De invloed van het Calvinisme op de Noord-Nederlandse landschapschilderkunst 1570-1630

1983-07-15
  • Jaargang 27
  • nummer 28
In een tijd waarin velen uit de gereformeerde wereld zich niet al tegraag het predicaat Calvinist laten aanleunen vanwege het gebruik als bijvoeglijk naamwoord met de betekenis: eng, kil, bekrompen en streng - in zo'n tijd getuigt het van enig lef met de stelling aan te komen dat dit zelfde Calvinisme een drijvende kracht is geweest achter de ontwikkeling van de schilderkunst in onze Gouden Eeuw, en met name op de wordingsgeschiedenis van het landschapschilderen.
'Marc de Klijn verdedigt deze stelling met enthousiasme en na een behoorlijke bronnenstudie getuige zijn literatuurlijst…Voor wie hem kennen is het ook niet zo verwonderlijk dat hij nu juist dit thema oppakt. Het sluit aan bij het werk van zijn leermeester Prof. dr H. R. Rookmaaker die met de relatie Reformatie-kunst veel, heeft geworsteld. Met laatstgenoemde heeft Marc de Klijn het voordeel van 'buiten af' de gereformeerde wereld binnen te zijn' gekomen. Voor Rookmaaker heeft dit als gevolg gehad een veelal frisse en onbevangen kijk op zowel de bestofte en halfvergeten schatten uit de gereformeerde traditie als mede haar 'eigenaardigheden' .....

Het boekje waar ik het in dit artikel met U over wil hebben munt uit door bondigheid en door een veelheid van problemen die worden aangeroerd met betrekking tot de rol van het Calvinisme. Het zet de lezer op zijn minst aan bet denkien over de betekenis van dit begrip zowel in de geschiedenis als in het heden. Stof tot discussie, tot overdenking en tot kritiek en dat alles voor acht en halve piek in deze tijd lijkt niet te veel: Maar nu eerst maar eens een 'appetizer', een soort voorproefje en dan nog eens een reactie in een volgende keer misschien.
De schrijver noemt drie motieven die hem ertoe gebracht hebben met deze problematiek bezig te zijn.
Ten eerste de overheersende opvatting onder historici dat het Calvinisme 'op de beeldende kunsten in de Gouden Eeuw van weinig invloed is geweest. Hij voert onder meer hier de grote Huizinga als getuige voor aan: "De schilderkunst der (Gouden) eeuw dankt aan het protestantse geloof niet al' te veel, .en aan het Calvinisme in het bijzonder nog minder." p. 9.
Ben tweede motief lag voor hem in de, pogingen in het verleden gedaan om verbanden te leggen tussen, religie en cultuur enerzijds en de beeldende kunst anderzijds. In dit verband noemt hij ook Prof. dr H. R. Rookmaaker en diens visie op 'de schilder Jan van Goyen in relatie tot de Reformatie. En tenslotte vond hij een stimulans in het boek 'Metabletica' van dr. J. H. van den Berg en het hiermee verwante boek van' Ton Lemaire 'Filosofie van het landschap', Deze laatste moet zeker veel hebben bijgedragen tot de gedachtevorming van de schrijver, getuige, de volgende twee citaten: "Het boeiende is nu dat de landschapschilderkunst voor Lemaire 'de zelfrechtvaardiging is van een cultuur, en dat de fundamentele richting of 'geest' van een cultuur zich tegelijkertijd het beste laat aflezen uit haar wereldbeschouwing, met name voor zover die in .haar religie vervat is." p. 14.
"Het is dit hollandse landschap van de 17e eeuw waarin volgens Lemaire de merkwaardige combinatie van zelfvertrouwen en afhankelijkheidsgevoel tot uiting komt, en die missomen het geheim is van het' protestantisme." p.15.
Wat moeten we onder het Calvinisme verstaan? Aan deze. Woog gaat Marc de Klijn met voorbij en stelt haar al op de' eerste bladzijde om er later uitvoeriger op terug te komen. Hij kiest voor een omschrijving van het. Calvinisme als dat "van een geesteshouding die het menselijk leven in al zijn aspecten raakt en omspant, en we bij het gezag. van de Schrift dé relatie tussen God en mens primair stelt." p. 7 Historisch gezien houdt hij de lezer voor dat, waar hij over het Calvinisme spreekt, hij het zal hebben over de vroegste periode van haar ontstaan dat van de zestiende eeuw.
Van meet af aan is hij zich bewust aan een hachelijke taak te zijn begonnen aangezien er velerlei invloeden in die tijd werkzaam waren.
"Hoe zal iemand er in slagen om dit fijnmazig net van over en weer kruisende lijnen te ontratelen en werkelijk zicht op de kern van de Ingrijpende omwentelingen in deze periode te krijgen?"
P. 8. Waarom hij er toch aan is begonnen heb ik U reeds duidelijk gemaakt en zo zijn we dan bij het eerste deel aangeland.

De ontdekking van het landschap
Deze ontdekking laat de schrijver voorafgaan door een korte beschouwing over het ontstaan van de nieuwe emperische wetenschap, waarvan Francis Bacon een belangrijk vertegenwoordiger was.
"De waarneming der verschijnselen en het experiment werden de grondslag van een nieuwe natuurwetenschap, die tot doel had de lasten en het lijden der mensheid te verminderen en te verlichten." p. 19. Eigen waarneming, eigen onderzoek zonder al te veel vast te zitten aan traditionele kaders, ziedaar het kenmerk van de nieuwe benadering van de wetenschap, in navolging van het eigen onderzoek der Heilige Schrift' en nauw samenhangen met het belang wat de eigen waarneming in de schilderkunst ging betekenen. Wetenschap en kunst bevrijd uit de dwingelandij der Kerk maar allerminst zonder normen. Voor de zeventiende eeuwse wetenschapper was die vrijheid geen autonoom gegeven, het vrij zijn van 'wem ook opgevat als een vrij zijn tot de dienst aan God en de naaste.
"Om het koninkrijk van de Mens binnen te gaan,' dat op de natuurwetenschap was gegrondvest, moest men aan dezelfde voorwaarden voldoen als welke gesteld waren voor het Koninkrijk der Hemelen: als kinderen worden ten aanzien van de natuur, ontvankelijk, openstaand voor wat zij te zeggen heeft. De dingen zelf moesten weer gaan spreken." p, 19.
Het ontstaan van de landschapsschilderkunst als apart genre vindt mede haar oormak in de ontwikkeling van de perspectiefleer.
Sinds de Renaissance is dit een middel voor de schilder om zijn eigen letterlijke positie als 'kijkpunt' te nemen. Zo ook met het beeld van een landschap 'wat nauw aansluit bij de idee van een vergezicht, een beeld wat in één oogopslag, vanuit één vertrekpunt te overzien is. Nadat de ontstaansgeschiedenis is behandeld komt de vraag naar het waarom naar voren.
Daarom kreeg het landschap een zo'n centrale plaats in de schilderkunst, na eeuwen als een soort decor te hebben gefunctioneerd?
'Marc de Klijn noemt hier dan ondermeer de veranderende opvattingen van die tijd op onderwijsgebied… Ook hier kreeg de zintuiglijke waarneming grotere aandacht, onder meer tot uiting komend in de tekenlessen welke de gegoede burgers hun kinderen lieten geven,' om hen zodoende het waarnemen aan te leren.
In het rijksmuseum was hier onlangs een goed voorbeeld van te zien, tijdens de tentoonstelling van , schetsen en tekeningen van Constamijn Huygens, welke hij op zijn dienstreizen gemaakt had.
Ben ander element wat zeker een rol speelde in de nieuwe waardering voor het landschap, juist in de Nederlanden, was de strijd om de eigen nationaliteit. De hiermee gepaard gaande vaderlandsliefde kwam onder meer tot uiting in een veranderde visie op het landschap en op hef bodembeheer. Vader Cats wordt hier als voorbeeld gebruikt van die veranderde mentaliteit.
Uit zijn werk spreekt een waardering het land, niet zo zeer vanwege enige, romantische gevoelens van zijn kant, maar meer vanwege de zege in de tastbare vorm van vette klei, vette koeien en vette melk Ais laatste element in de nieuwe beleving van het landschap noemt de schrijver de religieuze opleving in de Nederlanden tijdens de tachtigjarige oorlog, waarbij onze landgenoten, van toen zich sterk vereenzelvigden met Israëls strijd om het beloofde land. Deze religieuze beleving was niet van een stel"k meditatieve aard, zij ontvluchtte de werkelijkheid niet, maar gaf juist aan de beleving van die werkelijkheid de extra dimensie van het geloof: ‘wij hebben het uit Zijn hand omvangen'.
En zo luidt de conclusie van het eerste deel dat de calvinistische levensvisie geen afbreuk heeft gedaan aan de nieuwe' richting waarin de schilderkunst zich bewoog maar integendeel door zeer wel bij aansloot.
In het tweede deel gaat Marc de Klijn uitvoerig in op de strekking en de betekenis van het Calvinisme.
Tevens gaat hij in op dl; vraag waarom het Calvinisme, nu juist zo'n grote invloed heeft kunnen krijgen in de Nederlanden. Voor zijn argumenten verwijs ik U naar zijn boek, vragen doet het zeker opwellen maar door hoop ik in een apart artikel op terug te komen.
Met veile voorbeelden laat hij zien dat de mannen van het eerste uur in de tachtigjarige oorlog, op het terrein van wetenschap de kunst van de gereformeerde gezindte waren.
"Daarom is het niet waar dat het Calvinisme als een vreemd element van buitenaf en met geweld is opgelegd, maar werd eerder als een laatste redmiddel beschouwd om zich van het 'Spaanse juk te ontdoen, en door met weinigen dankbaar aanvaard of enthousiast begroet.' p. 36.

Calvijn en de kunst
Anders dan in onze dagen was de kunst ten tijde van Calvijn nog niet zo'n apart gebied in de samenleving met zeer speciale normen en waarden. De invloed van de Middeleeuwen doet zich hier nog lang gelden, toen de beeldende kunsten nog onder de ambachten werden gerekend. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat Calvijn zich niet met 'de kunst' bezig heeft gehouden, maar losse opmerkingen door zijn werk heen geven ons wel een bepaald idee, Ook op dit gebied probeert Calvijn vast te houden aan zijn totaal concept; de mens die met zijn hele leven voor God staat en in Jezus Christus op alle terreinen werkzaam kan zijn tot meerdere glorie van God.
Volgens Marc de Klijn is Calvijn bepaald geen cultuur-mijder geweest, kende daarentegen juist aan elk aspect van de menselijke cultuurarbeid een eigen plaats toe.
Voor de kunst betekent dit onder meer dat zij zich niet bezig moet houden om hulpmiddelen te scheppen voor de onderwijzing van de religie of ter opluistering van de eredienst, Zo was hij van mening dat de eredienst niet moest worden begeleid door een orgel of andere muziekinstrumenten,het geloof is immers uit het gehoor zo zegt' de Schrift en van deze tekst uitgaande heeft: " ... de Reformatie de Woordverkondiging dan ook centraal gesteld." p. 45.
De aanvankelijk als negatief opgevatte houding van het calvinisme tegenover de kunst in de kerk heeft juist de kunst bevrijd van het juk de kerk.
"Het gevolg van dit buitensluiten van Bijbelse taferelen en van saorale en liturgische kunst st was immers dat het zichtbare, zo men wil het 'profane' tot bloei kwam, niet in het minst dankzij de legidmatie, die deze ontsluiting met name van Calvijn had mogen ontvangen." p.48.

Calvinisten en de kunst
In het laatste deel neemt de schrijver twee belangrijke voorlopers: van de zeventiende eeuwse landschapschilders onder de loupe: Gullis van Coninxloo, oorspronkelijk uit Antwerpen en Esaias van de Velde. Hij geeft aan op welke wijze wij een verband kunnen leggen' tussen beider calvinistische overtuiging en hun werk als schilders.
Het geeft een zeer overtuigende stellingname te zien waarin hij niet schroomt om het oneens te zijn met een gerenomeerde kunsthistoricus als Gombrich. Deze ziet de landschapsschilderkunst vooral ontstaan onder invloed van de Renaissance.
Nee, zegt Marc de Klijn, dat geldt zeker niet voor de Nederlanden.
De vrijheid die de Reformatie heeft gebracht om eigen onderzoek te doen' in de bijbel heeft zich ook gemanifesteerd in de wetenschap en de kunst. Maar deze vrijheid bleef voor de Calvinist een genormeerde vrijheid, ook als hij zich als schilder liet, leiden door zijn eigen zintuiglijke ervaring van de werkelijkheid.
Want hoe 'echt' was die verbeelde werkelijkheid. Het valt op dat, ondanks de vele aktiviteiten welke de mens ontplooit binnen het geschilderde landschap, de totaalindruk vaak zeer harmonisch is. Dat is geen toeval maar onbewuste opzet. Om in een schilderij] harmonie te leggen moet je in die harmonie geloven, aangezien zij uit de direkte ervaring lang niet altijd spreekt. Want wat dat betreft was de menselijke samenleving toen met anders dan nu, er werd gevloekt en geschreeuwd, negerslaven samengeperst, ruzies gemaakt. Om door alle menselijke falen heen in een landschap een beeld van rust en vrede te leggen daarvoor moet men een geloof hebben wat weet heeft van de reiniging, van de geschonden werkelijkheid door het bloed van het: Lam. Zo'n schilderij laat ons iets zien van het onzienlijke.

Opwekking
U heeft misschien wel gemerkt dat ik me onthouden heb van kritiek of commentaar. Wel heb ik soms wat vrij de mening van de schrijver weergegeven; de bedoeling is echter dat geïnteresseerde lezers zich zelf van de inhoud voor dit boekje op hoogte stellen. Ik geef U daar wat tijd voor en dan hoop ik dat de redaktie mijn volgend artikel wil opnemen, wat meer ingaat op de problematiek welke in dit boek aan de orde komt.
Want het Calvinisme wordt hier volop in de schijnwerpers gezet en krijgt een voorname rol toebedeeld in de ontstaansgeschiedenis van onze natie en met name op de ontwikkeling van onze schilderkunst.
Mijn vermoeden is dat de schrijver hier ook een les voor ons in ziet liggen.' Welnu dan heb ik nog wel enige vragen, zowel over het boekje in het algemeen, als over de betekenis van het Calvinisme in die tijd en anno 1983.
Bestond er inderdaad toen een soort levensbeschouwing die je met die naamkan aanduiden? Is het in deze geatomiseerde werkelijkheid inderdaad een hulpmiddel om het genus Christen nader te onderscheiden?
Of is het een typisch zestiger jaren idealisme wat ons leert dat dergelijke onderscheidingen toch niet nodig zijn? Nu zo zijn er nog wel een paai: vragen die ik met U zou kunnen bespreken.
Als meester zeg je dan tegen je klas dat ze eerst maar eens de stof moeten doornemen voordat er kritiek kan worden gespuid. Ik nodig U dan ook uit dit boek te kopen (f 8,50), te lezen en over een tijdje stel ik mijn vragen.
Het is te bestellen bij Buijten en Schipperheijn of via de boekhandel.
Wij spreken elkaar dus hopelijk over deze zaak nog 'nader.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief