HIZKIA’S DANKLIED

1983-05-27
  • Jaargang 27
  • nummer 21
1 In mijn angst heb ik gesproken:
"Opgebroken
is mijn weg en mijn bestaan,
want de HERE komt mij tegen
halverwege
zegt Hij mij het einde aan.

2 Wee mij! want ik ben ontboden
bij de doden:
nooit zie ik Gods daden meer,
van zijn woning weggestoten,
uitgesloten
van het menselijk verkeer.

3 0, ik had geheel mijn leven
saamgeweven
tot een weefsel schoon en sterk,
tot de HEER het af kwam snijden

mij ontglijden
levensdoel en levenswerk.

4 Wordt mijn veilig onderkomen
mij ontnomen,
rukt Gij elke tentpin uit?
In mijn angst richt ik
mijn ogen naar de hoge:
wees mijn borg, HEER,
red mij uit!

5 Zult Gij als een leeuw mij vinden
en verslinden,
onverhoeds, van dag op nacht?
Hoor het piepen van een lijster:
zo verbijsterd,
zo verloren klinkt mijn klacht ... "

6 HEER, mijn God,
ik vind geen woorden!
Gij verhoorde,
Gij vernieuwde mijn bestaan!
Alle jaren die mij resten,
tot de leste,
mag ik vrolijk verder gaan.

7 Zie, waarmee Gij mij beproefde,
diep bedroefde,
werd tot heil dat mij verblijdt.
Niet naar 't graf ben ik gezonden,
want mijn zonden
werpt Gij van U
voor altijd.

8 Want niet in het rijk der doden
wordt geboden
lof die U behagen zou,
maar wie adem wordt gegeven
- zij die leven –
zingen van uw grote trouw.

9 HEER, mijn God,
als in 't verleden mag ik heden
spreken van uw trouw en macht.
Wat mijn vader mij vertelde,
zal ik melden
aan het volgende geslacht.

10 U de lof, de eer te geven,
dat is leven:
loven in uw heiligdom!
Laat ons bij het spel der snaren
alle jaren
zingen voor de Levensbron.

Melodie: psalm 38


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief