Echtscheiding
1983-05-20
- Jaargang 27
- nummer 20
Echtscheiding- Dr. J. Douma Uitg. Ton Bolland - 139 blz. Prijsf.27,50
"Echtscheiding" is deel 8 in de interessante serie Ethisch Kommentaar van de hoogleraren dr. J. Douma en dr. W. H. Velema.
Dr. Douma schreef dit boek, zoals hij zelf opmerkt, voor al die mensen, die nog altijd geloven dat het laatste woord niet aan de mens en zijn buitengewone omstandigheden maar aan het blijvende Woord van God is.
In hoofdstuk 1 laat hij zien, dat het thema echtscheiding zowel actueel als oud is.
In de dagen van het verblijf van Jezus op aarde moet het aantal echtscheidingen wel heel groot zijn geweest, zo merkt Douma op, anders zouden de discipelen niet zo pessimistisch gereageerd hebben op het verbod van Jezus om te scheiden. Trouwens ook in de zogenaamde Gouden Eeuw was het in ons land treurig gesteld met de zedelijkheid. In Amsterdam b.v. wemelde het van bordelen. Daar is niet zoveel verandering in gekomen.
Voor deze tijd geldt echter wel speciaal, dat psychische, economische en maatschappelijke factoren het scheiden gemakkelijker maken dan vroeger. Trouwen ontrouw zijn er altijd geweest.
In hoofdstuk 2 "Bijbel en echtscheiding" gaat Douma na wat de Schrift zegt over huwelijk en echtscheiding.
Hier krijgen we een duidelijk overzicht van de Schriftgegevens.
Wel moet ik hier een paar kritische noten bij plaatsen.
In Matth. 5 : 32 vertaalt hij porneia terecht door ontucht. Hij spreekt dan vervolgens over ontucht in de zin van overspel. Dit lijkt me een niet juiste beperking.
Ontucht omvat veel meer dan overspel. Hier valt ook elke sexuele handeling onder die in strijd is met de mozaïsche wetgeving.
Men leze b.v. Lev. 18.
Wanneer men van mening is, dat porneia een grond voor echtscheiding is, moet men de echtscheidingsgronden dan ook niet tot overspel beperken.
Onvoldoende vind ik zijn verklaring van het feit, dat in Matth. 5 het verstoten van een vrouw is verboden behalve in geval van ontucht, terwijl in Marcus 10 en Lukas 16 deze uitzondering niet genoemd wordt.
In het volgend hoofdstuk "Kerk en overheid over echtscheiding" wordt stilgestaan bij de historie.
Hieraan worden 41 pagina's gewijd.
Naar mijn gevoel wel wat veel. De opvatting b.v. van Tertullianus, dat slechts één huwelijk mogelijk is, omdat Adam en Eva ook eenmaal getrouwd zijn (één vrouw, één rib) heeft meer anecdotische waarde dan betekenis voor het thema echtscheiding. Van meer betekenis in dit hoofdstuk is de behandeling van de vraag hoe de huwelijkswetgeving zijn moet.
De regel door Christus gesteld, dat de mens niet zal scheiden, wat God heeft samengevoegd, geldt ook voor de overheid. Daarna citeert hij Anema, die schreef dat een wetgeving, die aan de Schriftuurlijke maatstaf ontzonken is, verkozen moet worden boven de uitspattingen van een ongeregelde toestand.
Dit ligt in de lijn van de uitspraken van de synode van Utrecht 1923, die door Douma ook geciteerd worden. Hierin komt een formulering voor, die m.i. wat nauwkeuriger is. In Utrecht werd o.m. uitgesproken, dat de taak van de overheid in dit opzicht een andere is dan de taak van de kerk, omdat terwijl de kerk de absolute eis van Gods wet voor de gewetens heeft te handhaven, de overheid rekening heeft te houden met de bestaande toestand onder het volk.
Ik vraag me wel af, of in zaken als deze wel voldoende onderscheid gemaakt wordt tussen de vraag of en in hoever de overheid aan de wet van God gehoorzaamheid verschuldigd is en die andere vraag of en in hoever de overheid geroepen is de wet van God te handhaven.
Naar mijn opvatting is het niet juist om te zeggen, dat de overheid de wet van God moet handhaven, omdat het karakter van deze wet handhaving door overheidsgezag uitsluit.
In zijn commentaar op Matth. 19 merkt Calvijn op, dat de overheid nu eenmaal met andere normen moet werken dan Christus, omdat zij in de zondige werkelijkheid heeft te regeren. Deze regering, die geestelijk van aard is, verschilt, zo zegt Calvijn, aanmerkelijk van de burgerlijke welke in het dagelijks leven wetten geeft.
Aan het slot van dit hoofdstuk geeft Douma een uiteenzetting over de nieuwste echtscheidingswetgeving in ons land.
In hoofdstuk 4 volgt dan de evaluatie.
Hierbij wijst hij op drie zaken.
Het huwelijk is onontbindbaar en over echtscheiding kan alleen gesproken worden in de vorm van neen, tenzij.
Bij het bepalen van de uitzonderingen moet billijkheid betracht worden.
Soms moet de kerk in een kwaad berusten en zorgen dat erger voorkomen wordt.
Met dat "neen, tenzij" heb ik toch wel wat moeilijkheden.
Volgens Douma omvat dat "tenzij" twee mogelijkheden. Als er overspel gepleegd is, is de echt metterdaad gebroken en heeft de onschuldige partij de vrijheid opnieuw te trouwen. Als een ongelovige de andere partij verlaat, is die ander niet meer gebonden. Er zijn dus twee echtscheidingsgronden.
Rinzema wil niet spreken van echtscheidingsgronden, maar van situaties, waarin echtscheiding onvermijdelijk wordt. Douma vindt dat dit niet veel uitmaakt. Ik geloof, dat Douma zich hierin vergist.
Wanneer men erkent, dat het huwelijk naar zijn structuur een onverbrekelijk verbond is, kan men geen enkele grond voor echtscheiding aanvaarden.
Wanneer we aannemen, dat Jezus in strijd met dat onverbrekelijk karakter volgens Matth. 5 wel echtscheiding bij overspel toestaat, lopen we vast met die teksten, waar Jezus geen uitzondering noemt. En we lopen helemaal vast bij Paulus, die in een ander geval ook nog scheiding toestaat.
Het gevaar van de visie van Douma is, dat we de Bijbel op legalistische wijze als een wetboek gaan lezen.
Jezus en ook Paulus geven alleen maar antwoord voor een bepaald geval, een bepaalde situatie, waarin de toestand onhoudbaar wordt.
Dat is dan geen echtscheidingsgrond, maar hier is sprake, om met Rinzema te spreken, van een toestand waarin het gebod vastloopt op de zondige structuur van de werkelijkheid. Dat behoeft niet alleen overspel te zijn.
Het gaat bij deze geboden in de Bergrede, en nu citeer ik dr. H. Ridderbos, niet om paragrafen van een wetboek, maar het gaat om voorbeelden, die aan willen geven, hoe ver de liefde kan gaan, het niveau waarop de christen leven moet.
Tot slot volgen enkele concretiseringen, die laten zien voor welke moeilijke vragen men hier komt te staan.
In deze boekbespreking ben ik nog al in discussie gegaan met de schrijver. Ik hoop niet hiermede de indruk gewekt te hebben dat dit geen waardevol boek is. Integendeel, Douma geeft ons hier veel waardevolle gegevens over het zo moeilijke vraagstuk van de echtscheiding.
Ik kan de lezing en bestudering van harte aanbevelen.