De verzoeking in de woestijn (1)

1981-08-14
  • Jaargang 25
  • nummer 28
Jezus heeft in de woestijn niet getwijfeld toen Hij de satan ontmoette.
Hij bleef standvastig toen de satan Hem verzocht, probeerde Hem tot zonde te brengen. Hij keek dwars door de bedoelingen van de duivel heen en stelde tegenover het satanische bijbelmisbruik het rechte gebruik van Gods woorden.
Dat kón Hij, want Hij was vol van de heilige Geest.
Ik wil aan het slot van dit weekend nog op enkele punten uit die bekende geschiedenis van de verzoeking in de woestijn wijzen.

Verzoeking en beproeving
Is het eigenlijk niet vreemd dat God Zelf Zijn Zoon de woestijn inzendt?
Zo staat het toch duidelijk in de bijbel. God brengt Zijn Zoon in de woestijn om verzocht te worden.
Kán dat wel, is dat eigenlijk niet duivels? Waarom doet God dat?
Jakobus schrijft in zijn brief (1:13): 'Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking. Maar zo iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte'.
God verzoekt niemand, maar waarom doet Hij dit dan Zijn Zoon wél? Van die Zoon geldt toch niet wat Jakobus schrijft, dat als een mens wordt verzocht, dit voortkomt uit eigen begeerte. Jezus was immers niet alleen de geliefde, maar ook de zondeloze Zoon van God. Hij was God die de mens in alles gelijk werd, behalve in het zondige.
De bijbel geeft op deze vragen wel een antwoord. Jezus gaat na Zijn doop de weg op van de schuldaflossing, de weg van het lijden, de weg van de beproeving.
Satan wil op deze weg \Jezus verzoeken, hem losmaken van het goede en brengen tot het kwade.
God wil door dit alles heen Zijn Zoon brengen tot het goede, Hem beproeven of Hij werkelijk bereid is om de wil van de Vader te doen.
Het moet blijken dat Jezus inderdaad bereid is Zijn eigen begeerte te verzaken en alleen Gods wil te doen. Satan verzoekt, God beproeft. En Jezus weet wat Paulus later schrijft aan de gemeente van Corinthe (1 Cor. 10: 13): 'Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij er tegen bestand zijt’ .
Dit geldt ook voor Jezus.
Hij doorstaat de verzoeking, opdat wij zó nooit meer verzocht zouden worden. Maar blijft er bij, Hij blijft aanwezig, want de mens in de woestijn blijft Zijn geliefde Zoon.
Jezus wordt geleid in de woestijn en gaat daarmee de weg van het volk Israël. Hij is er veertig dagen zoals het verbondsvolk er veertig jaren was. Hij begeeft Zich in de onbewoonbaarheid teneinde later voor de Zijnen een woning te kunnen bereiden bij de Vader.
Hij komt in een gebied waar eigenlijk geen mens kan vertoeven, waar de eenzaamheid onmenselijk is.
Deze gang naar de woestijn houdt op zichzelf al een beproeving in.

Jezus en satan
In die woestijn waar geen mens wil zijn, is echter wel de satan.
Hij ontpopt zich als de tegenstander van Jezus.
In 1 Samuël 29 wordt ons een stuk geschiedenis verteld uit de strijd tussen Saul en David.
David is op een gegeven moment bij de filistijnen terecht gekomen en heeft zich bij hen aangesloten.
Als de filistijnen dan van plan zijn om het leger van Saul aan te vallen en alle troepen, waaronder ook David en zijn soldaten, worden gecontroleerd, dan komen er bezwaren tegen het meevechten van David, hij is immers niet van hen en dan staat er in vers 4: 'Zend die man (David) heen, laat hij teruggaan naar de plaats die gij hem aangewezen hebt en niet met ons ten strijde trekken, opdat hij geen tegenstander van ons warde'. In het hebreeuws staat dan voor tegenstander het woord satan.
Satan is een tegenstander. Hij staat tegenover God en in de woestijn stelt hij zich op tegenover Jezus.
Satan is iemand die hindernissen opwerpt, iemand die uit elkaar haalt, uit elkaar drijft wat eigenlijk bij elkaar hoort. Hij komt naar Jezus om een wig te drijven tussen God en de geliefde Zoon. Hij heeft de stem aan de Jordaan gehoord en weet van wie die stem uit de hemel was. Hij heeft goed geluisterd en zegt dan als het ware: als je dan Gods Zoon bent zoals ik dat zojuist heb gehoord, laat dat dan maar eens zien, toon het dan maar eens, maak dat dan maar eens waar.
Satan ontkent niet dat Jezus Gods Zoon is, hij doet niets aan Gods woorden af, hij vraagt echter wel om bewijs. En zo probeert de satan de Zoon bij de Vader vandaan te halen. Hij wil een breuk tussen God in de hemel en de Zoon op aarde.
Satan wil het bewijs in de vorm van machtsvertoon, hij wil van Jezus een wonderdoener maken: maak van stenen brood, laat engelen komen om je te helpen.
Jezus weigert ondanks de honger, Hij wil niet eten zonder vergunning.
Hij gaat niet de weg van de macht maar van de onmacht, Hij gaat niet de weg van de machthebber maar van de nederige. Hij blijft Zijn weg zien als een weg van dienstbaarheid. Zei Jesaja niet dat Hij de lijdende knecht van de Heer zou zijn? Jezus kiest in de woestijn bewust voor de weg van Gods welbehagen in mensen waarover de engelen in de kerstnacht hebben gezongen, Hij gaat de weg van de meeste weerstand in plaats van die van de minste weerstand. Zó alleen kan Hij de duivel te sterk zijn. Zó alleen kan Hij bewijzen Zoon van God te zijn.
Zó alleen kan Hij ook bewijzen echt mens te zijn, echt vlees te zijn geworden.
Het moet voor Jezus een pijnlijke ervaring zijn geweest dat Hij moet geloven dat Hij de Zoon van God is terwijl Hij de duivel voor Zich ziet. Maar Hij brengt het op.
Hij gaat niet in op satan's verzoeking Zich waar te maken, Zichzelf te bewijzen. Geloven ná te hebben gezien, ná het verkrijgen van een bewijs, is geen geloof. Geloven zónder te zien, zonder bewijs, dat vraagt God.

Slotwoord bijbelstudieweekends GLJC 1980

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief