Doop en kinderzegen naast elkaar doet het goud van de kinderdoop verbleken
2008-12-19
In de afgelopen nummers van Opbouw pleitte ds. Jan Mudde – met handhaving van het gereformeerd belijden inzake de kinderdoop – voor ruimte voor het zegenen ('opdragen') van kinderen, waarvan de ouders bezwaar hebben tegen de kinderdoop.- Jaargang 52
- nummer 25
Opbouw vroeg aan twee predikanten om op de artikelen van Mudde te reageren. In het vorige nummer stond de bijdrage van ds. P.H. van der Laan (GKv), in dit nummer plaatsen we het commentaar van ds. C.T. de Groot (NGK) met aansluitend reacties van Opbouwlezers K. Rus en J.K. de Groot.
Collega ds. Jan Mudde constateert zowel in zijn eigen gemeente als in het geheel van onze Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) dat zij steeds meer evangelische trekken krijgt. Deze ontwikkeling stelt telkens nieuwe vragen en geeft nieuwe impulsen. Mijn eigen waarnemingen zijn niet anders. Evenals collega Mudde ervaar ik de inbreng vanuit ‘de evangelische traditie’ vaak als verrijkend. In zijn artikelenreeks stelt hij de vraag aan de orde, hoe om te gaan met gemeenteleden die, na gedegen onderwijs over het goed Bijbels recht van de kinderdoop, hun kind toch niet willen laten dopen. Zijn antwoord ‘Geef ruimte voor een ceremonieel waarin zicht- en tastbaar wordt dat ook zij onder Christus’ zegen mogen leven en zijn gemeente toebehoren’, maak ik niet mee. Omdat de collegae Van der Laan en Winter/Van Dijk in Opbouw nummer 24 al uitvoerig zijn ingegaan op Marc.10:16 en hun opmerkingen mijn instemming hebben, laat ik die passages uit de Bijbel in mijn betoog buiten beschouwing.
Behoren gedoopt te wezen
Mudde zet op heldere wijze ‘de hele goede Bijbelse papieren’ van de kinderdoop uiteen en onderschrijft daarom zelf van harte de kinderdoop. Onze kinderen worden geboren in het verbond en als teken en zegel van dat verbond ontvangen zij de doop. Ook wijst hij op de uitspraken in onze belijdenisgeschriften en het klassieke doopformulier dat onze kinderen, op grond van het feit dat ze al door hun geboorte uit gelovige ouders tot het verbond behoren, gedoopt moeten worden. In zijn eigen hertaling: ‘Omdat het (kind) bij Christus en zijn gemeente behoort, dopen we het’. Desondanks wil Mudde ruimte bieden aan een ritueel waarbij om een zegen voor het kindje kan worden gebeden en de ouders in de gemeente kunnen laten horen hun kind een christelijke opvoeding te willen geven. Wie geen ruimte laat voor deze mogelijkheid, gaat volgens Mudde te gemakkelijk voorbij aan het zoeken naar en het beleven van de eenheid in Christus, denkt te veel vanuit een hokjesgeest, brengt te weinig de pijn in rekening die verschil van opvatting oplevert. Laat ik voorop stellen dat verschil van inzicht met mensen die evenals jij ‘levende stenen zijn met wie op het fundament Jezus Christus gebouwd wordt’, altijd pijnlijk ongemakkelijk voelt. Maar mensen, die lid zijn van een gereformeerde kerk, weten dat de wortels van die kerk in de Reformatie liggen en dat haar belijdenis ook juist in die periode van de kerkgeschiedenis tot stand is gekomen.
Men had toen zowel te strijden tegen het front van de Roomse Kerk van die dagen als tegen het fanatisme van grote groepen wederdopers. Met het oog op beide groepen moest de onvrijheid van de wil om voor God te kiezen worden beklemtoond. Die keuze is geen coöperatie tussen God en mens (Rome) en al helemaal niet de keuze van de mens zelf (wederdopers). Tegenover de laatste groep werd dan ook duidelijk gemaakt dat het in de doop niet gaat om jouw keuze voor God, maar om Gods keuze voor jou. Zo was het ook met de besnijdenis in het oude verbond. God is niet van stijl veranderd. De doop is de vervulling van de besnijdenis, of zoals Paulus zegt ‘de christelijke besnijdenis’ (Colossenzen 2:12).
Tegenover de kerk van Rome werd betoogd: via de doop deelt een kind niet automatisch in het heil, het gaat in de doop om het belovend spreken van God. Van eeuwig heil is pas sprake, als op Gods Woord door toedoen van de Geest wordt geantwoord. Op het punt van de doop is sindsdien discussie gebleven, ook in de gereformeerde kerken. Het is een goed gereformeerd principe dat de kerk zich blijft reformeren. Onze kerkelijke bedding is de reformatie van 1944.
Juist in de Vrijmaking speelde de reële betekenis van de doop een hele grote rol (zie ‘de Acte van Vrijmaking of Wederkeer’ II A).
Twee rituelen
Wie lid is van een gereformeerde kerk en deze dingen niet verstaat en een kind niet ten doop wil houden, plaatst zichzelf in een moeilijke positie.
Mudde kwam op het spoor hoe al in de 17e eeuw in de gereformeerde kerken van ons land er ruimte was voor mensen met een afwijkende doopvisie. Mensen een plek gunnen is echter wat anders dan hun afwijkende mening ook faciliteren met nieuwe rituelen. De Here Jezus zelf heeft ons maar twee rituelen opgedragen: doop en avondmaal.
Een sobere score, maar genoeg om ons ‘de beloften van het evangelie des te beter te doen verstaan’ (zondag 25 H.C.). Wie iets nieuws bedenkt, hoe nobel dat streven in zichzelf ook kan zijn, ondergraaft daarmee het belang en de betekenis van de door onze Heer zelf gegeven ceremoniën. Het gaat niet om een keuzemenu: kinderdoop of kinderzegen.
Wanneer we ervan overtuigd zijn dat onze kinderen behoren gedoopt te wezen, is dat de aangewezen weg. Wie die overtuiging niet is toegedaan, doet zijn/haar eigen kind tekort. Want bij het opdragen gaat het om een vraag van de mens aan God: ‘Wil voor dit kindje zorgen, HEER. Laat het door Uw Geest tot persoonlijk geloof komen’. In de doop gaat om wat God aan de mens aanbiedt. Een apart ritueel als reactie op de weg die God zelf gekozen heeft om ons Zijn heil aan te zeggen, is op zijn zachtst gezegd vreemd. Doop en kinderzegen naast elkaar laten bestaan schept verwarring en doet het goud van de kinderdoop verbleken. Het ruimte geven aan een kinderzegen naast de kinderdoop doet per definitie afbreuk aan de belijdenis dat alleen de kinderdoop recht doet aan Gods stijl van handelen in oud en nieuw verbond.
Zichtbaar teken
In zijn betoog citeert Mudde bij herhaling onze belijdenisgeschriften.
Echter, juist bij één van de twee argumenten die voor hem doorslaggevend zijn bij zijn keuze ruimte te bieden aan de kinderzegen ontbreekt een wezenlijke notie uit de belijdenis. Volgens Mudde dopen we onze kinderen in het midden van de gemeente zodat de gemeente weet: dit kind is ‘ons’ kindje en iedereen kan horen hoe de ouders beloven hun kind een christelijke opvoeding te geven. Maar is dit nu werkelijk de reden dat we onze kinderen niet, zoals in de kerk van Rome te doen gebruikelijk was en is, in een doopkapel te midden van familie en vrienden dopen? De doop is een sacrament, een zichtbaar (!) teken en zegel dat ons de belofte van het Evangelie des te beter doen wil verstaan (zondag 25 H.C.). De doop wordt in het midden van de gemeente bediend, zodat iedereen ook weer aan het goud van zijn of haar eigen doop wordt herinnerd en er bij bepaald wordt dat aan jouw keuze voor God Zijn keuze voor jou vooraf is gegaan en gaat. Het water van de doop communiceert meer dan de zegenende hand!
Kerkverband
Hoewel Mudde er in zijn artikel niet over spreekt, lijkt me ook de rol die het kerkverband speelt bij het zoeken naar nieuwe rituelen van groot belang. Uit verslagen van regiovergaderingen van het ressort waartoe de kerk van Haarlem behoort, is te lezen dat de kerk van Haarlem de regio in kennis heeft gesteld van haar reeds bestaande praktijk ruimte te bieden aan de kinderzegen. Bij de regiokerken vond de kerk van Haarlem zowel begrip voor de gemaakte afwegingen als teleurstelling. De regiokerken hebben het gesprek hierover als goed en nuttig ervaren. Ik vind het te waarderen dat de kerk van Haarlem, komend vanuit de PKN, aan de regiokerken haar praktijk ter toetsing heeft voorgelegd en op grond van het gehoorde haar ritueel heeft bijgesteld. Tijdens één van de komende regiovergaderingen zal dit gesprek, zo begreep ik, worden voortgezet.
Voor onze kerken lijkt me het goed als dit gesprek niet alleen in de betreffende regio wordt gevoerd, maar dat het ook op de agenda van de Landelijke Vergadering wordt gezet. Goed, in de preambule van ons AKS beloven we als kerken elkaar geen ‘tirannieke eenheidsdwang’ op te leggen, maar elkaar ‘de vrijheid van Christus’ te gunnen. Tegelijk begeren we echter als kerken ‘als één in Christus naar buiten te treden’. Ook beloven we elkaar ‘bij te staan in de strijd voor de Naam en de eer van de HERE’. Met andere woorden, we hebben elkaar heel erg hard nodig. Zeker ook als het gaat om antwoorden te formuleren op nieuwe vragen die ontwikkelingen in kerk en samenleving ons stellen. In de preambule presenteren we ons bovendien als kerken die instemmen met de reformatorische belijdenisgeschriften. De belijdenis van de kinderdoop als een Schriftuurlijke praktijk is niet een te verwaarlozen onderdeel van onze confessie. We hebben dan toch ook de verplichting tegenover elkaar ons daaraan te houden, tenzij we op goede Bijbelse gronden tot andere inzichten zijn gekomen. Van die goede Bijbelse gronden heeft collega Jan Mudde mij nog niet kunnen overtuigen.
Ds. Kees de Groot is predikant van de NGK Zeewolde
| Naast de twee gevraagde reacties op de artikelenserie van ds. Mudde ontving de redactie ook enkele spontane reacties van de lezers. Daarvan plaatsen we in dit nummer onderstaande reacties. |