't Is een vreemd'ling zeker ...

1981-06-26
  • Jaargang 25
  • nummer 25
Lev. 19: 34 "Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden, die bij u vertoeft ...."

Sinds jaar en dag leven er vreemdelingen onder ons. Sommigen van hen zijn als altijd sympathiek geweest. Ik denk in het grijze verleden aan de hugenoten en aan de joden, die tot op vandaag toe onder ons wonen.
Sympathie wordt ook nog wel opgebracht voor bijvoorbeeld de christenturken (aktie 41) en de vietnamese vluchtelingen, maar hoe staat het met de ambonezen, de surinamers, de buitenlandse werknemers en de zigeuners?
Speelt in onze beoordeling van de zgn. minderheidsgroepen behalve sympathie (nu joden en geloofsgenoten) ook economische belangen geen rol?
Recht en gerechtigheid, barmhartigheid en naastenliefde hebben het immers wel eens vaker moeten afleggen tegen een economisch belang.
Het is niet mijn bedoeling om kritiek te oefenen op de wijze waarop de minderheden onder ons worden opgevangen, al is daar genoeg over te zeggen, maar ik wil vanuit dit stukje o.t.'ische wetgeving laten zien, hoe de Here zijn volk een houding wil aankweken t.o.v. de vreemdelingen, die onder het volk zijn komen wonen. Hoe de Here voor de vreemdelingen het evangelie doet zichtbaar worden, doordat Hij zijn volk opdraagt barmhartigheid en liefde te bewijzen aan deze mensen, die van buiten zijn gekomen.
Of zoals Ps. 146 zegt: "De Here behoedt de vreemdelingen, wees en weduwe houdt Hij staande ....".

Er waren nogal wat vreemdelingen in Israël. Egyptenaren, die met Israël zijn meegetrokken naar het beloofde land en mensen, die zich onderweg hebben aangesloten. Vervolgens ook kanaänieten, die na de intocht temidden van de twaalf stammen zijn blijven wonen. En dan waren er de slaven en mensen, die om economische of politieke redenen hun toevlucht in Israël gezocht hebben. Onder deze vreemdelingen vinden we vrouwen als Rachab en Ruth.
De vreemdeling was in Israël niet aan willekeur overgeleverd. Hij was niet rechteloos. En in dat opzicht stak Israël gunstig af bij de volken rondom.
De Here zorgde er voor dat de vreemdeling een bestaan kon opbouwen en dat zijn rechten gewaarborgd werden.
Aanvankelijk had de vreemdeling geen recht op een eigen stukje grond en bevond hij zich meestal in loondienst. Zijn heer moest hem beschermen en ook fatsoenlijk behandelen. Zo wordt hem in Deut. 24 : 14 en 15 z'n loon gegarandeerd. Daar zegt de Here bij monde van Mozes: "Gij zult de armen, behoeftige dagloner niet hard behandelen, hetzij hij behoort tot uw broeders, hetzij tot de vreemdelingen, die zich in uw land, in uw steden zullen bevinden. Op de dag zelf zult gij zijn loon niet betalen, de zon mag daarover niet ondergaan, omdat hij behoeftig is en er dus naar uitziet opdat hij niet over u tot de Here roepe en gij u bezondigt".
De vreemdeling behoorde tot de economisch zwakkeren in de samenleving en mocht evenals de weduwe en de wees aanspraak maken op de barmhartigheid.
Zo kende men in Israël het recht op naleving. D.w.z. wanneer een boer de oogst binnenhaalde, dan mochten de behoeftigen achter de knechten aanlopen om op te vangen, wat zij hadden laten liggen. We lezen daarover bijv. in Deut. 24 : 19-22. "Wanneer gij de oogst op uw akker binnen haalt en een garve vergeet, dan zult gij niet teruggaan om die weg te nemen; voor de vreemdeling, de wees en de weduwe zal die zijn ....".
Hetzelfde gold ook voor de olijven- en druivenoogst.
Dat dit instituut in de praktijk ook funktioneerde leert het boekje Ruth ons. Boaz is zo'n boer die dit voorschrift opvat als een hint in de richting van de echte barmhartigheid. Tegen Z'n knechten zegt hij: "Ook tussen de schoven mag zij (Ruth) oplezen, en maak haar niet beschaamd; veeleer moet gij opzettelijk iets voor haar uit de bundels trekken en het laten liggen, opdat zij het opleze".
Zo behoorde men in Israël met de vreemdelingen om te gaan, die veelal waren aangewezen op de barmhartigheid, op de diakonale zorg van het gehele volk Als u de boeken der profeten er op na leest, dan zult u zien, dat het volk Israël ook in dit opzicht deed, wat kwaad was in de ogen van de Here.
Zo barst de profeet Ezechiël in boosheid uit over de zonden van Jeruzalem. (22 : 7 v.v.): "In u veracht men vader en moeder; in u doet men de vreemdeling geweld aan, bij u onderdrukt men de wees en de weduwe.
Mijn heilige dingen veracht gij, mijn sabbatten ontheiligt gij".
In een samenleving, waar men de Here vergeet, waar de kennis van God verkwijnt, daar verloedert de moraal en is naastenliefde en barmhartigheid ver te zoeken .. Daar vallen slachtoffers, armen worden uitgebuit, de liefde verdwijnt, haat en hartstocht bloeien op.
En het is zelfs zo, dat minachting voor de vreemdeling tenslotte uitloopt op minachting voor de meest nabije naaste. Hitler-Duitsland is in dit verband wel een heel sterk voorbeeld.

Is het ook daarom, dat de Here zijn volk aanspoort de vreemdeling lief te hebben als was hij een eigen zoon of dochter? Hij mag. niet onderdrukt worden. Niet in een hoek gedrukt worden. Niet gesaneerd worden uit de samenleving. Maar hij zal gelden als een onder u geborene. Hij moet zich thuis kunnen voelen. Zich geaccepteerd mogen weten. Geen discriminatie dus.
Gij zult hem liefhebben als u zelf. Dat is wel eens moeilijk. Maar liefde is ook niet altijd even gemakkelijk. Liefde is behalve een gave ook een opgave. Een opdracht van onze Heer, opdat het de naaste goed zal gaan.
De naaste, en dat is ook de vreemdeling, lief hebben als je zelf, dat is het tweede gedeelte van het grote gebod.
Ten slotte noemt Mozes in Lev. 19 ook een motief, waarom Israël de vreemdeling zal liefhebben. Een motief, waarbij Mozes een appél doet op de geschiedenis van het volk. Op haar eigen ervaringen in de vreemdelingschap.
Israël weet wat het betekent om vreemdeling te zijn: "Ook gij zijt vreemdelingen geweest in het land Egypte". Soms moet je het zelf hebben meegemaakt, om te weten wat het betekent om vreemdeling te zijn. En dat moet toch temeer een aansporing zijn, om barmhartigheid te bewijzen aan hen die als vreemdelingen vertoeven in je eigen land.
En dan eindigt dit appél met de woorden: "Ik ben de Here, uw God".
Deze woorden herinneren het volk aan het opschrift boven de tien geboden: "Ik ben de Here, uw God. die u uit Egypte, uit het diensthuis geleid heb". Ik ben uw God. Dat is het puurste evangelie, dat je je maar kunt indenken. Deze God is een God van liefde, die het verlorene zoekt om te behouden.
Ook al spreekt dit woord velen in ons volk niet meer aan, laat dan de gemeente in barmhartigheid en naastenliefde voorop mogen gaan. En laat dit woord mogen spreken tot een ieder van ons persoonlijk. Want daar komt het tenslotte op aan, op onze persoonlijke verantwoordelijkheid. Hoe gaat u, hoe ga jij, hoe ga ik om met de vreemdeling, die de Here op onze weg plaatst.
Laat dan de gezindheid van Christus ons beheersen. Hij bekommerde zich om wat zwak en ziek was, arm en verloren. Hij was er tot heil van de mens.
En dan niet alleen, opdat het die mens in materieel opzicht beter zou gaan, maar om hem te winnen voor zijn Vader in de hemel.
Ook daartoe mogen wij de vreemdeling liefhebben en barmhartigheid bewijzen opdat hij zo de genade van onze goede God mag leren kennen, ja meer nog, opdat hij God zelf leert kennen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief