Had ik dat maar geweten (VIII)
1982-02-05
Reducerend- Jaargang 26
- nummer 5
De vorige weken hebben we in het kort twee opvattingen over de gewetensontwikkeling genoemd: vanuit de leertheorie en vanuit de psychoanalyse. Deze week komen nog twee theorieën aan bod. We doen dit heel beknopt. "Opbouw" is geen vakblad voor opvoedkunde en psychologie. Binnen het kader van .deze serie meende ik de 4 theorieën toch te moeten noemen. Ze geven nl. aan hoe men vanuit verschillende denkkaders de gewetens ontwikkeling kan bekijken. Men vormt zich op deze wijze tevens een beeld van mens en maatschappij.
Over het algemeen kan men stellen dat leertheorie en psychoanalyse sterk kijken naar het geweten. Eén aspect wordt sterk benadrukt (b.v. identificatie met één van de ouders); terwijl andere invalshoeken nauwelijks aan bod komen. Het religieuze aspect is slechts aanwezig voor zover een gevolg van de opvoeding.
Zelf
Gedurende de afgelopen decennia werd meer en meer het "zelf" (of: ik) als kern van de persoonlijkheid genoemd (Rogers, Allport, Bühler). We zien deze tendens ook binnen de psychoanalyse ("ego-psychologen", zoals Erikson). Men noemt deze visie op de gewetens ontwikkeling wel de personalistische benaderingswijze. Volgens bovenstaande visie ervaart het kind via de liefde van zijn opvoeders wat goed is, en wat niet goed is. De nadruk komt te liggen op het samen-zijn. Als het kind lief is, ervaart het dat het erbij hoort.
Doet het iets wat z'n ouders niet goed vinden, dan daalt ook z'n gevoel van eigenwaarde.
Deze benaderingswijze ontstond als reactie op de nadruk die bij het denken over het geweten werd gelegd op de inperkende houding van de ouders. Nadruk op identificatie met de voornaamste opvoeders zou kunnen leiden tot onvrijheid en verkramptheid: het kind werd een kopie van zijn ouders. Opvallend is dat het geweten niet in de eerste plaats als inperkend wordt gezien, maar juist als opbouwend. Het kind moet zichzelf kunnen zijn, los van ouders of omgeving.
Binnen deze visie wordt het geweten gezien als zelfwaardig en persoonlijkheidsverwerkelijking (Huyts).
Geweten en verstand
Wereldberoemd werd de Zwitserse psycholoog Jean Piaget (1896-1980) met zijn studies over de verstandelijke ontwikkeling van kinderen Heel bekend zijn binnen de psychologie zijn onderzoekingen met betrekking tot het vermogen van kinderen om hoeveelheden te kunnen vergelijken. (Op welke leeftijd weten ze b.v. dat een lang en smal glas gevuld met water evenveel vocht bevat als een laag en breed glas?). Volgens Piaget hangt de gewetensontwikkeling nauw samen met de verstandelijke rijping. Opvallend is dat de rol van ouders of omgeving naar de achtergrond verdwijnt. Normen behoeven het kind niet te worden aangeleerd. Naarmate het zich verstandelijk ontwikkelt zal het ook een beter inzicht verkrijgen in hoe het in bepaalde situaties moet handelen.
De heteronome moraal Als het kind verder rijpt in verstandelijk opzicht komt het meer los van zijn egocentrische wereldbeeld.
Kleine kinderen zien zichzelf als centrum, andere mensen denken net zo als zij. Om hiervan los te komen moet het kind onderscheid kunnen maken, maatstaven moreel ordenen.
Dat onderscheid maken zien we heel duidelijk bij de ontwikkeling van heteronome naar autonome moraal. Er kan een duidelijke parallel worden getrokken met de wijze waarop het kind in het 'glazenexperiment' (zie boven) hoeveelheden water af gaat wegen.
Bij de zgn. heteronome moraal beoordeelt het kind zaken aan de hand van de gevolgen die dit heeft. "Iemand heeft honger en steelt een brood" . Kinderen die zich op het niveau van denken van de heteronome moraal bevinden zullen deze daad, aldus Piaget, veroordelen omdat de dief er straf voor zal krijgen. Dat een kind op deze wijze denkt, komt doordat het nog maar moeilijk kan relativeren. De vraag waarom een ander iets doet, is nog te ingewikkeld. Daarom worden de gevolgen de graadmeter van het gedrag. David, die z'n moeder helpt bij de afwas en daarbij het hele servies laat vallen, wordt strenger veroordeeld dan Esther die uit de suikerpot snoepte en daarbij een kopje liet vallen.
De autonome moraal Als het kind ouder wordt, kan het situaties af gaan wegen, net als het hoeveelheden kan gaan afwegen in het 'glazenexperiment'. Het kind leert onderscheid te maken. De vraag naar het waarom naar het motief achter de daad, komt in beeld. Een handeling wordt als verkeerd gezien wanneer deze tegen het rechtvaardigheidsbesef in gaat. Volgens Piaget wordt rond het ge levensjaar de bedoeling in het oordeel verwerkt. Op de leeftijd van ongeveer 12 jaar zou de autonome moraal zijn voltooid. De hiervoor genoemde voorbeelden worden dan op meer afwegende wijze ingevuld.
Bezwaren tegen Piaget
Tegen de opvattingen van Piaget ten aanzien van de gewetensontwikkeling vallen een aantal bezwaren in te brengen. De belangrijkste kritiek betreft de wetmatigheid waarmee hij de gewetensontwikkeling beschrijft. Het emotionele aspect wordt hierbij verwaarloosd. Naar mijn stellige overtuiging speelt de liefdevolle relatie tussen ouders en kinderen een grote rol bij de ontwikkeling van het geweten. In de tweede plaats laat Piaget het milieu waarin het kind opgroeit grotendeels buiten beschouwing. Je moet als opvoeders als het ware maar afwachten hoe de verstandelijke ontwikkeling zal verlopen; de gewetensontwikkeling volgt dan vanzelf wel. Weliswaar kan men de gewetensontwikkeling niet forceren, toch speelt het gezin waarin een kind opgroeit een belangrijke voedingsbron voor zijn moreel besef. Als de gewetensontwikkeling weinig meer is dan het "verstandelijk afwegen van situaties" kunnen we ons afvragen welke plaats er nog wordt ingeruimd voor christelijke normen.
Een derde constatering is dat Piaget de schijn zou kunnen wekken dat hoe verder iemand verstandelijk gerijpt is, hoe hoger zijn morele ontwikkelingspeil zal zijn. De geschiedenis laat ons zien dat "het IQ" zeker geen garantie vormt voor een bepaald moreel peil.
Hoewel de visie van Piaget op de gewetensontwikkeling van kinderen erg knap in elkaar zit, en ook een aantal goede aanknopingspunten biedt in verband met het denken over het geweten, mogen bovengenoemde bezwaren niet uit het oog worden verloren.
Wordt vervolgd
Er kunnen nog meer theorieën over de gewetensontwikkeling bij kinderen worden genoemd. Ik laat het hier echter bij; deze serie wordt toch al veel langer dan oorspronkelijk de bedoeling was. U houdt nog twee afleveringen tegoed: observaties over gewetensontwikkeling en (voorzichtige) conclusies over de gewetensopvoeding.
Literatuursuggesties
- De Civitate (CSFR), themanummer psychologie en zielszorg, nov. 1981; blz. 62-66.
- Rita Kohnstamm, Kleine ontwikkelingspsychologie, Deventer 1981; blz. 117-128.
- Leo Speth en Mariëlle van den Hoven, Over de problematiek van de doofheid en de pedagogische hulpverlening (doctoraalscriptie), Lochem 1973; blz. 233-246.