichtigste gebeuren"."
Is de gestorvene eenmaal de Poort doorgegaan, dan begint de afbraak van het stoffelijke. Eerst is er de fase waarin men op het eigen leven terugkijkt. Deze valt samen met de drie à vier dagen die erover heen gaan voor men de gestorvene begraaft of verbrandt. In die tijd gaat het fysieke lichaam tot ontbinding over.
In een tweede fase gebeurt er iets met het twééde lichaam dat Antroposofen veronderstellen, het etherische lichaam. Anders dan het fysiek-minerale lichaam is dat etherische lichaam het geheel van levenskracht dat het eerste doortrekt. Als ook het (normaal onzichtbare) etherlichaam tot ontbinding is overgegaan "ervaart de geest - ziel van de overledene dat zij nu definitief van het lichaam gescheiden is."
Dan is er echter het derde lichaam, het astraallichaam. (De naam houdt verband met het Griekse woord voor "ster"; dit lichaam is namelijk specifiek verbonden met de sterrenwereld.) Met name dit astraal lichaam moet worden gezuiverd en gelouterd. Dat Steiners inzichten hier van cruciaal belang zijn meldt Hemleben met de woorden: ·"Van de derde fase in het leven na de dood dringt normalerwijze geen bericht tot de levenden door. Ook het spiritisme heeft geen opheldering kunnen geven over het essentiële van het lot der ziel in dit stadium... In onze eeuw is hef... alleen Rudolf Steiner die in zijn boeken en voordrachten het leven van de ziel in deze derde fase beschreven heeft, de fase van de loutering (of vagevuur, ook Kamaloka genoemd.)" Waarvan moet het astraal lichaam gezuiverd worden? Van de verlangens die in een stoffelijk bestaan opgedaan zijn. Zoals men van een geamputeerd been nog pijnscheuten kan ontvangen, is ook de tot vergeestelijking komende mens nog lang niet vrij van verlangens. "Op de dood volgt voor de mensengeest een tijd waarin de ziel zich van haar neigingen tot het fysieke bestaan ontdoet, om dan weer enkel de wetten van de geestelijke wereld te volgen en de geest vrij te maken... Zij zal kort zijn bij een mens die weinig aan het fysieke leven gehangen heeft, daarentegen lang bij iemand voor wie dit leven van allesoverheersend belang geweest is, zodat bij zijn dood nog vele begeerten, verlangens etc. in de ziel leven." (159, 160) Steiner vervolgt dan: "Deze toestand duurt zo lang totdat de ziel weer geleerd heeft niet meer al datgene te begeren wat enkel met het lichaam kan bevredigd worden... Dit geschiedt in de onderste regio van de zielenwereld die ook "begeertengloed" of "hel" genoemd wordt."
Er is nog een vierde fase, want "de belevingssferen die voorheen "hel" en "vagevuur" genoemd werden (betekenen) geen eindstations". (163) De ziel is "vrij van alle gebondenheid en nawerking door het lichamelijk bestaan en (leeft) als gelouterd wezensonderdeel in het één zijn met de geest." Zo komen we bij de echte, "de geestelijke wezenskern der betrokken individualiteit".
(Even terzijde, in Steiners terminologie is "individualiteit" datgene wat de kern van de mens is; datgene wat bij een volgende menswording bewaard blijft.) Moeten we de "hel" niet als een echte plaats - en zeker niet als een definitieve bestemming - zien, hetzelfde geldt feitelijk voor de "hemel", die meer een toestand moet heten. "Met de geest verenigd voelt de ziel zich als geest onder de geesten." De vierde fase is "het leven in de hemelse geest". Die krijgt "tegenover de vermeende christelijke "hemel" een volkomen nieuwe betekenis", verklaart Hemleben.
Wat dat betekent
Wie bovenstaande gedachten aanhangt zal daaruit bepaalde conclusies trekken. Ik noem er een aantal, hier en daar ondersteund met uitspraken van Steiner zelf.
- Er komt geen einde wanneer iemand sterft, maar veeleer is er een "eeuwige existentie".
Iemands levensloop ligt met de dood niet tot in alle eeuwigheid vast - er moet na elk leven noodzakelijk een louteringsproces volgen, maar er is geen uiteindelijk oordeel.
- Het gaat feitelijk steeds om een eindeloze weg, die "de individualiteit" moet maken. Nóóit zijn we aangekomen, altijd is er een voortgang op "de weg".
- De Antroposofie spreekt – uiteindelijk - niet in termen van goed en slecht, in de zin van "heilig" of "zondig", maar in de tegenstelling van "stoffelijk" en "geestelijk".
"Loutering" betekent vrijkomen van je lichamelijkheid en al wat daar mee samenhangt.
- Iemands levenslot in het heden wordt bepaald door wat "de individualiteit" in de voorgaande belichamingen heeft meegemaakt en geleerd.
Zie het voorbeeld van de architect, bovenaan dit artikel. Van de vrij schaarse Bijbelteksten die door Hemleben worden aangedragen om dit standpunt te illustreren komen er twee met opmerkelijke frequentie voor: "Wat gij zaait zult ge ook oogsten" (Galaten 6 : 7) en "hun werken volgen hen na" (Openbaring 14: 13). Er is dus ·een keten van oorzaak en gevolg. Elk levenslot is daarom altijd in voorgaande levens bewerkt.
- Er moet een soort keten zijn van mensen die geregeld terugkomen, in steeds nieuwe belichamingen. Kunnen we daar iets van weten? Inderdaad, dat kunnen we.
In 1924 houdt Steiner een groot aantal karmalezingen. Het "karma" is het levenslot, dat ieder mens steeds opnieuw in een bepaalde staat geboren doet worden. Steiner vertelt ons van een aantal mensen welke bestaanswijze vroeger hebben gehad. In een vorige belichaming waren zowel Garibaldi als Victor Hugo ingewijden in de Keltische geheime leer. Charles Darwin en president Wilson van Amerika "hebben in de middeleeuwen een uiterst belangrijke incarnatie gehad."
Degenen die tot de Antroposofische Vereniging zijn toegetreden hebben "in hun voorgeboortelijk bestaan tussen de dertiende en negentiende eeuw een machtige kosmische scholing...
doorgemaakt." (Veltman, 250, 1) Hemleben citeert Steiner, als hij meldt dat de persoon van Elia is teruggekomen in de persoon van Johannes de Doper (immers, zégt de Bijbel dat niet zèlf?). Later kwam hij terug in de persoon van de Renaissanceschilder Rafael en weer later als de Duitse romantische dichter Novalis! (175,6)
Besproken: Johannes Hemleben. Over de Grens van het Leven, uitgave Lemniscaat, Rotterdam. 183 bladzijden. Een nuttig en overzichtelijk werk aangaande met name heidense en esoterische voorstellingen aangaande leven na de dood. De schrijver ziet bij Grieken, Romeinen, Egyptenaren, maar ook bij 18e-eeuwers overeenkomsten met zijn eigen antroposofische noties in dezen. Bijbelplaatsen, aangehaald om reïncarnatiegedachten te staven, worden geïnterpreteerd en toegelicht op een wijze als onder ons niet gebruikelijk is. Bij kritisch gebruik een werk dat het aanschaffen waard is, zeker voor predikanten, studenten en lezers met theologische of culturele interesse.