Praten langs het strand

2011-11-11
  • Jaargang 55
  • nummer 22
‘Pas op voor tientoners en de elfribben!’ De woorden van oma borrelen bij me op, terwijl ik stevig langs de vloedlijn doorstap. De zon is al onder en op deze donderdagavond zijn er alleen ter hoogte van de overwinterende strandtenten wat mensen. De hele dag was ik in overleg geweest en pas toen ik buitenkwam, ontdekte ik dat het prachtig weer was. Op dat moment wachtte thuis niemand op me en bij de afslag van de A9 kon ik daarom kiezen: heel verstandig linksaf gaan, richting huis en keuken of rechtsaf gaan, richting zee en strand. En zo zie ik vissers met lieslaarzen de zee inlopen. Ik zie hoe hun hengels de zee aan een lijntje houden. Er knalt een bal op het strand, een vlieger komt gehoorzaam naar beneden, honden rennen vrolijk blaffend door het zand en wandelaars hebben iets opgewekts. Ik blijf tegen de wind in doorstappen. Met het stappen begint ook het denken. Eerst over ditjes en datjes, maar al gauw gaat het over grotere dingen die me dwars zitten, die ik niet begrijp, over puzzelstukken van het leven die maar niet willen passen. Ik voer al stappend hele gesprekken en opeens betrap ik mezelf erop dat ik hardop loop te praten. Het is een ander soort gesprek geworden. Een heftig gesprek. Hardop vertel ik aan de Schepper van strand en zee, van hemel en aarde, wat me allemaal dwars zit. Ik schrik van mezelf. Schichtig kijk ik om me heen. Het moet voor omstanders op zijn zachtst gezegd toch een merkwaardig gezicht zijn, zo’n vrouw die in haar eentje hardop loopt te praten. Maar er zijn geen omstanders. Alleen vogels. Grote zilvermeeuwen dribbelen door het water en kijken dreigend. Een paar strandlopertjes hollen in het halfdonker hard voor me uit.
Vanaf welk punt zal ik teruggaan? ‘Wij gaan nooit dezelfde route terug’, roept mijn familie tijdens wandelingen, altijd zoeken we een andere weg. Nu terug door de duinen? Alleen?
In het halfdonker? ‘Pas op voor tientoners en elfribben!’, hoor ik oma zeggen. Als kleuter piekerde ik me suf wat voor vreselijke monsters dat wel niet moesten zijn daar bij de sloot van de stadskwekerij waar mijn grootouders woonden. Voor de zekerheid nam ik geen risico en bleef een eind van de sloot weg. De kans is niet zo heel groot dat ik om deze tijd nog iemand in de duinen tegenkom, maar het is toch een kwestie van gezond verstand om ook nu geen risico te nemen. Ik blijf daarom de strandlopertjes volgen die een bocht van 180 graden maken om deze elfrib kwijt te raken. Eén piep van de leider en ze vliegen met z’n allen weg. Met de wind in de rug volg ik het enkele spoor terug van gelijkmatige voetstapjes die je nog net in het zand kunt onderscheiden.
Is dat het spoor van een beangstigende tientoner? Mijn tien tenen zijn zorgvuldig verstopt in stevige schoenen, maar ik ben me ervan bewust dat bitterheid kan vervormen.
Dat risico loop je met het ouder worden. Lang geleden heb ik al besloten dat ik zorgvuldig zou waken voor de wortel van bitterheid. In de loop der jaren merk ik dat dat niet vanzelf gaat. Daar zijn soms lange gesprekken voor nodig, vooral met onze Vader in de hemel. Niet dat puzzelstukken daarmee direct op zijn plaats vallen, maar alleen al van zo’n stevig gesprek langs het strand krijg ik weer iets opgewekts.

Emmy Viezee-Fock is bedrijfsjournalist en lid van de NGK Krommenie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief