Toetsing aan de maatstaven van Voetius

1983-06-10
  • Jaargang 27
  • nummer 23
"De kommissie voor kontakt en samenspreking met andere kerken"
verzocht mij onderstaand stuk van de hand van prof. dr W. van 't Spijker, geplaatst in het "Reformatorisch Dagblad" van woensdag 20 april 13e jrg. no. 17, over te nemen in deze rubriek van ons blad. Vanwege het belang van de zaak voldoe ik graag aan dit verzoek.
Het uitgebreide artikel bevat een nauwkeurige toetsing van het "Akkoord van kerkelijk samenleven van de Nederlands Gereformeerde Kerken" - Breukelen 1982.

Hier volgt het: Toetsing aan de maatstaven van Voetius

Akkoord kerkelijk samenleven van de Ned. Geref. Kerken
BREUKELEN - Een klein boekje van 31 bladzijden vormt de kerkorde van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Het is na een langdurig overleg binnen deze kerken tot stand gekomen. De kerkeraden hebben er hun oordeel over kunnen vormen, de regionale vergaderingen zijn ermee bezig geweest en tenslotte heeft de landelijke vergadering van Breukelen-1982 het vastgesteld en laten uitgeven.

Nu vormt de kerkorde in de trits die onder gereformeerden graag gebruikt wordt, die van Schrift, belijdenis en kerkorde, de laatste.
Men kan zeggen, dat het kerkelijke leven naar gereformeerde gedachte in principe berust op de Schrift, zoals deze in de belijdenisgeschriften gehoord is. Maar het is evengoed gereformeerde overtuiging en zelfs in de belijdenis uitgesproken, dat de orde van de kerk niet een onverschillige zaak is.
De geestelijke bestuurswijze, die de Heere ons zelf geleerd heeft, is in de Schrift te vinden. Daarom schuilt er reeds in de structurering van het kerkelijke leven een schriftuurlijk en ook een confessioneel element. Deze vormen dan ook de belangrijkste maatstaf waarnaar men een kerkorde heeft te beoordelen. Maar daarnaast zijn er ook nog andere maatstaven.

Voetius
Voetius heeft in zijn bekende werk over het kerkrecht een aantal vereisten opgesomd, waaraan een goede kerkorde moet voldoen.
Het zijn er in totaal zeven (Pol. Eccl. T. I, p. 255 ss.). Ze zijn kort samengevat de volgende: de bepalingen van de kerkorde moeten de gewetens niet rechtstreeks willen binden; zij mogen nimmer als altoosdurend of eeuwig worden voorgesteld; zij moeten geen zaken bevatten, die behoren tot allerlei particuliere gevallen; zij moeten handelen over zuiver kerkelijke zaken; zij moeten zo weinig mogelijk in getal zijn; ze dienen duidelijk en kort te wezen ze moeten niet al te streng worden opgelegd, zodat ze met goddelijke voorschriften worden gelijk gesteld.
Wanneer we het kleine boekje, dat de codes bevat van het kerkelijk leven der Nederlands Gereformeerden, met deze Voetiaanse maatstaven meten, kan er geen twijfel over bestaan, dat we hier te maken hebben met een kerkorde in gereformeerde zin. Men vindt nergens een spoor van gewetens bind ing. De kerkorde zelf is beslist niet als altoosdurend of eeuwiggeldend gedacht. Ook ontbreekt elke vorm van casuïstiek.
Het gaat erin om zuiver kerkelijke zaken.
Weinig in getal: ook daaraan voldoet deze kerkorde. De bepalingen zijn duidelijk en kort. En men mag met grond vermoeden, dat wat erin staat niet al te streng wordt opgelegd zodat gelijkstelling met goddelijke voorschriften te vrezen zou zijn. Voetius zou er plezier in gehad hebben, wanneer hij tenminste zijn eigen normen gerespecteerd heeft en er is geen reden om te twijfelen aan het laatste, gezien de grote zorgvuldigheid waarmee hij zich placht uit te drukken.

Eerste concept
Reeds in 1972 werd een eerste concept van het Akkoord van kerkelijke gemeenschap aangeboden.
Na tien jaren ligt nu de uiteindelijke versie voor ons. Eigenaardig, eigensoortig misschien is de naam die het boekje heeft ontvangen.
Men noemt het niet een kerkorde, maar een akkoord van kerkelijk samenleven. Waarschijnlijk heeft men wat moeite met het eerste begrip.
Een kerkorde is voor veel mensen, ook voor veel gereformeerde mensen, een vreemd boekje. De klank van het woord is voor menigeen negatief. En dit zal wel in bijzondere mate gelden voor de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Hun geschiedenis laat zich voor een deel beschrijven onder het thema: verzet tegen de kerkorde, of misschien beter gezegd: verzet tegen een verkeerde hantering van de kerkorde.
We zullen de naamsaanduiding wel tegen deze achtergrond moeten zien. Maar of men er gelukkig mee moet zijn? Reeds het eerste artikel van het akkoord verwijst naar het gegeven waarmee zo vele gereformeerde kerkordes inzetten: "In de gemeenten van Christus behoort alles in goede orde te gebeuren." Dit begrip orde is ontleend aan 1 Cor. 14, waar Paulus zegt, dat alles in de gemeente betamelijk en in goede orde dient te geschieden (vs. 40).
Achter dát woordgebruik ligt niet maar een neutrale opvatting in de zin van: pas toch op voor wanorde!
Dat kan men overal wel zeggen. Er moet nu eenmaal orde zijn. Maar op zo'n neutrale manier spreekt Paulus niet. Hij bedoelt, dat in de gemeente oog zal zijn voor de orde van de Geest.
Waar de Geest is, daar hanteert Hij zijn eigen orde.

Verzwaring
Een kerkorde dient men te lezen in het licht van het werk van de Heilige Geest. Instituut en Geest staan niet tegenover elkaar, kerkorde en Geest sluiten elkaar niet uit. Maar de Geest schept zijn eigen vormen en Hij hanteert zo hebben de gereformeerden het altijd gezien - ook zijn eigen orde.
Daarom hebben we in de hier gebruikte uitdrukking: Akkoord van kerkelijke gemeenschap, te maken met een verschraling. En tegelijkertijd dienen we het een verzwaring van het begrip te noemen.
Wanneer we in rekening brengen, dat de gereformeerde traditie óók spreekt van een kerkelijk akkoord en zij zag dit akkoord in de overeenstemming in de belijdenis, dan is het wel een wat geladen term. De harten stemmen, als het goed is, samen in de belijdenis, die gemeenschappelijk is aanvaard. Daarin accordeert men met elkaar. Daarom heeft men als teken van dit accorderen ook altijd de belijdenis ondertekend.
Het behoort tot de uitzonderingen in de gereformeerde traditie dat men de kerkorde ondertekent.
Men aanvaardt die en men leeft eruit en ernaar in de kerken.
Daarom kan men op het spraakgebruik van het woord "Akkoord" dunkt me, terecht bezwaar maken.

Woordentwist
Overigens dienen we een afkeer te hebben van woordentwist. Immers ook de Nederlands Gereformeerde Kerken willen blijven bij de leer van de kerk naar de "Formulieren van Enigheid" (Art. 31).
En in de Verklaring die we voorin het boekje aantreffen, staat te lezen, dat de eenheid der kerken allereerst en ten diepste bestaat in hetzelfde geloof, in de gehoorzaamheid aan het Woord van God en in de gemeenschappelijke belijdenis.
"Zij verklaren in dat belijden van de waarheid van de Heilige Schrift, zoals in de drie Formulieren van Enigheid is uitgedrukt, haar eenheid en de grond voor haar samengaan te vinden" (blz. 11). Dat is altijd het hart van het kerkelijke leven geweest. En het is de bedoeling om bij dit onvervreemdbare centrum van het kerkelijke leven te blijven.
Toch vindt men in deze kerkorde sporen van het eigene van het kerkelijke leven der Nederlands Gereformeerde Kerken. Men heeft moeite gedaan om elkaar mee te krijgen. En de huidige situatie weerspiegelt zich in dit boekje.
Een voorbeeld daarvan is, dat zij die geroepen worden tot de dienst des Woords een deugdelijke opleiding tot deze dienst gevolgd moeten hebben (Art. 5). Bet is een formulering die is ingegeven door het feit, dat toekomstige predikanten binnen deze kerken hun opleiding aan verschillende instituten ontvangen. Maar aan wie staat de beoordeling van de deugdelijkheid van een instituut?
Een ander punt is dat van de gang van zaken ,wanneer een ambtsdrager zijn ondertekening van de belijdenis niet langer voor zijn rekening neemt. Hij zal in de uitoefening van zijn ambt niet kunnen voortgaan, tot hij zich nader zal hebben verklaard ten genoegen van zijn kerkeraad. Het is niet duidelijk, waarom hier een regionale vergadering geen recht van spreken heeft, terwijl immers daar wél de ondertekening van de belijdenis gevorderd wordt (Art. 17).

Sacramenten
Er is enig verschil ten aanzien van de bediening van de doop en van het avondmaal, wanneer het gaat om het gebruik van het formulier.
In het eerste geval heeft de sacramentsbediening plaats "met gebruikmaking van het desbetreffende formulier". In het tweede geval moet de bediening plaats hebben, gepaard gaande "met schriftuurlijke onderwijzing in de lijn van een daartoe bestemd formulier".
Waarom hier niet die strakkere lijn als in het eerste geval?
Aan de situatie gebonden lijkt de uitspraak van art. 31. De kerken zullen elkaar helpen en dienen in het behartigen van zaken die zij gemeenschappelijk hebben. "Zij mogen daarbij niet over elkaar heersen, maar zullen geduld met elkaar hebben en samen de tijd van God verwachten waarin Hij de weg duidelijk zal maken.' 'Inderdaad is het een gereformeerd beginsel dat geen kerk over een andere, geen ambtsdrager over een andere heerschappij zal voeren.
Geduld is in de kerk ook een zeer schone zaak. Maar kan het wel eens opraken? En hoe lang en ten aanzien van welke kwesties moeten wij de tijd van God verwachten, waarin Hij de weg duidelijk zal maken?

Bekrachtiging
In art. 34 herkennen we de discussies en ook de situatie. Een besluit van een regionale of landelijke vergadering zal door de plaatselijke kerk bekrachtigd worden en in onderlinge liefde nagekomen.
Dat is de regel. Hoe die bekrachtiging geschiedt wordt niet omschreven.
Het kan stilzwijgende approbatie zijn. Het kan echter ook een niet-bekrachtiging betekenen.
Om wat voor besluiten gaat het dan? En wat is de zin van een rekenschap. die daarvan (de niet-bekrachtiging) aan de zusterkerken moet worden afgelegd?
En wat is het heil, het welzijn van de kerken in dit verband?
Blijkbaar is er vrees voor de macht van de ouderwets-gereformeerde meerdere vergadering. Deze macht kan misbruikt worden.
'En het recht tot Reformatie moet ook kerkordelijk gewaarborgd blijven, dat is zeker. Maar zijn hier de formulieren niet wat vaag?
Hetzelfde zou kunnen worden opgemerkt van de functie die men pleegt aan te duiden met het woord kerkvisitatie. Het is een middel dat verkeerd gebruikt kan worden: En het is zeker niet een hoger kerkelijk ambt, zoals de independenten de gereformeerden aanwreven. Maar daarom juist zou men het niet zo facultatief moeten stellen: Het staat een regionale vergadering vrij enigen uit haar midden aan te wijzen, die de kerkeraden bezoeken en over hun bevindingen rapporteren. Er moet nu wel iets heel bijzonders aan de hand zijn, wil men kerkvisitatie houden, terwijl juist een geregelde en broederlijke vorm van onderlinge hulp zegenrijk kan werken.

Geen verhindering
Ook Voetius zou, ondanks zijn eigen maatstaven, nog wel wat op dit kleine boekje kunnen zeggen.
Maar, zoals we zeiden, het is niet eeuwigdurend.De laatste bepaling stelt zelfs, dat indien het bevorderlijk is voor de oefening van de gemeenschap met kerken van eenzelfde belijdenis, de artikelen óók veranderd en óók vermeerderd kunnen worden. Zo behoeft - en dat is bijzonder gereformeerd gedacht - zelfs een kerkorde geen verhindering te vormen voor het zoeken van dié eenheid der kerken, waartoe wij allen naar de Nederlandse Geloofsbelijdenisgehouden zijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief