Bijbels handboek

1983-06-10
  • Jaargang 27
  • nummer 23
Eind vorig jaar verscheen de eerste aflevering van het tweede deel van het Bijbels Handboek, waarvan het eerste deel enige maanden geleden in de kolommen van dit blad besproken is. Was het eerste deel geheel gewijd aan de beschrijving van de wereld waarin de Schrift, en met name het Oude Testament, is ontstaan, het tweede gaat in op de oudtestamentische geschriften zelf. De verschillende opstellen over de Bijbelboeken worden voorafgegaan door "een proeve" de politiek-religieuze geschiedenis van Israël tot de tijd van Alexander de Grote te schetsen.

De professoren M. J. Mulder en A. S. van der Woude tekenden voor dit gedeelte dat ruim een derde van het boek uitmaakt. Veel van de behandelde stof was al te vinden in het hoofdstuk gewijd aan de oud-oosterse geschiedenis in deel I, maar de schijnwerper valt nu geheel op het volk Israël, dat onder de wereldmachten van die dagen een ondergeschikte positie innam. Om die reden is dit geschiedkundig gedeelte zeker geen doublure van wat in het eerste deel geboden werd. Dr. H. A. Brongers behandelt vervolgens de literaire vormen die in het Oude Testament aan te treffen zijn. Kennisname van een dergelijke literair gerichte benadering kan behulpzaam zijn bij de lezing van het Oude Testament, waarin een grote rijkdom aan vormen voorhanden is. Wie daaraan voorbijgaat, loopt de kans de boodschap van
bepaalde teksten mis te verstaan. Enige gevoeligheid voor de toonzetting die bij de onderscheiden genres past, kan een steun zijn bij de uitleg.
Brongers' opstel kan daarbij helpen. Zonder veel opzienbarends te zeggen, vat hij de resultaten van het onderzoek op dit punt eenvoudig en helder samen. Vele bijbelgedeelten illustreren zijn beschrijving en geven daaraan kleur.

De eigenlijke behandeling van de bijbelboeken wordt gegeven in hoofdstuk 3, dat minder dan de helft van de geboden stof in haar geheel beslaat. Dr. C. Houtman bijt daarvan de spits af met een résumé van het pentateuchonderzoek van de afgelopen eeuwen.
De eerste vijf bijbelboeken hebben in de oudtestamentische wetenschap, vooral in de laatste twee eeuwen, onevenredig veel aandacht ontvangen. De oorzaak daarvan is gelegen in de twijfel rond hun auteurschap en tijd van ontstaan.
Is Mozes de schrijver zoals de (bijbelse) traditie leert? Al vroeg werd die gedachte bestreden, en in de historisch-kritische wetenschap kwam daarvoor in de plaats de zgn. bronnentheorie, waaraan vooral de naam van Wellhausen verbonden is. Laatstgenoemde verklaring wil in de stof vier lagen onderscheiden, stammend uit verschillende tijden en met uiteenlopende literaire en theologische accenten, die later door een bewerker zouden zijn samengevoegd.
Houtman bespreekt deze opvattingen en hun variaties, waarbij hij de nodige kritische kanttekeningen niet schuwt. Zijn eigen slotsom luidt dat de kern van de wetgeving ' op de historische figuur van Mozes teruggaat, in de loop der jaren verrijkt met nieuw materiaal. De historische boeken, te weten Jozua tot en met Nehemia, met uitzondering van Ruth, worden door wijlen Dr. H. H. Grosheide ingeleid.

De Apeldoornse oudtestamenticus Oosterhoff voert de lezer naar de profetische boeken (met uitzondering van Daniël, dat onder de zgn.
geschriften wordt behandeld). Dit opstel onderscheidt zich van de andere door steeds ook apart aandacht te vragen voor de "prediking"
van de boeken. Waar het de historische vragen betreft verschilt de aanpak van Oosterhoff niet wezenlijk van die van de andere medewerkers. In de huidige gestalte van het boek Jesaja rekent hij met herinterpretatie en actualisering (Jes. 13-14 pag. 369) en ziet hij de prediking van meerdere profeten verenigd ("In 56-66 treffen wij immers een veel te grote variatie in profetieën aan dan dat ze van één profeet afkomstig kunnen zijn" - pag. 372). Op andere punten is hij terughoudender. Van het boek Jona maakt hij melding van een viertal mogelijke karakteriseringen: allegorie, gelijkenis, historie of legende, zonder zelf een keuze te maken. Sauls kortstondige profetische begeesteringen, waarvan zowel I Sam 10 als - in een ander verband- I Sam 19 spreken, zijn voor hem twee onderscheiden gebeurtenissen en geen doublures.
Jammer vond ik dat bij de vraag naar de identiteit van de mysterieuze "Knecht des HEREN" in Jesaja, Kores (Cyrus) niet wordt genoemd (pp. 373 - 5). Past juist zijn gestalte niet bij het eerste knechtslied (Jes. 42)? Opvallend is dat met het tweede knechtslied (Jes. 49) Kores uit het gezichtsveld verdwijnt (vgl. Oosterhoffs opmerkingen - pag. 372). De tekening van de Knecht krijgt dan zulke dimensies dat zijn kleren veel te groot voor koning Kores worden.
Hoewel de knechtsliederen aanvankelijk wel bij zijn persoon konden aansluiten, stegen ze boven hem uit en werden tot beeld van Hem "die komen moest".

De R.K. Prof. van der Ploeg sluit dit boek af met een behandeling van de "geschriften" uit het Oude Testament. Daaronder vallen, naast de Psalmen en de wijsheidsliteratuur, ook Ruth, Esther en Daniël. Vergeleken met hun omvang en rijkdom ontvangen de boeken Psalmen, Spreuken en Job slechts een spaarzame aandacht.
Hier tekent zich een bezwaar af, dat ook voor veel andere gedeelten van dit handboek geldt. De aandacht wordt zo gefixeerd door de literaire en historische probleemgevallen, dat het luisteren naar de inhoud van de geschriften daarbij ver achter blijft. Wordt zo niet dezelfde fout gemaakt als door de leraar, die zich zo laat opeisen door die ene moeilijke leerling, dat de rest van de klas daaronder lijdt?

Met de laatste opmerking zeg ik al iets over het boek als geheel.
Daarover nog het volgende. Uit de bespreking van de verschillende onderdelen blijkt wel, dat het hier gaat om een leerboek, geen lees of kijkboek, zoals de illustraties kunnen suggereren. Van de "geïnteresseerde Bijbellezer", die de uitgever als eerste lezer van dit werk op het oog heeft, wordt zodoende het nodige doorzettingsvermogen verwacht. Of dat in voldoende mate zal worden opgebracht, valt te betwijfelen. Bovendien blijft het de vraag of de volhardende lezer nu echt loon naar werken ontvangt.
Men krijgt een goede indruk van de problemen die zich voordoen bij de inleidingsvragen naar de datum, de eenheid en het auteurschap van de boeken en bij de vergelijking van de bijbelse geschiedschrijving met de bevindingen van moderne historici. Dergelijke informatie leidt echter niet direct tot een beter verstaan van de Schrift. Het is toch opmerkelijk dat in een tijd waarin de bijbelwetenschap zo'n toevloed van gegevens te verwerken heeft gekregen, de uitleg van de bijbelse boodschap steeds aarzelender lijkt te worden. Daarmee wil ik geen pleidooi voeren voor een zalige onwetendheid of de staf breken over alle wetenschappelijke inspanning.
God wil ook uit heel ons verstand bemind worden. Maar als wij belijden dat in de Bijbel de HERE zich aan ons openbaart en tot ons spreekt, moeten wij onze oren liever spitsen voor wàt Hij ons te zeggen heeft, dan eerst willen weten hoe dat allemaal in zijn werk is gegaan. De studie van de vorm, en alle moeilijkheden die daarmee samenhangen, moet vervolgens het begrip van de inhoud verrijken. Waar die volgorde omgekeerd wordt, begint al snel de argwaan te overheersen. Nu zou ik de medewerkers van het Bijbels Handboek zeker niet voor sceptici willen uitmaken, daarvoor kennen we ze te goed uit andere geschriften.

Wie echter hun opstellen uit dit boek voor representatief zou houden, kreeg een armoedige indruk van de oudtestamentische wetenschap. Men lijkt te beducht de verkondiging met de wetenschappelijke studie samen te laten gaan. Toch vraagt juist het object van onderzoek, Gods openbaring, om een benadering waarin de aandacht voor literaire en historische vragen hand in hand gaat met een bijbelse theologie.
Hoe komt het dat die twee elkaar nu lijken te bijten? De reden daarvoor moet waarschijnlijk gezocht worden in de humanisering van de Schrift. De Bijbel wordt dan het produkt van begaafde schrijvers en dichters. Men mag dan nog hoog opgeven van haar kwaliteiten, maar ze verliest het gezag van Gods Woord. Liever dan van "openbaring" spreekt men dan van "geloofsgetuigenissen" (vgl. bijv. pag. 11). Ligt een dergelijke houding niet ten grondslag aan de opmerking, dat "wishful thinking" een huiselijke term voor het perfectum propheticum is? (pag. 184).

Als een profeet, door de Geest gedreven, de toekomst in de voltooide tijd beschrijft, is dat toch iets heel anders dan een uiting van zijn menselijke verlangens? De Psalmen worden tot twee keer toe de "Spiegel der religiositeit van de besten van Israël" genoemd (pp. 429, 431; citaat van N. Peters, door J. P. M. van der Ploeg met instemming aangehaald). Op die manier wordt de Bijbel het produkt van een geestelijke élite voor een geestelijke élite. Wie geen homo religiosus is of een literaire fijnproever, heeft er geen boodschap aan. Ik noem deze punten omdat ze een bepaalde mentaliteit verraden. Niet alle medewerkers geldt dit bezwaar. Desondanks is het goed er even bij stil te staan, omdat deze houding in theologische boeken met een wetenschappelijke signatuur regelmatig naar voren komt. Als de moderne bijbelwetenschap een brug wil slaan naar de gemeente, doet ze er goed aan zich op haar beurt te laten onderrichten door het geloof van de gemeente. Nu blijven het al te vaak specialisten die zich tot leken richten, in plaats van gelovigen die hun kennis met medegelovigen delen.

Tenslotte nog wat over de uitvoering van het boek. Het geheel is stevig ingebonden en op kwaliteitspapier gedrukt met een duidelijke letter. Helaas is de uitgever niet tegemoetgekomen aan de wens naar betere kaarten. Op pp. 30-31 wordt nogmaals kaart 111 uit deel I gegeven, waarbij het bezigen van de moderne en oude geografische namen naast elkaar nogal verwarrend is. Op pp. 32-33 wordt de naam Merenptah op twee wijzen gespeld. Nuttig zijn de chronologische tabellen op pp. 135-140.
Er zijn nogal wat foto's die ook gemist hadden kunnen worden, wat de prijs van het boek (f 82,50) ten goede zou zijn gekomen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief