Over de waarheid (2)
1981-07-17
4. Geloof, theologie en filosofie- Jaargang 25
- nummer 27
De moeilijkheden waarmee wij kerkelijk en theologisch in onze tijd tobben, kunnen mede bezien worden in het licht van onze westerse denktradities. Zonder een hard oordeel te vellen over de eerste generaties van gelovigen en van theologen, kunnen wij wel, achteraf bezien, beter dan zij zelf, iets verstaan van de filosofische valstrikken waarin de christenen zijn vastgelopen.
Men heeft al vroeg terdege beseft, dat de heidense filosofie een gevaar was voor de kerk. De Schrift zelf heeft bij monde van Paulus al gewaarschuwd voor een bepaald soort "filosofie" (Col. 2: 8) en voor de zgn. wijsheid van de wereld en van de joodse theologen (1 Cor. 1). Tertullianus, één van de zgn. "kerkvaders" (ondanks de waarschuwing van Jezus dat wij in de gemeente niemand vader moeten noemen) noemde dan ook alle filosofie verkeerd, zonder te beseffen dat er erg veel eigentijdse filosofie in zijn beroemd geworden dogmatische formuleringen doorwerkte.
Later werd (o.a. door Joh. Scotus) de theologie de ware filosofie genoemd.
Maar afgaande op de populaire betekenis van het woord theologie, alsof dat woord gewoon betekende de kennis van God, in de zin van geloofskennis, haalden de eerste christen denkers tegelijk met het woord theologie een lelijk stuk onchristelijke filosofie binnen - onbewust! Onder de invloed van die verkeerde wijsbegeerte is dat ook zo gebleven: vrijwel niemand onderkent meer de oorspronkelijke, van Aristoteles afkomstige en voor het geloof verwerpelijke vooronderstellingen in het woord "theo-logie". Ook voor mensen als A. Kuyper en H. Bavinck bleef het zo, dat theologie als regel een ander woord was voor "kennisse Gods".
Toch bleef er in de geschiedenis een zwak besef dat hier iets niet helemaal klopte. Ook zonder dat men tot een theoretische helderheid kwam op dit punt, besefte men in de kerk dat geloof en theologie toch niet zonder meer gelijk te stellen zijn. Ook in het rapport dat wij bespreken, blijkt dit besef telkens weer aanwezig. Wetenschappelijke duidelijkheid over dit verschil is echter nog ver te zoeken. Hier nu was aanleiding geweest voor een filosofisch, beter gezegd: voor een christelijk-filosofisch eerste hoofdstuk over de verschillen tussen geloofskennis en (al dan niet christelijk-gelovige) theologische en filosofische kennis. Dan zou in dat onmisbare eerste hoofdstuk ook gesproken kunnen zijn over het verschil tussen het praktisch geloof aangaande de H. Schrift als Woord van God èn een of andere theorie over de "aard" van het Schriftgezag en over andere onderwerpen uit de theologische (dogmatologische) leer aangaande de Bijbel.
In zulk een hoofdstuk zou recht gedaan kunnen zijn aan genoemd verschil, dat de opstellers als gelovige mensen terecht beseffen, maar waaraan zij nu, theologiserend, geen recht deden en dit ook niet konden doen vanwege gebrek aan christelijk-wijsgerige scholing.
Vandaar ook allerlei tegenstrijdigheden.
Enerzijds: de erkenning dat dit rapport een "studierapport" is en "niet een nieuw belijden" (4), anderzijds een groot propaganda-apparaat in werking stellen om dit rapport de gemeente in te brengen en op allerlei wijze de bestudering ervan te bevorderen en te organiseren.
Spreekt dit laatste niet van een ernstige overschatting van de betekenis van dit "studie-rapport"?
Enerzijds de goede erkenning dat ons verstaan van de Bijbel niet afhankelijk is geworden van de wetenschap (8), anderszijds het betoog dat "waarheid" een zgn- "grondwoord" in onze levenspraktijk is en dat dit woord tegenwoordig een veranderde betekenis heeft en dat heel wat ongerustheid en onzekerheid in de gemeente kan verdwijnen, als men weet hoeveel er positief is te waarderen in de moderne filosofische veranderingen in "het waarheidsbegrip" . Zo gaat het in heel het rapport door. Ds. de Jong zei eens, oratorisch schematiserend: het rapport is "om de andere zin goed en fout". Inderdaad: het hinkt op allerlei essentiële punten op twee gedachten: filosofisch evenzeer als theologisch, en ook probeert het tweeërlei geloof bijeen te houden: geloof in de Bijbel èn geloof in "theologie".
In 't vervolg wil ik nog aantonen dat hier ook een zeer zwak punt ligt in veel orthodoxe theologische kritiek op dit rapport.
5. De meest gangbare waarheidsopvatting
Het rapport suggereert ons dat er drie opvattingen zijn van wat waarheid is: een objectieve, een subjectieve en een "relationele" die boven het verschil tussen de beide eerstgenoemde uitgaat door ze beide tot een eenheid te verbinden. Het lijkt helder, ondanks alle moeilijke woorden. Maar het is niet helder en het is ook niet juist. De historische en kennistheoretische beweringen in dat betoog zijn m.i. zeer aanvechtbaar.
We citeren het rapport uit hfst. 1, par. 2 (blz. 10): "De meest gangbarre opvatting van 'waarheid' is dat iemand de zaken weergeeft zoals zij zijn. 'Dat schilderij hangt scheef'.
Men kijkt om en zegt: 'Ja, dat zie ik nu ook; wat je zegt is waar' ".
Inderdaad is dat de meest gangbare opvatting van "waarheid". Een heel andere zaak is dat het rapport deze "meest gangbare opvatting" nu gaat interpreteren als een theorie over de waarheid, of als een opvatting waar een waarheidstheorie in of achter zit. Deze "opvatting" wordt nu genoemd het "objectieve waarheidsbegrip". Aan deze theorie worden vervolgens een voordeel en een nadeel toegekend, omdat men aan deze opvatting diverse impliciete beseffen toedicht, die echter in deze "meest gangbare opvatting" ten enenmale niet bestaan!
Deze "meest gangbare" opvatting dat een mededeling "waar" is als er iets in gezegd wordt dat ook werkellijk zo is, is nl. geen theorie, bevat geen theoretisch "waarheidsbegrip" en zij vooronderstelt niets inzake "het menselijke bewustzijn", en niets inzake "op zichzelf staande"zgn. "objectieve" standen van zaken "los" van ons "bewustzijn".
Heel deze kennis-theoretische begrippenvoorraad is aan de praktische levenservaring volslagen vreemd! Sommige van deze woorden mogen dan in het hedendaagse praktische spraakgebruik zijn ingegaan, althans in bepaalde, meer ontwikkelde kringen, zij functioneren dan nauwelijks in hun weten schappelijke betekenissen en zelden ook werkelijk op wetenschappelijke wijze.
De "meest gangbare opvatting" is de opvatting die bij verreweg de meeste gangbaar is. Die "verweg de meeste mensen" zijn geen geleerden, geen theoretici, en als gelovigen ook geen theologen. Maar ook als zij wèl geleerden zijn, hanteren zij primair die "meest gangbare opvatting". Terecht zegt het rapport dat "deze opvatting" aan te treffen is bij de meest uiteenlopende geleerden: Thomas van Aquino, Bertrand RusselI, Lenin, e.a. Dat waren echter mensen die kennistheoretisch bepaald niet dezelfde theorie hadden over "de waarheid" maar inderdaad mèt de Bijbel, en met ons en met alle mensen van alle tijden, geleerd of niet, dezelfde praktische zekerheid hadden dat ze heel goed he! verschil tussen waarheid en leugen wisten - afgezien van, of ook volstrekt onwetend inzake welk "waarheidsbegrip" ook.
Verweg de meeste mensen weten wat waarheid is, maar zij hebben geen "onbewust" filosofisch waarheidsbegrip, of een onbewuste waarheidsdefinitie. Zij zijn zich terdege bewust van het echte verschil tussen waarheid en fantasie of leugen, ook zonder enige theorie of definitie. Het zeker weet hebben van wat waarheid is, ligt in de levenspraktijk ingebed in het belevend weten en in het wetend beleven, ver buiten elk kennistheoretisch bewustzijn of onbewust zijn.
Het praktische waarheidsbegrip van onze omgangstaal wordt echter door het rapport filosofisch-kennis-theoretisch geduid, geïnterpreteerd met de (voor filosofen bekende) adaequatio-formule, waarover in het vervolg nog iets meer. Dit nu is een basis-fout in het eerste hoofdstuk van dit studierapport.
6. Zit er een theorie in de praktijk verborgen?
Men onderschatte de grote fout niet dat aan het praktisch spreken over en weet hebben van de waarheid zo maar even een theoretisch, zogenaamd objectief, sommigen zeggen zelfs "objectivistisch", waarheidsbegrip wordt toegedicht. Een gelovig christen die wijsgerig ongeschoold is, kan zich tegen zulk een bewering niet verdedigen: hij weet niet waar 't over gaat. Als hij zich niet spottend of ongeïnteresseerd afwendt, zal hij misschien dom en eerbiedig aankijken tegen zulke geleerde betogen die suggereren aan het licht te brengen wat hij zelf, zonder daarvan weet te hebben, eigenlijk zegt, als hij beweert dat hij heel goed het verschil weet tussen waarheid en fantasie of leugen.
Hoogstens krijgt hij argwaan wanneer het rapport hem vertelt (op blz. 10) dat het nadeel van zijn opvatting is, dat "de mens" in zijn opvatting "wel erg passief" is. Hij had het nl. helemaal niet over "de mens" of over "de aard" van "de" waarheid, en hij vraagt zich wellicht af waarom hij "te passief" is, wanneer hij beweert dat iemand de waarheid zegt, als hij over een scheef hangend schilderij zegt dat 't scheef hangt. Te passief? En hoe kan dit rapport hem willen wijs maken dat "de waarheid zeggen .. " inspanning, ja zelfs "worsteling"
vergt? Het is nogal wat. Zulke beweringen zijn geen filosofische waarheden, integendeel, ze zijn in hun algemeenheid gewoon onwaar.
Die "worsteling" kan inderdaad wel van toepassing zijn op de verwerving van wetenschappelijke of theoretische waarheid of ook wel op het praktisch spreken van de waarheid tegen eigen voordeel, belang of oneerlijke neiging in, maar het is zeker niet van toepassing op de "meest gangbare opvatting van waarheid", die alle normale mensen van nature hebben.
7. De zogenaamde objectieve waarheid
Laten we nu eens bijvoorbeeld de beroemd geworden definitie van Thomas van Aquino bekijken. Hij schreef eens dat waarheid "de overeenstemming van denken en zijn" is. Het rapport geeft van deze definitie een bepaalde interpretatie die geen recht doet aan de filosofische inzichten van Thomas op dit punt. Als Thomas het in het verband van deze uitspraak heeft over "denken" enerzijds en "zijn" anderzijds, dan heeft hij het bepaald niet, zoals het rapport suggereert, over de "meest gangbare opvatting van waarheid" zoals die bij vrijwel ieder volwassen mens leeft. Neen, hij geeft daarvan een theoretische interpretatie. Het zijnsbegrip bij Thomas is, ook in deze definitie, iets totaal anders dan het "naïeve" zijnsbegrip van de dagelijkse levenspraktijk.
Daarom moet Immanuel Kant ook niets hebben van deze waarheidsdefinitie, omdat hij een ander zijnsbegrip hanteerde en ook anders dan Thomas dacht over wat "denken" is. Dat hij er niet in slaagde geheel los te komen van Thomas' definitie, is een andere zaak.
Maar wat doet nu het rapport? Het gaat de filosofische definitie van Thomas interpreteren alsof het de taal van de gewone man is. Deze is echter niet gewend om over "het denken" als zodanig, en nog minder om over "het zijn" als zodanig te praten. Als hij die termen onder de druk van het onderwijs of van een journalistenwereld vol doctorandussen wel eens overneemt, dan bedoelt hij ze zeker niet in filosofische, metafysische zin, zoals Thomas.
Hij legt het heel simpel zo uit dat waarheid spreken is: eerlijk zeggen hoe iets is of was. In of achter dit waarheid spreken schuilt geen filosofisch waarheidsbegrip, en zeker niet de filosofie van Thomas, met zijn puur theoretische kloof tussen "het zijn" en "het denken". Ook spreekt de gewone man niet over het "zijn" van iets, als hij eenvoudig bedoelt dat iets er is of bestaat. Laat staan dat hij aan die term "zijn", als die al eens wordt overgenomen uit het spraakgebruik der geleerden of intellectuelen, ook nog een metafysische filosofische inhoud en betekenis zou hechten en bijv. zou onderscheiden tussen essentie en existentie.
En zo is het ook met de term "objectief". In het dagelijks spraakgebruik van onze moderne cultuur verwijst deze term naar de werkelijkheid, zonder zoals het rapport doet, direct die werkelijkheid filosofisch te interpreteren als "op zichzelf staand" of "buiten het menselijk bewustzijn" omgaand.
Die hele wijsgerige problematiek inzake de relatie tussen "zijn" en "bewust-zijn" kent de praktische levenservaring niet, ook niet als deze woorden wel eens overgenomen worden.
8. Waarheid is altijd relationeel
In het rapport wordt tegenover de zgn. objectieve en de zgn. subjectieve waarheid een "relationeel"
waarheidsbegrip geponeerd. Het meest verbazingwekkend vond ik dat dit als iets nieuws, als een verworvenheid van het moderne wijsgerig denken werd voorgesteld. Het rapport spreekt over de "objectieve waarheid" alsof iedereen die uitdrukking verstaat in eenzelfde wijsgerige, kennistheoretische betekenis die door bepaalde filosofen is gedefinieerd, en ook weer verschillend wordt uitgelegd.
Waarom wordt dat filosofische waarheidsbegrip van Thomas e.a. nu "objectief" genoemd, in tegenstelling tot relationeel? Is er ook bij Thomas geen duidelijke relatie in zijn filosofisch waarheidsbegrip?
Voorts, zit er ook in het "naïeve" (beter gezegd: het praktische) waarheidsbegrip van de algemeen menselijke ervaring geen relatie?
Kan men, in welke zin dan ook, ooit over waarheid spreken zonder dat het over een relatie gaat? Sluit niet elk waarheidsbegrip als zodanig reeds de relatie in tussen een 'werkelijkheid èn datgene wat er over gezegd of gedacht wordt? Er bestaat geen waarheidsbegrip dat niet relationeel is! Die relatie kan dan door filosofen nog zeer verschillend worden geduid, bijv. als projectie, of als adaequatio of als adaptatio, of als reflexie (weerspiegeling), maar dat is wat anders, nl. voer voor filosofen. In hun kennistheorie behoren zij een helder inzicht te ontwikkelen in de structuur, in de transcendentale bestaansvoorwaarden van de relaties a) tussen de mens en de waarheid die door de mens wordt gezegd of gedacht en b) tussen de waarheid en datgene waarop die waarheid betrekking heeft. Waarheid staat nl. altijd in deze twee relaties. Zij gaat uit van de mens en heeft betrekking op iets werkelijks (binnen of buiten de mens). Het is mij dan ook een levend raadsel hoe het rapport een zgn. objectieve waarheid kan stellen tegenover een relationele waarheid.
(wordt vervolgd)