BIJBEL en OUDHEID
1981-06-26
Het moet u bij de artikelen over Egypte zijn opgevallen, hoe dikwijls Egypte's oudheid de Bijbelse historie bevestigt. Soms vraagt men zich af, welke bron nu eigenlijk de oudste is: die van Mozes of die van hiërogliefen en papyrus.- Jaargang 25
- nummer 25
Toch is er geen twijfel aan: dat Sinuhe's geschriften 1700 jaar eerder te boek zijn gesteld dan de canon van het oude testament. We hebben al eens opgemerkt, dat de piramide van Cheops met zijn wetenswaardigheden al zeshonderd jaar bestond, toen Abram uit Ur in Ohaldea vertrok.
Zowel Jozef als Mozes hebben de monumenten van Djoser, Cheops en Chefren bewonderd, toen zij in het vlak bij gelegen Memphis aan het hof waren.
Ze hebben -het Dal der Koningen gezien tegenover het tegenwoordige Luxor, ze zijn geïmponeerd door de onbeschrijflijke koninklijke praal. Beiden zijn onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren, inclusief de. kennis van sterren, het aardrijk, de tijdmeetkunde, het waterbeheer, de graan distributie in magere jaren, de gebeitelde taal der hiërogliefen zowel als de gepenseelde taal van het hiëratisch schrift. Beiden kenden de binnenlandse en buitenlandse politiek van hun dagen, de macht van priesters, de gezagsverhoudingen, wetgeving en gebruiken van de Beide Rijken - ook het recht zowel als het onrecht. Dit alles moeten we vooropstellen, wanneer we de overeenkomsten tussen Egypte's oudheid en de Bijbelse gegevens zien; overeenkomsten die ons trouwens wel eens in verlegenheid kunnen brengen.
Daar kennen we dan het biezen kistje, waarin Mozes ongeveer 1300 v. C. door een prinses werd gevonden. Een uniek geval, komt maar eenmaal in de Bijbel voor. Maar uit Waltari's roman (beter: uit Sinuhe's gedenkschriften A.D.1350 v. C') blijkt, dat het gebruik van biezen arkjes veelvuldig voorkwam om ongewenste kinderen weg te sturen. Zelfs van Babel's koningSargon werd hetzelfde beweerd: aangespoeld aan de Eufraat, zoals Sinuhe en Mozes aan de Nijl.
Dan weten we van Mozes dat hij zijn staf in een slang veranderde. Dat konden de Egyptische priesters nadoen - met behulp van een slangenbezweerderstruc, zoals we zagen.
Een der plagen van Egypte was, dat het water in bloed veranderde. De Egyptische priesters kenden reeds veel eerder een truc om met kleurloos poeder, dat bij oplossing rood kleurde, water "in bloed te veranderen". Zij het dat er geen vis door ging sterven en stinken.
Wanneer we in de Bijbel bij Koningen en Kronieken de twee koperen "pilaren" uit de tempel voorhof tegenkomen, Jachin en Boaz genoemd, herinneren we ons ineens de twee obelisken uit de grote tempel van Karnak: eveneens blijvende getuigenissen, die het nageslacht iets moeten melden.
Werd door de Heere voor Abrahams volk de besnijdenis ingesteld - daar blijkt de besnijdenis bij Egyptenaren en andere volkeren (niet bij Babyloniërs, Filistijnen en Amorieten) al lang in gebruik te zijn. En niet alleen uit hygiënische, ook uit religieuze overwegingen; want wie een kind ter besnijdenis had opgedragen aanvaardde aansprakelijkheid voor de opvoeding er van.
Nog sterker spreekt de oudheid, wanneer later de tabernakel- en tempeldienst grote overeenkomsten vertonen met Egypte's religie. Het bouwpatroon van tabernakel en tempel - met een voorhof, een heiligdom en een allerheiligste - is geheel overeenkomstig de oude Egyptische tempels, vandaag nog te zien.
Zelfs de wandversieringen van engelen met palmtakken en bloemknoppen komt enigszins overeen met de gevleugelde wezens, de bloemdecoraties van papyrus- en lotusknoppen in de Egyptische tempels. We noemden meermalen de vijf tonige toonreeks, die - naar fresco's van muziekinstrumenten ons leren - aldaar bekend waren en die voor de psalmwijzen is gebruikt; die de basis vormde voor de Syrische, de Griekse en de Latijnse toonreeksen en die bij oud-Schotse bagpipe-muziek nog steeds voorkomt. En wanneer de Heere opdracht gaf twee zilveren trompetten te maken, voor de strijd en de eredienst- wel, in Egypte vinden we dezelfde trompetten-paren, zowel in zilver als in goud. (Zelfs in Scandinavië zijn ze gevonden, ook in paren, maar dan in brons en met een kwint verschil.) Aäron scheen met verbazing te bemerken, dat uit zijn gesmolten goud een stierkalf te voorschijn was gekomen - maar hij kende de Egyptische apis ongetwijfeld en was blijkbaar ook met de smelt- en vormtechniek bekend.
In Farao's dromen "aten" magere koeien vette koeien op; en "aten" magere korenaren vette op. Zoals de farao's hun goden "opaten". Zoals wij een boek verslinden. Zoals Ezechiël en Johannes een boekrol opaten.
De ark van Gods verbond werd met draagstokken uitgerust. Zoals de Egyptenaren hun goden en religieuze voorwerpen in de optochten meedroegen. Zoals beelden en relikwieën alsnog in processies worden vertoond, ook in ons land.
De ivoren troon van Salomo noemden we al naast de ivoren troon van Toet Ach Amon, die nu in Cairo staat. Salomo heeft trouwens veel meer van Afrika laten komen: ondermeer apen en pauwen, ivoor en goud. Een voorbeeld van Israëls koninklijke strijdwagens, denk aan Achab en Jehu, vindt u eveneens in Cairo's museum; Israël kocht ze trouwens in Egypte, zegt de Bijbel. En wanneer u met de "hoeksteen" uit psalm 118 geen raad weet geven de piramides en tempels van Egypte de oplossing. Zelfs de naam Mozes is niet oorspronkelijk: men kende Toetmoses en Mose als vorstennamen.
Deze overeenkomsten - die de authenticiteit van de Bijbel allerminst bedreigen, eerder bevestigen - blijven niet beperkt tot stoffelijke zaken als altaren, trompetten en pilaren - maar gaan ook door tot het Bijbelse gedachtenpatroon.
Van de generaal Horemheb (later farao en stamvader van de Ramses-dynastie) is geboekstaafd, dat hij een brandende struik in de woestijn heeft gezien, die niet verteerde; een zaak, waaruit hij zijn eigen gevolgtrekkingen maakte. Dat was 125 jaar voor Mozes in de woestijn de Heere ontmoette.
Dat Sinuhe in Babel een toren aantrof, die "tot de hemel reikte", is ook treffend.
We kunnen moeilijk aannemen, dat Sinuhe een algemeen bestaande overlevering te boek stelde: zijn boek bevat zijn eigen ervaringen, zoals uit duizend details blijkt.
Als later de Heiland een blinde genas door stof met speeksel op zijn ogen te strijken, was dat geen medisch novum; het symbool was toen al eeuwen bekend, maar het wonder van blijvende genezing was nieuw.
En wanneer de Bijbel van een boek des levens spreekt, zien we dat jonge Egyptische priesters al in een levensboek werden ingeschreven. Zelfs van een laatste oordeel en het "wegen van ons hart" hadden de oude Egyptenaren een voorstelling.
U zou kunnen denken dat Mika Waltari in zijn roman de autobiografische vertellingen van de Egyptenaar Sinuhe met Bijbelse gegevens heeft gelardeerd. Om welke reden dan ook. Maar dat hij dit gedaan zou hebben is op zijn minst weinig aannemelijk. Het materiaal, door Sinuhe in zijn grafboek vastgelegd, is 1700 jaar ouder dan de opstelling van de Bijbelcanon. Wij beschikken niet over een kopie en zouden zijn hiëratisch schrift niet kunnen lezen of vertalen.
Maar het zou voor de weergave van historisch zo waardevol materiaal een funeste verzwakking betekenen, wanneer het werd aangevuld of versierd met gegevens, die zoveel jonger zijn. Dat zou - met alle eerbied voor de Schrift - een vervalsing van het origineel betekenen.
Maar beide bronnen zijn gedateerd, hebben eigen inhoud en eigen gezag. We kunnen denken aan de vondsten te Kumran, waar een kwart eeuw geleden een Jesaja-rol werd ontdekt, die duizend jaar ouder was dan het oudst bekende handschrift. Wat zou er gebeurd zijn, wanneer deze rol essentieel zou verschillen met het in de canon opgenomen Bijbelboek? Het is moeilijk te zeggen; laten we dankbaar zijn dat zulk een verschil niet bestond.
De overvloed van materiaal uit de oudheid kan Gods woord niet aantasten wel op bizondere wijze belichten. Maar zelfs wanneer de geschiedschrijving-in-steen volkomen in strijd zou komen met de pentateuch (een voorbeeld: farao Merenptah legde zijn forse overwinning op Israël vast in een jaar, waarin waarschijnlijk de doortocht door de Rode Zee plaats vond) dan nog behoeven we niet om te vallen. Hofdichters hebben militaire zaken vaak zo opgepoetst, dat ze van een volkomen nederlaag een éclatante overwinning maakten. Dat zou Merenptah dan van zijn vader Ramses II hebben kunnen leren: die een grootse overwinning op de Hethieten vermeldt - welke door een gedenksteen in Turkije met meer bewijskracht wordt weersproken.
Tot het bouwen en bewaren van deze wereld behoort ook de geschiedvorsing.
Alleen wie krampachtig de Bijbel tegen geschiedvorsing in bescherming neemt, kan op moeilijkheden rekenen. Maar wij behoeven het Woord niet te beschermen - dat beschermt óns.