De geboorte van Mozes
1983-06-03
"Toen zij zag dat hij schoon was, verborg zij hem drie maanden lang" - Jaargang 27
- nummer 22
(Ex. 2 : 1-10)
Voor de uittocht
Het boek Exodus vertelt ons over de bevrijding van het volk Israël uit de slavernij van Egypte. Maar als we de inleidende hoofdstukken lezen, krijgen we niet bepaald de indruk dat er voorbereidingen worden getroffen voor de uittocht.
Integendeel zelfs, er wordt in het begin van het boek Exodus verteld hoe de Egyptische autoriteiten maatregelen nemen om het volk Israël voorgoed in de macht van Farao te houden. De slavendienst die in Egypte verricht moet worden, is ontzettend zwaar. Farao laat nauwkeurig toezicht houden op alles wat de Israëlieten doen en laten. En bovendien weet Farao de arbeidskracht van de Israëlieten aan 'te wenden om zijn eigen macht te vergroten, door hen de voorraadsteden Pithom en Raämses te laten bouwen en langzaam maar zeker wordt de wreedheid als het ware als bepalende faktor ingebracht in het leven van de Israëlitische slaven. De herendienst wordt verzwaard, mishandeling wordt een middel om de slaven tot werken aan te zetten en gezien de geboortegolf wordt het wrede gebod uitgevaardigd dat alle pasgeboren jongens in de Nijl verdronken moeten worden.
Gods bijzondere verlossingswerk
Midden in die aller-beroerdste omstandigheden, waar mensen machteloos staan en geen raad meer weten, begint God zichtbaar voor ieders oog te werken aan de verlossing van Zijn volk.
Een eerste stap in dat verlossingswerk is de geboorte van Mozes, die door de geschiedschrijver getekend wordt als een bijzonder werk van God. Om er alle nadruk op te laten vallen dat het God is, die hier aan het werk is, worden in eerste instantie de namen van de personen, die in deze geschiedenis optreden, niet genoemd. Pas laten horen we dat "de man uit het huis van Levi" en de levitische vrouw, met wie hij gehuwd is, Amram en Jochebed heten (Ex. 6 : 19) en ook, dat het meisje, dat de wacht betrekt bij het biezen kistje, waarin de kleine Mozes gelegd wordt in het riet aan de oever van de Nijl, Mirjam heet, is iets wat niet meteen in Ex. 2 verteld wordt. Er is alleen maar sprake van "een man", "een vrouw" en "zijn zuster"; de personen blijven op de achtergrond; ze handelen als het ware anoniem en daardoor kan alle aandacht gericht worden op het ingrijpen van de Here zelf tot redding van zijn volk.
Goddelijke ironie
De Egyptenaren hadden allerlei maatregelen genomen om de groei van het volk Israël voorgoed onmogelijk te maken en tegen die achtergrond is het werk van de Here zelf eigenlijk des te wonderlijker: Hij begint aan te knopen bij de door de Egyptenaren afgesneden draden. De adviseurs van Farao hadden gezegd: "Laat alle pasgeboren jongens verdrinken"!, maar straks zal heel het leger van Egypte verdrinken in de Schelfzee en de man die nu uit het water gered wordt, zal daarbij een bijzondere rol vervullen, als hij zijn hand moet opheffen om het water van de Schelfzee te doen terugvloeien, waardoor de Egyptenaren de verdrinkingsdood moeten sterven.
Zo is God zelf bezig Zijn werk door de eeuwen heen te dragen naar de voleinding en Hij lacht om de plannen van de vijanden van Zijn volk.
Het huis van Levi
We moeten de geboorte van Mozes ook zien tegen de achtergrond van de hoop van het volk Israël op verlossing. Als je aan een Israëliet van toen zou hebben kunnen vragen, van welke kant nog redding zou kunnen opdagen voor het volk, dan zou het antwoord waarschijnlijk niet geweest zijn: van de kant van het huis van Levi. Immers, zoals iedereen wist, lag er een oordeel over het nageslacht van Levi. Toen de aartsvader Jacob aan het eind van zijn leven in profetische perspectief sprak over de levensgang van ieder van zijn kinderen, had hij ten aanzien van Levi terug moeten denken aan het kwaad dat deze gesticht had met zijn wraak over de inwoners van het stadje waar Sichem woonde (Gen. 34: 25-29). Toen was Levi een onheilige oorlog gaan voeren en mede daardoor had Jacob geen gunstige uitspraak over Levi kunnen doen, integendeel: Jacob had gezegd: Ik zal hen verdelen onder Jacob en verstrooien onder Israël (Gen. 49: 7), aldus aangevend dat Levi's nageslacht geen eigen, zelfstandige plaats in het volksgeheel zou innemen.
Gods ontferming
Dit oordeel zal aan de Israëlieten bekend geweest zijn. En op grond daarvan zal niemand hulp verwacht hebben in de ellende van de kant van de stam Levi. En als er dan met een zekere nadruk gesproken wordt in Ex. 2 over een man uit de stam Levi, die huwt met een levitische vrouw, dan zit daar toch wel de gedachte achter: naar menselijke berekening en overweging zal uit dit geslacht geen redder en redding voor Israël kunnen komen.
Maar menselijke berekening redeneert anders dan God te werk gaat naar Zijn verbond. Hij ontfermt zich over wie Hij zich wil ontfermen.
Hij kiest in zijn ontferming een paar eenvoudige mensen uit, die weliswaar behoren tot een stam waarop het goddelijk oordeel rust, maar die in geloof (Hebr. 11 : 23) de weg gaan die God hen wees.
Ze geloven dat dat mooie kindje, dat ze van God gekregen hebben, met God in verband stond en daarom durven ze, hoe onzeker en angstig de toekomst er ook uit ziet, het risico te nemen om tegen het bevel van de koning in te gaan.
En daarin worden ze door God gezegend: zij mogen de ouders worden van de man die geroepen wordt om als redder van het verdrukte volk op te treden en in geloof - en dat zal met de nodige worsteling gepaard gegaan zijn zijn ze die weg gegaan, gedragen door Gods ontferming. En daarin zijn ze tot een zegen geworden voor het gehele volk, deze man en vrouw uit het huis van Levi.