Had ik dat maar geweten (VI)

1982-01-08
  • Jaargang 26
  • nummer 1
"Ja", zei hij, "je hebt gelijk, jij bent mijn geweten, maar jij bent ook nog jong, ik wil wel eens zien of jij in staat bent ongeschonden door de wereld te komen".

(Maarten 't Hart: De zaterdags vliegers)

Waarom (niet?)
Hoe ontwikkelt zich het geweten van een kind? We kennen de situatie waarin een kind iets doet omdat het hem of haar nooit verboden is, omdat Marjan niet aan de planten mag komen, en ze laat het (na enkele waarschuwingen) na omdat haar ouders boos worden, omdat er straf op volgt, of gewoon omdat het niet mag. Uiteindelijk doet het kind iets, of laat het iets na, ongeacht of de ouders (of andere opvoeders) hun goedkeuring of afkeuring aan dit gedrag hebben gehecht.
Hoe groeit bij een kind dit vermogen tot zelfstandige besluitvorming? We zullen een aantal theorieën op dit punt vergelijken.

Is het geweten erfelijk bepaald?
Sinds de mens aan theorievorming over opvoeding is gaan doen doemt er in iedere discussie een tegenstelling op: aanleg of milieu? Kan iemand goed rekenen, omdat zijn vader daar ook een kei in was, of heeft hij dat vak onder de knie doordat het van huis uit werd gestimuleerd? Deze discussie zien we ook op het terrein van de gewetensvorming.
Wordt het geweten door erfelijke factoren gevormd, of bepaalt de opvoeding uiteindelijk het geweten van onze kinderen. In het vijfde deel van deze serie werd er al op gewezen dat de mens van God de mogelijkheid heeft gekregen om gewetensvol te handelen. De mens kan afstand nemen van zijn daden. kan zich er ook rekenschap van geven (zie Romeinen 2). Deze mogelijkheid heeft de mens dus in zich: het besef van goed en kwaad is een erfelijk gegeven.
De gedachte echter, dat het geweten van de mens (de gewetensinhoud, de manier waarop er vorm aan wordt gegeven) erfelijk zou zijn bepaald.
valt in het geheel niet te bewijzen. Deze visie zou in moeten houden dat geweten en opvoeding totaal niets met elkaar te maken hebben. Langeveld noemt dit een "pedagogisch onaanvaardbare mensbeschouwing" 1). In de discussie over erfelijke factoren en omgevingscondities worden regelmatig eeneiige (identieke) tweelingen vergeleken. Erfelijk, biologisch gezien, zijn deze twee personen aan elkaar gelijk; de meester op school heeft dan ook de grootste moeite om de beide zusjes uit elkaar te halen. Maar, zegt Langeveld, hebben ze dan óók hetzelfde geweten? De kleur van de ogen, de lengte, de haardracht: in al die opzichten lijken de twee meisjes sprekend op elkaar, maar "de persoonlijke
verantwoordelijkheid, het ethische persoon-zijn, doet zich niet in doubletten voor. Ook deze identieke tweelingen hebben twee gewetens, en niet één" (blz. 63).

Rousseau: mens van nature goed
We kunnen dus zeggen dat het vermogen van de mens om onderscheid te maken tussen goed en kwaad bij het mens-zijn hoort. Als zodanig is het een erfelijk gegeven. De wijze waarop aan het geweten vorm wordt gegeven is van andere factoren afhankelijk.
Het bovenstaande wil niet zeggen dat ik het eens ben met de opvattingen van Rousseau. Deze franse filosoof uit de l8e eeuw was van mening dat het kind van nature goed is. Zijn ingebouwde geweten gaf het kind 'als vanzelf' de opdracht om het goede te doen en het verkeerde na te laten. Daarom moest het kind in een natuurlijke omgeving opgroeien, zonder actief ingrijpen van de opvoeder.
Tegenover deze gedachte van Rousseau stellen wij (afgezien van het feit dat de mens bij voortduring de neiging heeft om te zondigen) dat alleen het vermogen tot onderscheid is aangeboren. De aanwezigheid van een typemachine op mijn bureau wil ook niet zeggen dat er vanzelf letters op het papier verschijnen. De tekst komt (voor de typemachine) van buiten af.

Belonen en straffen
Lijnrecht tegenover de opvattingen van Rousseau staat de zgn. leertheorie.
Volgens de onderzoekers van het geweten die denken vanuit deze theoretische basis, wordt de mens zonder enige gerichtheid geboren. De baby is volkomen blanco, en kan dus alle kanten uit. In welke richting het kinderlijke geweten zich uiteindelijk ontwikkelt is afhankelijk van de opvoeding.
Het principe van deze theorie is eenvoudig. In de loop der tijd merkt het kind dat het wordt gestraft voor ongewenst gedrag en wordt beloond voor gedrag dat ouders of anderen goedkeuren. Op den duur kent het dus een hele serie regels. Aan die regels houdt het kind zich zoveel mogelijk omdat er anders minder plezierige consequenties kunnen volgen.
Die regels samen vormen, aldus de leertheorie, het geweten. "De bron van het geweten is dus weinig nobel. Het is louter eigenbelang waardoor een kind wordt gedreven als het onderscheid maakt tussen goed en kwaad" 2).

Het voorbeeld geven
Theorieën wijzigen zich, en ook de leertheorie wordt niet altijd zo stringent toegepast als men aanvankelijk wilde doen geloven. Het leven is immers sterker dan de leer. Nieuwe elementen werden toegevoegd, en een ervan is de voorbeeldfunctie van de opvoeders. Kinderen nemen gemakkelijk gedrag over van mensen met wie ze veel optrekken. Het gaat daarbij om het voordeden. Als een kind merkt dat zijn ouders weliswaar met de mond belijden dat men veel voor zijn naaste over moet hebben, maar er in de praktijk niets van waar maken zal een kind aan de normen van zijn ouders gaan twijfelen. Een kind dat ervaart dat zijn ouders het echt menen wat ze zeggen (woord en daad) zal de opvattingen van zijn ouders veel gemakkelijker overnemen. We spreken in dit verband van identificatie: niet alleen nadoen (= imitatie), maar ook het overnemen van morele waarden die achter dit gedrag liggen. Deze identificatie is van essentieel belang bij de gewetensontwikkeling van het kind (hierover volgt later meer).

Aanvaardbaar?
Er kunnen een aantal principiële bezwaren worden aangevoerd tegen bovenstaande opvattingen met betrekking tot de gewetensontwikkeling van kinderen. Bezwaren die in wezen zijn terug te voeren op de filosofie die achter deze theorie zit, of in ieder geval: kan zitten.
Zoals in vorige gedeelten al werd geschreven, gaan we er niet vanuit dat de mens "blanko" wordt geboren. De geneigdheid tot zonde zit hem "ingebakken" . Wél kunnen we achter het idee staan dat de opvoeding een belangrijke rol meespeelt bij de gewetensvorming van het kind. Het kind leert echter niet alleen en zeker niet alles, via beloningen en straffen. Het is dan ook geheel terecht dat binnen de theorie andere elementen werden ingevoerd, zoals het voorbeeld geven. Hebben niet veel mensen de kerk verlaten omdat er bij kerkmensen een tegenstelling bestond tussen woorden en daden?
We zeiden het al: het vermijden van onlustgevoelens en het zoeken van plezierige ervaringen kunnen niet alle menselijk gedrag verklaren. Er is méér waar de mens zich op richt, ook binnen de gewetensontwikkeling. Ondanks ernstige ontberingen komen mensen voor hun geloof uit.
Als Christenen weten we dat er een beloning is na dit leven, maar dat feit verklaart toch niet voldoende waarom iemand vasthoudt aan zijn principes. Niet de beloning, maar liefde voor God, maakt dat mensen blijven uitkomen voor hun geloof. Trouwens, ook b.v. de communisten in Hitler-Duitsland hielden vast aan hun principes. Ze wisten dat ze dat met de dood moesten bekopen, en ze geloofden niet in een leven na dit leven.

Zijn normen relatief?
Skinner, vooraanstaand leertheoreticus, heeft een heel maatschappijideaalbeeld gebaseerd op de leertheorie.
Als er maar goed beloond en gestraft wordt, belanden we vanzelf in een ideale samenleving. Met betere beloningssystemen en strafprincipes kweken we tevens gewetensvollere mensen..... Hoewel Skinner het vrijheidsprincipe hoog in zijn vaandel heeft geschreven, is het gevaar van een totalitair systeem niet denkbeeldig. De staat houdt belonings- en straf technieken strak in handen. Maar, wie bepaalt er eigenlijk wat goed en fout is? 3). Met die laatste vraag zitten we bij het grootste bezwaar van deze theorie.
Het lijkt volstrekt willekeurig wat een kind aanleert omtrent goed en kwaad. Dit is een vorm van moreel relativisme. De vraag naar de absolute norm wordt niet gesteld. Het geweten is autonoom, óf valt samen met sociaal gedrag. "In de gesloten kamer bestaat maar één waardensysteem.
Net als bij de ratten. Iedereen in die kamer is het eens met die waarden, en houdt 'de ander eraan" (Paul Goodman). Als Christenen weten we dat er wel absolute normen bestaan. Die normen gelden ongeacht de "kamer" waar we Ons in bevinden. Die normen vinden we in de Bijbel. Gewetensontwikkeling is dan ook geen willekeurige zaak.

Noten
1. M.J. Langeveld, Beknopte theoretische pedagogiek (Groningen, 1968).
2. R. Kohnstamm, Kleine ontwikkelingspsychologie (Deventer, 1981).
3. R. A. Liston, Kijk op mensen (Rotterdam, 1978).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief