Christelijke hoop in de wereld van nu
1983-08-05
Op vrijdag 10 juni j.l. werd in de Geertekerk in Utrecht een nationale dienst gehouden van gebed en verootmoediging.- Jaargang 27
- nummer 29
Ter inleiding en voorafgaande aan die dienst werd door dr B. Goudzwaard een toespraak gehouden over de christelijke hoop in de wereld van nu, die we in zijn geheel overnemen.
Wanneer U om U heen met, hier in de Geertekerk, overvalt U wellicht een gevoel van verbazing.
Want het is helemaal niet zo vanzelfsprekend hier bijeen te zijn als een op het oog volstrekt willekeurige groep van mensen, Uit de meest uiteenlopende plaatsen in ons land en met een bonte verscheidenheld van achtergronden, Daar zit iets van dwaasheid in; want we kennen elkaar niet of nauwelijks En het lijkt allemaal nog dwazer te worden, wanneer we ons afvragen wat nu eigenlijk het karakter is van ons samenzijn.
Is dit een soort politieke bijeenkomst, van mensen die gezamenlijk iets op touw willen zetten?
Nee dat is het zeker niet ook al zijn we met elkaar onder de indruk van de politieke en ook maatschappelijke nood in ons land en in de wereld, en al weten we dat die nood ook een zaak van geloof en gebed kan zijn. Is het dan misschien een kerkelijke bijeenkomst?
Opnieuw: eigenlijk met.
Want mals we hier zitten, zijn we over tal van kerken en bewegingen verstrooid, als een toonbeeld van de verdeeldheid van de christenheid.
En er is óók met een bepaalde kerk of een raad van kerken, die ons hier samengeroepen heeft. Of is dit wellicht een soort nationale of volksbijeenkomst? In zekere zin wel - want de moeite van ons volk, economisch, zedelijk en sociaal, heeft ons diep geraakt, en we voelen ons allen ook aan dat Nederlandse volk verbonden.
Maar aan de andere kant kun je het bijeenkomen van een paar honderd mensen toch onmogelijk een nationale manifestatie noemen.
Wie weten- er nu in ons land, dat we hier tesamen zijn in het hart van Nederland en in een van de oudste kerkgebouwen die Utrecht kent? Toch vrijwel niemand immers.
Maar als dit geen echt kerkelijke bijeenkomst is, en geen politieke, en geen typisch nationale" terwijl het toch ook met al die dingen nauw te maken heeft, - wat willen we hier dan eigenlijk tesamen?
Het lijkt dan wel alsof we met elkaar grondig in verlegenheid zijn.
Het is dan net, alsof onze bestaande wegen van omgaan met elkaar, in de kerk en in de maatschappij, in ons volk en in de politiek, tot op zekere 'hoogte aan het doodlopen zijn - of althans ontoereikend zijn om de grote problemen van onze tijd nog echt aan te kunnen. Alsof we aan het eind gekomen zijn van een weg, en zelf niet meer goed weten hoe we verder kunnen.
En misschien raakt dat nu juist nog het meest de kern van ons samenzijn hier, in deze op het oog zo dwaze ontmoeting. Het is alsof we met elkaar in een polderlandschap staan. Aan de ene kant van het landschap schijnt nog de zon, en zingen de vogels, en ligt er nog vrede over de weiden. Dat is het deel van ons leven dat ons ook vandaag nog echt blij, en dankbaar kan maken. We leven nog in vrijheid, hebben te eten en te drinken, en een huis om naar terug te gaan- gaven van Gods goedheid. Maar aan de andere kant zijn er de tekenen van een snel naderend onweer. De wind steekt op, en een deel van het landschap is al in het duister gehuld.
In die donderkoppen is de dreiging verscholen van een mogelijk losbrandend allesvernietigend wapengeweld Maar ook het duister van de snel om zich heen grijpende honger in de derde wereld, en van de oprukkende werkloosheid binnen onze grenzen. We zien de dreiging van een groeiende geweldspiraal in Zuid-Afrika, van wraakacties over en weer, maar ook in ons eigen westen de komst van een steeds killer en harder wordende samenleving. Een samenleving, waarin mensen en groepen allereerst vechten voor zichtzelf, ook wanneer het vragen van leven en dood betreft. Een samenleving ook, die zich steeds meer torenhoog verheft in technische machten wetenschappelijk kunnen, maar waarin mensen zich eenzaam voelen en arm te midden van hun welvaart; onzeker over de experimenten die met hen worden uitgehaald; een machtige samenleving met miljoenen machtelozen, die bang zijn wanneer ze de straat opmoeten, Natuurlijk kun je in zo'n tijd je ook omdraaien en alleen kijken naar de lichte klant van het landschap, en je wijs maken dat die andere, dreigende kant met bestaat.
Of je wijsmaken dat er voor alles toch nog wel oplossingen te vinden zijn, wanneer we maar wat meer vertrouwen hebben in de politieke leiders, in de wetenschappelijke experts, in de knappe koppen op het gebied van de techniek en de economie. Dan kan de economische groei ons opnieuw leiden naar de grazige weiden, waarin ons mets ontbreekt, en waarin de stok van de techniek en de staf van de wetenschap bij ons zijn om ons te vertroosten. Maar wat arm, wat innerlijk leeg en dwaas en idealistisch is dat geloof intussen geworden! Want zijn een groot deel van onze grote problemen met juist door dat eindeloze vertrouwen in onze eigen vooruitgang ontstaan?
Vind je bij. computers soms redding, en brengen robot-armen troost? En zullen mensen inderdaad beter worden, wanneer we de wetenschap toelaten met de menselijke erfelijke eigenschappen te experimenteren?
En komt de vrede naderecht nader, wanneer we de ruimte bevuilen met de uitwerpselen van de moderne wapentechniek, en zelfs de maan en de kunststerren in de wapenwedloop betrekken?
Dat is toch de dwaasheid gekroond? Inderdaad: we kronen onze eigen wetenschappelijke en technische dwaasheden, En daarom falen ook vrijwel alle geijkte oplossingen, en ritten de serieuze politici en wetenschappers met de handen in het baar. De wegen van de onbelemmerde vooruitgang, waarop we zo lang vertrouwd hebben, hebben ons nu doen belanden in een modderig moeras, waarin onze wielen doldraaien.
En tegen die achtergrond krijgt ons samenzijn hier en nu ook tekening en relief, Noor alle gebruikelijke maatstaven die we kennen is om; bijeenzijn bier een dwaze en hulpeloze ontmoeting, Maar daarin schuilt hier en nu juist een wezenlijke en diepe zin. Want zoals wij hier bijeen zijn, is dat hulpeloos bijeenkomen al een soort belijdenis in zichzelf. We zijn inderdaad aan het eind van veel van onze wegen gekomen, Maar wij willen daar ook niet omheen.
Want wanneer mensen en ook ons eigen volk -zo vastloopt, schilt daar schuld in. De schuld van de eigengereidheid, de schuld ook van het dienen van vreemde goden, van het vertrouwen op het maaksel van onze eigen banden. We maken deel uit van een volk en ren cultuur, waarin wij mensen geen maat hebben gehouden in het zelfzuchtig bouwen tot aan de hemel, en onder het gewicht van ons torenhoge Babel lijdt nu de natuur, lijden de dieren, en worden tomeloze lasten aan de armste volken van deze wereld opgelegd.
We wisten het immers allemaal zo goed? Maar nu komt het lijden ook naar ons toe - naar ons, die anderen zelf soms zo mateloos laten lijden.
Onze tijd heeft daarom veel weg van de tijd waarin de profeet Hosea leefde. Dat was de tijd waarin de God van Israël de wegen waarop zijn volk Israël zich eigenmachtig en zelfgenoegzaam had begeven, ging afsluiten, één voor een; geen ontsnappingsroute bleef er over. Maar Hij. deed dat toen wel met een duidelijke bedoeling, Namelijk om zijn eigenwijze volk: er de ogen voor te openen dat er nog één weg openstond, een weg die geen mens uit zichzelf ooit zal verzinnen: namelijk de weg naar boven, die via Hem loopt, en waardoor zelfs het dal van het ongeluk (Achor), kan worden tot een deur van Hoop (Hosea 2: 14). Zou die weg, die onmogelijke weg, ook voor ons nog openstaan? Een deur van hoop, precies op de plaats van onheil en dreigende vernietiging?
Het woord "hoop" is gevallen. Maar is het wel reëel? Want we hebben het hier niet alleen over afzonderlijke personen, maar over een gehele samenleving' waarin wij leven en verkeren. En het gaat niet alleen om geestelijke nood, maar ook om heel konkrete materiële ellende, en over lichamelijke honger en pijn en angst. Over de nood van de derde wereld en de schrik voor een tomeloze' bewapening, Het nihilisme dat zelf over het van God gegeven leven wil beschikken zit tot in de wortels van onze samenleving, en niet minder het materialisme, het sexisme, en het racisme, is het niet overspannen, ja zelfs gevaarlijk, om de hoop op een keer in al me afschuwelijke problemen te verbinden met het Evangelie en het vaste profetenwoord? Mensen kunnen zich misschien bekeren, maar een volk?
Dat is een ontzaglijk belangrijke vraag, en re raakt ook het hart van ons samenzijn, We weten allen uit de geschiedenis, hoe lichtvaardig soms christenen gegrepen hebben naar het afdwingen van een soort nieuwe hemel op deze aarde, naar een genezing van al hun ziekten en met het gelijkstellen van bun eigen dromen met de wil van God. En hoe ze ook kolonies hebben gesticht waar eeuwige vrede zou heersen, maar die uitliepen op onderling gekrakeel.
En we hebben daarvan geleerd, zoals dat heet. Maar hebben we er niet teveel uit geleerd?
Want om me inderdaad gevaarlijke misvattingen te voorkomen - ik kom et zo dadelijk nog op terugzijn we zelfs zover gegaan, dat we ons geloof toch maar liever betrekken op de hemel' dan op de aarde, en- dat we ons goeddeels hebben afgewend nog in wonderen te geloven, Om ons geloof niet te veel op de tocht te zetten, laten we woorden als ronde en bevrijding vrijwel alleen op ons persoonlijk leven slaan, en zelden of nooit op dat van volken of samenlevingen; en als het even kan, op zogenaamd geestelijke dingen, en met op het alledaagse leven om ons heen -ze hebben we ook onszelf. aangeleerd, dat de wet van God er is voor de Joden, maar dat voor ons alleen het Evangelie geldt. Maar is het geloof, dat we op deze manier hebben overgehouden, niet tegelijkertijd een bijzonder schriel geloof geworden?
Ik denk van wel. Misschien mag ik het zo zeggen: we hebben als christenen nauwelijks besef meer, zoals we nu leven en denken, van alle schateen die we in Christus hebben. We proberen het te stellen met alleen een stukje daarvan, een selekittie daaruit, En daarom is de ontmoeting met de groeiende nood van onze tijd allereerst een ontmoeting met onszelf - met de manier, waarop wij zelf ons geloof vaak gekortwiekt hebben, en waarop we ons tevreden stellen met een vaak vleugellam geslagen woord.
Daarom is dit moment op deze dag ook het juiste ogenblik om onze confessie, onze band met de levende Heer, in eigen woorden te vernieuwen. Ik zal dat doen in de ik-vorm, maar ik hoop dat U het in de wij-vorm mij van harte kunt en Wilt na-zeggen.
Ik geloof, wij weloven, dat de Here een Almachtig God is die leeft, me staat als een Man voor zijn Woord; en ook nu en hier handelend kan ingrijpen. Hij is het, die door Zijn Zoon en door de profeten aan ons beloften heeft gedaan waarvoor Hij ook nu nog instaat, wanneer wij maar de wegen willen gaan van echte vrede, van duurzaam recht, en een oprechte liefde voor Hem en onze naaste.
Ook vertrouw ik, vertrouwen wij, dat deze aarde me Hij gemaakt heeft en waarop het kruis van zijn eigen Zoon heeft gestaan, niet zal voorbijgaan dan op Zijn woord, en niet zal voorbijgaan op het woord van mensen, die in hun grootheidswaan de nucleaire drukknoppen in hun bereik hebben.
Ik geloof, wij geloven, dat het Kruis en de Opstanding van onze Heer Jezus Christus een veel grotere en diepere betekenis hebben dan' alleen voor ons persoonlijk leven en onze persoonlijke verlossing.
Hij is de Heer me alle volken van de aarde bezit, en hen ook als volken niet onschuldig houdt in wat ze doen, en ze bij Zijn terugkeer naar de aarde verantwoording zal eisen wat zij met hun gaven en talenten gedaan hebben. Ik belijd, wij belijden, dat Hij ook de volken, en ook ons volk richt in de weg van Zijn oordelen en in de kwalen die wij over onszelf heenhalen, maar ook dat Hijzelf de weg van de ontkoming is, wanneer wij ons maar willen omkeren haar Zijn wil.
Ik geloof, wij geloven in de Geest van God die wonderen doet, en zelfs het hart van een volk als het onze in één dag kan bekeren. Wij weten dat Hij sterker is dan al de macht en al het geweld van deze wereld, en de scheidsmuren tussen zwart en blank, jood en christen kan afbreken en slechten door de éne Naam, die ons onder de Hemel gegeven is. Hij is ook de Heer die ons als volk onze schuld indachtig maakt en vergeven kan: de schuld me wij ook als natie hebben tegenover de zwarten, die wij als slaven verkocht hebben, tegenover de Joden die we de toegang tot ons land weigerden, tegenover de Indiërs die wij misbruikt hebben, tegenover de oost-duitse en Russische moeders die wij door onze aanvalswapenen in schrik gevangen houden. Hij is de Geest die ons het leven leert achten, en ook ons bevrijden kan van alle goden, waarvoor wij zelf in onze dwaasheid geknield hebben, en waardoor wij in een valstrik zijn geraakt. Hij is het ook, die ons doet ringen in de nacht, en daarin Zelf het Licht van de morgen is.
Ik hoop dat U begrijpt waarom ik dit alles op deze plaats en op dit uur, bij het begin van de Sabbath, zo in uw midden leg. Wanneer het gaat om het zoeken van de weg me wij zijn kwijtgeraakt, de weg naar omhoog waarvan de profeet spreekt, moeten we eerst onszelf laten richten; rechtzetten wat is scheefgegroeid, ook en juist als christenen me misschien door de wol van de vroomheid geverfd zijn. Anders zien wij, net als het knechtje van de profeet Eliza, wel allemaal wapens en strijdwagens om ons heen, maar blijven onze ogen gesloten voor de legerscharen van de Heer, die tien maal tienduizend keer zo sterk zijn als alle kernraketten die er op deze aarde bij elkaar staan.
Maar de vraag, me ik al eerder heb gesteld, blijft tussen ons in hangen: Mogen, kunnen wij daarop nu wel een beroep doen? Is de hoop wel reëel er een voor heel ons volk, of praat ik hier over een hersenschim? En die weg naar omhoog - wat zou die ooit kunnen inhouden? Keert die weg omhoog wel ooit weer naar de aarde terug?
Over die vragen zou ik nu aan het slot van mijn bijdrage in het kort iets Willen zeggen.
In de eerste plaats: Nee, niet door ons toedoen kan een volk of een wereld worden gered, of een kapotte wereld worden genezen. We wellen allen, dat de totale genezing van deze wereld niet ons werk is, en dat pas bij. de terugkeer van de Heer alle ziekten en alle vormen van geweld van de aardbodem zullen verdwijnen. En dat geldt zowel voor ons persoonlijk, als voor ons volksleven. Maar wat wel veststaar als een huis, is, dat er beloften van God de Heer gelden voor mensen èn volken van een begin van genezing, van een wezenlijk stuk herstel; nl. wanneer zij een begin maken met een echt rekenen met zijn weg en zijn wet.
En daar gaat het om, hier en nu.
En op die beloften mogen we wel degelijk in al ons vastgelopen zijn een beroep doen, op Hem als de Eeuwige.
In de tweede plaats dit: de weg naar omhoog is er niet een, die in de ijlte vervliegt, maar naar deze aarde, deze wereld terugkeert, zoals ook een regenboog dat doet.
Om dat duidelijk te maken, zou ik twee symbolen tegenover elkaar willen plaatsen: het symbool van de boog, en dat van de rechte lijn.
De rechte lijn, die staat voor de' logica, de denktrant, van de moderne wetenschappers en de moderne politici. Het is de denktrant, die de kortste verbinding zoekt tussen twee punten. Het is die denktrant die ons leert, dat als je meer veiligheid wli, dat je dan meer wapens moet hebben; dat als je meer ziekten hebt, er ook meer geneesmiddelen nodig zijn; dat als er werkloosheid is, meer geproduceerd moet worden; en dat, als je het zelf economisch slechter hebt, op de hulp aan de arme landen kort. Die weg, die logica van de rechte lijn is het, die ons heeft doen vastlopen. Want door die denktrant en handelingswijze stikken we nu in de wapens, produceren we tegen de klippen op, zijn we overvoerd geraakt met geneespillen en bestrijdingsmiddelen, bezwijken de armste landen onder de schuldenlasten, en loopt onze eigen economie naar een financieel bankroet. Maar er is ook een andere weg, een weg die zo moeilijk te gaan is, omdat renet zoals een boog - ons aanvankelijk alleen van het beoogde doel lijkt af te voeren. Bij die weg hoort als het ware het omgekeerde gedragspatroon. Daarom is het ook de weg van de navolging. Het geheim ervan ligt besloten in het Evangelie zelf, dat zegt Qat het zaliger is, dat het meer het geluk dient, om te geven dan om te ontvangen; en dat datgene waarnaar de volken van de wereld jagengeluk en veiligheid - valt onder de regel, dat we eerst het Koninkrijk moeten zoeken en zijn gerechtigheid, en al het overige ons zal worden toegeworpen, Die weg zegt ons, dat als we in het wapengeweld vastlopen, de vrede moeten zoeken door het omsmeden van zwaarden in ploegschaven; dat als we meer werk willen, eerst goede rentmeesters over de natuur moeten leren te zijn en zorg moeten dragen voor onze naaste; dat, als hier de staatschuld oploopt, we voorrang hebben te geven aan de kwijtschelding van de schulden aan de allerarmste volken die er nu onder bezwijken. Want in hun vrede zal ook onze vrede gelegen zijn. De weg van de boog is, dat wrekend tegengeweld niet helpt, maar we onze tegenstanders hebben .te ontwapenen door te doen wat ze juist niet verwachten; dat, als we geluk willen kennen, we dat eerder hebben te zoeken in het ons verzadigd weten dan in het steeds meer eisen. Er is een thora van de Heer, ook en juist voor de volkeren, en er gaat nog steeds en belofte van waarachtige zegen van uit
In de derde en laatste plaats zou ik nog dit willen zeggen: het zich omwenden, zich bekeren van een volk begint bij het doen van, de wil van de Heer op de kleine plaats waarop wijzelf gesteld zijn.
Vanmorgen stonden mijn vrouw en ik bij het graf' van een van onze beste vrienden: Ger Nap uit Helevoetsluis. Een man waarvan de meesten van U nooit gehoord zullen hebben - een van de kleine luyden in dit land. Hij was degene die als zachtmoedig strijder voor de vrede de aanzet gaf voor het Drievoudig Appèl, het verbond van al degenen, die door middel van een terugdringing van onze overbewapening de armste landen te hulp wilde toornen en daardoor ook de werklozen in ons eigen land. Het beeld wat hij ons steeds voorhield, was dat van Christofoor.
U kient de afbeelding daarvan wel: de grote reus, die het kind Jezus als veerman op zijn rug draagt om het over de rivier te brengen. Maar die midden in de rivier dreigt te beswijken onder die last, die hem te zwaar wordt, zodat de golven over hem heenspoelen.
Totdat het Kind Zijn hand op z'n hoofd legt en hem zo de kracht geeft om de overkant te bereiken.
Het beeld van Christofoor, Christusdrager, is de uitdrukking van de christelijke hoop. Het is het beeld van de bereidheid van kleine mensen, zoals U en ik, om de voet in de golven te zetten en dwars door de nacht heen te gaan - wetend, dat wij het niet zullen volbrengen, maar dat er Iemand is die op het meest kritieke ogenblik tussen beide kan komen, en de te zware last als het ware van ons overneemt. Als kleine mensen de krachten 'van Gods koninkrijk mobiliseren - vindt U het te gedurfd, te hoog gegrepen? Ik geloof van niet! Ook al weten wij, dat de Heer pas zal komen met zijn redding op Zijn wijze en zijn tijd. Want het zou weleens kunnen, met alle eerbied gezegd, dat de Heer er als het ware zelf op wacht, nu aan de oever staand, dat we de eerste stap aandurven. De eerste stap, niet meer dan dat. De eerste stap van Christusdragers, Christoforen, die, vastgelopen in hun eigen reusachtig kunnen, bereid zijn tot het gaan van de weg van de vrede, de weg van het delen van hun geld en wenk en brood met de armen en met al degenen, die vervolgd of ziek, werkloos of thuisloos, dichtbij of veraf, Zijn plaatsvervangers zijn op deze aarde.