Over de waarheid (3)
1981-08-14
In ons tweede artikel dat een maand geleden verscheen, was de hoofdgedachte dat wij in onze praktische levenservaring en in ons alledaagse spraakgebruik niet "onbewust" een of andere theorie over het waarheidsbegrip toepassen.- Jaargang 25
- nummer 28
Voorts: tegenover de bewering dat het "relationele waarheidsbegrip" een vondst van de moderne filosofie is, stelden we dat elk waarheidsbegrip altijd relationeel is en ook als zodanig werd onderkend, alleen al omdat de waarheid naar de ene kant in relatie staat met iets waarover het gaat en naar de andere kant in relatie staat met een mens die de waarheid onderkent en tot uitdrukking brengt.
Reeds door deze relaties, naar twee kanten toe (er is meer, maar daarover later), is elk praktisch en elk filosofisch waarheidsbegrip, zonder meer relationeel - ook al zijn er waarheidstheorieën die dit feit niet, of niet volledig recht kunnen doen.
9. Het waarheidsbegrip is niet los verkrijgbaar
In de derde paragraaf van Hoofdstuk 1 van het rapport, wordt tegenover het zgn. "objectieve waarheidsbegrip"
het "subjectieve waarheidsbegrip" geschetst. In deze uiterst globale, om niet te zeggen ruwe schets van twee tendenzen in de waarheidstheorieën, staat de objectieve theorie tegenover de subjectieve. Omdat we in deze artikelen "filosofische aantekeningen" willen maken, zullen we zowel kritisch als positief iets moeten zeggen over het filosofisch waarheidsbegrip, en daarbij niet, zoals het rapport doet, negeren hetgeen de christelijke "wijsbegeerte der wetsidee" in dezen te zeggen heeft. Dat betekent helaas ook dat het wat moeilijk gaat worden voor nietfilosofisch geschoolde lezers.
Er zijn inderdaad theorieën die onder waarheid iets verstaan dat men "objectief" pleegt te noemen.
Maar dan moet men, om die theorieën goed weer te geven en werkelijk duidelijk te maken, er wel bij zeggen dat hier maar niet een opvatting over het waarheidsbegrip als een los onderwerp in geding is.
Men kan niet op de wijze van een woordenboek even een paar definities van waarheid weergeven en dan denken dat dit zomaar duidelijk is. Elke wijsgerige waarheidsdefinitie impliceert een fundamentele filosofische werkelijkheidsbeschouwing.
Die is inbegrepen in het filosofische waarheidsbegrip, noodzakelijkerwijs en onvermijdelijk, zoals zij anderzijds buiten de praktische werkelijkheidservaring en levensbeschouwing met haar praktische waarheidsbegrip staat.
Wel kan de theoretische wijsbegeerte uiteraard met deze praktische levensvisie in een harmonische of tegenstrijdige verhouding staan, maar dit terzijde.
Het zgn. "objectieve waarheidsbegrip", dat door het rapport ten onrechte aan de "meest gangbare opvatting" in de mond wordt gelegd, heeft de werkelijkheid dualistisch in twee onderling verschillende en tegenover elkaar staande delen gesplitst: de mensen (subjecten) en het niet-menselijke, de objecten. Tussen beide staat de beroemde of beruchte "subjectobject-splitsing". De geschiedenis van de kennistheorie is een eeuwenlang verhaal over de verhouding tussen deze subjecten en objecten en over de pogingen deze kloof te overbruggen. Al deze pogingen zouden er op kunnen wijzen, dat men terdege besef heeft van de samenhang tussen "subjecten" en "objecten", en dat men alleen verschilt van opvatting over het hoe van deze samenhang.
Hoe echter de theoriëen over die samenhang ook mogen luiden, als regel bleven zij uitgaan van een oorspronkelijke tweeheid: subject en object, die elk "op zich" zouden bestaan, zij het dan in een of andere soort van relatie met elkaar.
Het subject is dan de mens, meestal in de kennistheorie nog versmald tot de menselijke geest of zelfs één functie daarvan ("intellectus") en het object is dan een zaak ("res"). Waarheid is dan de overeenstemming (of aanpassing) tussen "denken" en "zijn", waarbij ook andere woordparen gebruikt worden: verstand en zaak, zijn en bewustzijn, kennis en stand van zaken, e.d. Dit alles zeer kort samengevat in de zgn. adaequatioformule: "waarheid is de overeenstemming tussen denken en werkelijkheid" (adequatio of adaptatio intellectus et rei). Daarbij blijft dan voorshands nog in het midden of het denken zich dan aangepast heeft aan de zaken, dan wel of de zaken aangepast zijn aan het intellect.
Het is een denkwijze - en dat blijkt uit de toelichtingen en uitwerkingen van deze definitie - die over de gehele linie samenhangt met een dualistische werkelijkheidsbeschouwing in het schema van geest en stof, natuur en geschiedenis, drift en rede, vrijheid en gedetermineerdheid, en dergelijke meer.
10. Overbrugging van de subject-object-kloof
Ook in onze tijd probeert de "moderne" wijsbegeerte deze kloof te overbruggen, op velerlei wijze.
Als een betrekkelijk willekeurige illustratie daarvan citeer ik iets uit het grote werk van Walter Schulz "Philosophie in der veränderten Welt" (1972/1980, blz. 841). Hij geeft in een slotbeschouwing rekenschap van wat hij in al zijn uiteenzettingen bedoeld heeft: "Het ging ons erom een nieuw werkelijkheidsbegrip te ontwikkelen en dat uiteen te zetten als bindend voor ons.
Werkelijkheid is, zo werd (in het voorafgaande, A. T.) vaak geformuleerd, noch een gegeven object-wereld, noch berust zij op een schepping (Setzung) van het subject.
Werkelijkheid is veeleer een samenhang-in-gebeuren (Geschehenszusammenhang), waarin subject en object met elkaar vervlochten zijn op de wijze van een wederzijdse bepaling: het subject wordt evenzeer door het object bepaald, als het zelf dit laatste bepaalt. Dit gebeuren is een proces, waarvan het grondkenmerk de dialectiek is".
Of, met een citaat uit het Woord Vooraf: "Het gaat er ons om de structuren van een eigentijds werkelijkheidsbegrip te ontwikkelen en die uiteen te zetten als bindend voor ons: werkelijkheid is een dialectisch gebeuren dat evenzeer door de mens tot stand gebracht wordt als dat de mens zelf door dat gebeuren tot stand gebracht wordt" (blz. 10).
Een andere, tegenwoordig zeer veel voorkomende opvatting is dat subject en object in een universele, alles omvattende taal-samenhang begrepen zijn. Het zou nu te ver voeren deze idee nader uiteen te zetten. Wij concluderen dat het nadenken over wat waarheid is, hoe de geledingen en structuren van de waarheid er uit zien, niet anders kàn gebeuren dan in termen van de werkelijkheidsbeschouwing en van de visie op de geledingen en relaties binnen die werkelijkheid. We zeiden al in ons vorig artikel: alle waarheidsbegrippen, ook de filosofische, zijn altijd relationeel geweest.
Ook het zgn. objectieve waarheidsbegrip van de wijsgerige definities sedert de middeleeuwen was relationeel, in zover het ging over en bestond uit een bepaalde visie op de relatie tussen de kennende mens en het door hem gekende.
Men kan derhalve geen definitie of omschrijving geven van wat waarheid is, zonder een bredere ("kosmologische") werkelijkheidsbeschowing te hanteren.
11. De reformatorische wijsbegeerte en de zgn. subject-object-spleet
Beziet men nu de schets die het rapport geeft van de traditionele zgn. objectieve en subjectieve waarheidsbegrippen, dan wordt duidelijk dat beide tendenzen uitgaan van de "subject-object-spleet". Eveneens in de lijn van een reeds lange traditie probeert het rapport boven dit dualisme van subject en object uit te komen. De grote vraag is echter hoe? en: lukt dat zo? Het filosofisch antwoord op die vragen komt alleen vanuit een wijsgerige werkelijkheidsvisie, wordt daardoor geinspireerd en gedragen. Maar het rapport laat dat in het schemerdonker.
Onzerzijds zal gepoogd worden aan te tonen dat een nietchristelijke werkelijkheidsbeschouwing hier het zout in de pap is.
Het is nodig in dit verband nu reeds één der grondgedachten van de reformatorische wijsbegeerte aan te geven. Al het bestaande in de geschapen wereld is door Gods bevelend roepen tot aanzijn gekomen en bestaat op de wijze die Gods schepperswil bepaalde. Gods schepperswil is de levenswet voor het bestaande. In zijn voorzienig bestel handhaaft God die levenswet, doet Hij haar blijvend gelden.
Daarop doelen de zgn. "structuren" van de scheppingsorde. Alles is aan die goddelijke orde onderworpen, hetgeen ook de letterlijke betekenis is van sub-ject. In deze zin is al het bestaande subjectief, d.w.z. onderworpen aan eigen bestaans- en levenswet, zoals die verankerd is in de goddelijke scheppingsorde voor de kosmos. Ook de objecten zijn in die zin subjectief.
De eerste kritiek die reeds vanuit deze christelijke grondgedachte op de gehele traditionele wijsbegeerte moet worden uitgeoefend, is deze dat bij alle pogingen, vooral in de kennistheorie, om de relatie tussen subject en object nader te bepalen, men de wet Gods buiten" beschouwing laat. Zelfs als de zgn. realistische of objectieve beschouwingen zeggen dat het object als een wet geldt voor het (kennend) subject, als richtsnoer of norm, dan is dat nog geheel subjectivistisch gedacht.
Ken-objecten zijn nl. geen" wetten voor de ken-activiteiten van de mens, zoals het rapport suggereert (10, 11), maar zij zijn zelf "onder de wet", zij fungeren aan de subjectszijde, zoals de reformatorische wijsbegeerte het uitdrukt. Wel fungeren zij anders dan de kennende mens, nl. in een objectfunctie. Dit echter in onverbrekelijke relatie met subjectsfuncties van de mens, bijv. als kenobject tegenover de subjectieve kenfunctie (ken-activiteit) van mens of dier. In de verwerving van de kennis (waarheid) omtrent het object," voorzover het kenbaar, d.w.z. kenobject is (en dat is slechts één aspect van de dingen!), is de mens in deze activiteit (!) altijd onderworpen aan de specifieke wetten die voor dit soort activiteiten gelden: de logische ken- en denkwetten.
Laat men de wet Gods buiten beschouwing, negeert men filosofisch uitgedrukt de "wetszijde" van de werkelijkheid, dan blijft de gehele problematiek subjectivistisch opgesloten binnen de verhouding van subject en object. Dan wordt het ten aanzien van de door niemand betwistte relatie daartussen een touwtrekken tussen de theoretici die meer het subject (beperkt tot een of twee menselijke subjectsfuncties) het object laten maken of bepalen, en hen die meer het omgekeerde laten doen. Binnen deze traditionele kooi van het humanistisch subjectivisme, blijft ook het betoog in hoofdstuk I van het rapport geheel bevangen.
(wordt vervolgd)