Een vertaling...
1982-02-12
In 1980 verscheen bij de uitgeverij Van den Berg te Rotterdam een vertaling van het boek van Lic. Hermann Klugkist Hesse over Hermann Friedrich Kohlbrügge. Het oorspronkelijke Duitse boek was verschenen in 1935. Het is merkwaardig genoeg in een land waar een vereniging van vrienden van Kohlbrügge, dat dit boek niet eerder vertaald is. Het is een goede zaak.- Jaargang 26
- nummer 6
Want veel pogingen tot een volledig overzicht van persoon en werk van Kohlbrügge zijn er niet gedaan. In het Nederlands is het beste de dissertatie van dr J. van Lonkhuijzen over Kohlbrügge uit het jaar 1905. Dat boek heeft nogal wat bestrijding gevonden juist van de zijde van de vrienden van Kohlbrügge. Maar die hebben zelf niet een gelijkwaardige tegenhanger geproduceerd in het Nederlands. Daarom is het bepaald een aanwinst deze vertaling van het boek van Klugkist Hesse. De vertaler is ds J. van der Haar uit Houten. Toch roept deze vertaling ook wel wat vragen op, die de vertaler raken, die Kohlbrügge raken en die christenen raken die gereformeerd wensen te zijn en daarbij welbewust behoren bij een afgescheiden kerk.
Bevindelijk
De uitgave is goed. Maar te vaak klinkt de stem van de vertaler erin door. Zo sterk soms dat ik bij herlezing van deze vertaling toch maar weer naar het oorspronkelijke Duitse boek heb teruggegrepen omdat ik dacht "maar dat kan de bedoeling niet zijn geweest van de schrijver".
De vertaler heeft noten toegevoegd. Soms in de tekst. Soms onderaan de bladzijde, maar het is niet altijd duidelijk of het een noot is van de schrijver of van de vertaler. Dat is niet zo erg als je de duitse uitgave bij de hand hebt, maar het is storend als je die niet ter beschikking hebt. Enkele voorbeelden.
Op bladzijde 26 van de Nederlandse uitgave staat dat Kohlbrügge's vader in zorg over zijn zaken hardop zong in het Duitse "Beveel gerust uw wegen". Dan staat er een noot bij, die van de vertaler is - maar dat staat er niet bij - die zo luidt: "In het Duits 'Befiehl du deine Wege und was dein Herze kränkt, der allertreusten Plege..." Men bedenke, dat de Kohlbrügge's van huis uit Luthers waren: het oude kerklied is van Hans Leo Hassler (1564-1612)". Je vraagt je af: moet Kohlbrügge verontschuldigd worden omdat hij gezangen zong in zijn jeugd en ook in zijn gemeente? Kohlbrügge wordt in het woord vooraf van de vertaler voorgesteld als een Geestesgezalfde bevindelijke prediker. En juist de 'bevindelijke' kringen in Nederland zingen geen gezangen. Vreest ds Van der Haar dat in zijn kringen daarom Kohlbrügge al veroordeeld zal worden? Zo niet, wat is dan de zin van de noot, waarin ons verteld wordt dat we vooral moeten bedenken dat Kohlbrügge van huis uit Luthers is. Een feit dat in het boek van Klugkist Hesse natuurlijk nadrukkelijk aan de orde komt, omdat Kohlbrügge overgegaan is van de Lutherse belijdenis naar de Gereformeerde en omdat men Kohlbrügge in het Hersteld Lutherse kerk van Amsterdam geweigerd had als dominee. Ik vermoed dat we aan dezelfde 'bevindelijke' kringen moeten denken als op bladzijde 376 meegedeeld wordt dat bij de begrafenis van Kohlbrügge Psalm 116 gezongen is en dat er dan in een noot bij staat "Ook bij de begrafenis van wijlen ds I. Kievit te Baarn hebben we achter de baar uit Psalm 116 gezongen; een koningskind werd begraven". Daar staat wèl bij dat het een noot van de vertaler is. Maar welke zin heeft deze mededeling in een boek over Kohlbrügge? Geen enkele. Ik heb geen enkele reden iets ten nadele van ds Kievit te zeggen. Maar het past niet in een boek van deze aard. Hoe ver reikt het recht van een vertaler toevoegingen te doen?
Wedergeboorte
Soms heeft de vertaler kennelijk een andere mening dan de schrijver. Dat mag uiteraard. Maar in een enkel geval beslist ook een andere mening dan Kohlbrügge, ja een mening waarvan Kohlbrügge gegruwd zou hebben. Veel verschillen rond de leer van Kohlbrügge raken de vraag over de verhouding tussen de rechtvaardiging en de heiliging. In een noot op de bladzijden 244 en 245 van de vertaler staat dit "Onze vaderen hebben klaar en duidelijk onderscheid gemaakt tussen rechtvaardigen heiligmaking; de eerste heet een richterlijke daad Gods, ze is forensisch; de andere betreft het proces van de bekering. Wedergeboorte, als instorting van het nieuwe leven, staat werkelijk in verband met de rechtvaardiging. Bij de volwassenen gaat m.i. de wedergeboorte aan de rechtvaardiging vooraf. Niet een dode, maar een in beginsel levendgemaakte zondaar leert zich schuldenaar kennen voor God. En het wonderlijke is, hij blijft zich als zodanig kennen, tot de laatste doodsnik toe". De noot gaat nog iets verder, maar ik geef zo het wezenlijke wel weer. Maar wat zegt Klugkist Hesse nu over deze zaak? Die zegt: Hèt kenmerk van de prediking in de school van Schleiermacher en hèt kenmerk van de prediking in de kring van de "gewekten" is dat men de eigen belevenissen, namelijk de vrome belevenissen en ervaringen, die door Gods Woord gewekt worden voor de gemeente uitbreidt, "in plaats van ernst te maken met het Woord des Heren: alle vlees is gras!" Kohlbrügge "preekt niet zich zelf, maar hij wil werkelijk het Woord van God aan het woord laten komen". Blz. 337/338. Kohlbrügge die juist ook in de vrome mens niets wist te vinden, die leerde dat de heiliging geen eis is aan de zondaar maar een belofte van God die aangegrepen moet worden, zou zich in de mening van de vertaler niet kunnen vinden. En de schrijver van het boek ook niet. Drs J. van Heyst schrijft in een verzamelbundel van studies over Kohlbrügge, uitgegeven onder redactie van ds W. Aalders en ds D. van Heyst op blz. 183 precies het tegenovergestelde van ds Van der Haar.
Drs Van Heyst zegt en m.i. terecht dat het Réveil waaruit Kohlbrügge stamde naast veel goeds ook negatieve kanten heeft. "Een innige, in intieme kring beleefde vroomheid bracht een sterke accentuering van het eigen ik en van de eigen groep met zich en daarmee een onderwaardering voor de kerk en haar ambten. Separatistische neigingen vielen overal te constateren. De wedergeboorte dreigde telkens' een op zichzelf staand leerstuk te worden.
Op uitverkiezing en bevinding viel een bijzondere nadruk". En dan..." Het geniale van Kohlbrügge nu is geweest, dat hij al deze negatieve elementen in Réveil en Afscheiding (maar ook daarbuiten in overvloed aanwezig!) onder één noemer heeft gebracht: de begeerte iets voor God te willen zijn, de lust zelf iets te doen..." Bevinding is een goede zaak. Ieder kind van God heeft er weet van. Maar Kohlbrügge een bevindelijk prediker te noemen is onjuist.
Hij toch leerde juist dat als je bij je zelf niets meer bevond dat je dan daar was waar een zondaar zijn moest: aan de voeten van het kruis. Niet roemende in wedergeboorte of wat dan ook. Klugkist Hesse zegt terecht dat Kuyper leerde de rechtvaardiging van de verkorene en Kohlbrügge, gehoorzaam aan de Schrift, de rechtvaardiging van de goddeloze." Wie heeft, zoals hij! de genade geprezen, welke niet de uitverkorene (vgl. Abraham Kuyper), maar de goddeloze rechtvaardigt?
Wie heeft, zoals hij!, de verlorene, de zwaarmoedige kunnen doen weten, dat hij niet verloren is?" (blz. 237, 238). Kohlbrügge leerde ook niet de rechtvaardiging van de in beginsel levend gemaakte door de wedergeboorte. In dat gedachteklimaat ben je dichter bij Kuyper dan bij Kohlbrügge. Bestaat heel onze wedergeboorte niet daarin dat we alles van Christus alleen verwachten en ophouden iets in ons zelf te zoeken? Kohlbrügge geeft deze omschrijving van de wedergeboorte: "dat men uit de Wet en haar werkingssfeer door God, de Heilige Geest overgezet wordt in het geloof, dat de Here Jezus omhelst als zijn enige Leraar, Koning, Hogepriester, Wetgever en Zaligmaker, waardoor men zijn zaligheid niet meer verwacht van de werken der gerechtigheid die wij gedaan zouden kunnen hebben, maar van de grote barmhartigheid van onze God en Zaligmaker".
Kohlbrügge schrijft dit in een verklaring van Johannes 3 : 3. Zo is dan wie in Christus Jezus is een nieuwe schepping. Kohlbrügge's leerling en schoonzoon, prof. dr E. Böhl heeft een boek het licht laten zien over de rechtvaardiging in 1890, waarin hij zich keert tegen een ieder die in plaats van een toegerekende gerechtigheid spreekt van een ingegoten gerechtigheid. Dat is een terugkeer tot achter de reformatie.
Dat is al begonnen bij Osiander en Böhl ziet daarin een wortel van veel kwaad. Hij is daarin een echte leerling van Kohlbrügge.
Afscheiding
Ds Van der Haar heeft een intense afkeer van de Afscheiding. Hij meent daarin aan de zijde van Kohlbrügge te staan, die trouwens ook door de vrienden steeds voorgesteld wordt als iemand die van separatisme niets moest hebben. Nu geloof ik dat laatste ook. En iedereen die de HERE kent heeft een afkeer van seperatisme. Kohlbrügge heeft zich inderdaad tegen de Afscheiding gekeerd, maar alle water van de zee wast niet weg dat Kohlbrügge zelf voorganger werd in een afgescheiden gemeente. Klugkist Hesse steekt dat ook niet onder stoelen en banken.
Hij weet er ook niet zo goed weg mee. De tegenspraak in Kohlbrügge's woorden en daden is overigens niet zo moeilijk te verstaan. Kohlbrügge begeeft zich pas eerst goed op de weg van de afscheiding in Duitsland als hij daarvoor toestemming heeft van de koning van Pruisen. Hendrik de Cock had geen toestemming van de koning. Integendeel. En gezien de opvattingen van Kohlbrügge - daarin leerling van Bilderdijk - over het drievoudig snoer "Kerk-Nederland-Oranje" is het duidelijk dat hij er niet over dacht tegen de wil van de koning in te gaan. Klugkist Hesse citeert uit een brief van Kohlbrügge, waarin hij zegt "Ik ben ontzettend tegen afscheiding, en ik hoop evenzeer dat ze spoedig zal komen, opdat de ongedoopte kinderen van mijn vrienden hier vrij gedoopt kunnen worden". Als men steeds weer poogt deze handeling van Kohlbrügge toch uit te leggen als niet afscheiden is me dat wel, maar het maakt wel een merkwaardige indruk. Kohlbrügge heeft dezelfde pretentie gehad als de Afgescheidenen en Dolerenden in Nederland: zijn gemeente was de oude gereformeerde kerk. Op de catechisatie vertelde hij van de geschiedenis van de gemeente "om dan met een vraag te besluiten, of dus een nieuwe gemeente gesticht werd, of dat het de oude Gereformeerde (nog) was. En de kinderen moesten antwoorden: Het was de oude."
Kohlbrügge is er mij niet minder om dat zijn woorden en daden niet geheel kloppen. Maar wat de vertaler als noten toevoegt inzake de Afscheiding getuigt van een afkeer van gescheidenen die met de term onvriendelijk heel zacht getypeerd is. In een onvriendelijkheid schrijft hij over afgescheidenen die in het oorspronkelijke boek bij de auteur niet te vinden is. Weer in een noot (niet van de auteur, maar van de vertaler, zonder dat het erbij staat) staat "natuurlijk" op blz. 173 te lezen dat Hendrik de Cock wel aanleiding gegeven dat de hevormde kerk hem uitwierp omdat hij, tegen de kerkelijke voorschriften in, kinderen uit naburige gemeenten doopte. Maar was het dan wel in overeenstemming met de voorschriften dat de vrijzinnigheid zich breed mocht maken? En: gelden menselijke voorschriften boven Gods Woord? Juist het feit dat Kohlbrügge later dezelfde weg opging als De Cock, hoewel hij dat niet wilde, zou wel tot een beetje matiging in het beoordelen van een bevindelijk prediker als De Cock was moeten leiden. De verwaten afkeer van afgescheidenen bij ds Van der Haar wordt wellicht wel het duidelijkst in een noot op blz. 176. Weer van de vertaler. Zonder dat het erbij staat.
Kohlbrügge schrijft aan De Cock dat hij langs wettige weg beroepen is. En dat daarom niemand hem kan afzetten. Alleen God. En dan komt de noot met de kritiek èn op Klugkist Hesse èn op Kohlbrügge. "Op dit punt hadden èn De Cock èn Kohlbrügge wel eens mogen bedenken, dat ook De Cock als jong predikant de vrijzinnige leer verkondigd heeft. Zulks te bedenken, had tot ootmoed kunnen dienen. En bijna anderhalve eeuw na de Afscheiding en bijna een eeuw na de Doleantie.
In de Hervormde Kerk is nog een bevindelijke, rechtzinnige prediking te beluisteren. De scholastiek heerst oppermachtig bij 'de gereformeerden', en in onze tijd is er grote samenwerking met Rome, vervlakking tegenover de Middenorthodoxen, ja er zijn tal van vrijzinnige tendenzen bij leidinggevende personen te merken". Het verwijt aan De Cock dat eigen verleden tot meer geduld en ootmoed had moeten leiden is een kwalijke aanval en bepaald onzinnig. Had Paulus geduld moeten oefenen met het Farizeïsme en met het Judaïsme omdat hij vroeger zelf een Farizeeër was? Mocht Luther doen wat hij deed? Had ook hij dan niet geduld moeten hebben omdat ook hij echt rooms geweest was? En had Augustinus maar moeten zwijgen omdat hij eerst zo'n vreemd leven leidde? De vragen stellen is het antwoord weten. Heel kwalijk is op bladzijde 99 een vraagteken. Daar staat dat Kohlbrügge geen verachting wilde strooien "tegen degenen, die in naam van de regering (?) met de algemene en bijzondere regeling van de kerkelijke zaken toevertrouwd zijn." In het oorspronkelijk is het vraagteken een uitroepteken (blz. 105 Duitse uitgave). Er staat niet bij dat ds Van der Haar dat veranderd heeft. Dat is al erg. Maar erger is nog dat nu eenmaal niet te ontkennen is dat de Hervormde Kerk toen ze Kohlbrügge weigerde een bestuur had onder koninklijk toezicht. Juist om Kohlbrügge te begrijpen in zijn houding moet dat element van eerbied voor de koning er steeds bij. Hoe merkwaardig dat nu voor afgescheidenen ook klinkt.
Afval
Het is jammer dat ds Van der Haar zich zo te buiten gaat in noten. Want hij is denk ik wel iets op het spoor als hij stelt dat de nazaten van veel Afgescheidenen en Dolerenden nu in heel kwalijk vaarwater zijn terecht gekomen. Ik vermoed dat dr W. Aalders gelijk heeft als hij het zoekt in het chiliastische bij Kuyper, die daarin erfgenaam was van Da Costa. Ik citeer uit Aalders' artikel over Kohlbrügge en het Neo-Calvinisme". "Wat is nu eigenlijk het gevaar van elk chiliastisch drijven? Het is in wezen het verabsoluteren van wat slechts betrekkelijke, voorlopige, tijdelijke waarde heeft. Het kwalijke van elk chiliasme is dat het datgene wat slechts "handgeld, onderpand, kennen ten dele is, tot volstrekte waarheid proclameert; dat het datgene "wat ons bovendien geschonken wordt" (Matth. 6 : 33), tot een laatste waarde maakt. Chiliasme voert dus automatisch tot secularisatie omdat het het goddelijke verwereldlijkt en het eeuwige vertijdelijkt. En dat is het nu, wat zich dan ook als een geestelijke drama voltrokken heeft in de Gereformeerde Kerken, de Vrije Universiteit, en de Anti-Revolutionaire partij". Dat is dieper en beter dan de rancune van ds Van der Haar, die tot niets leidt en die ook onbillijk is tegenover b.v. de Christelijke Gereformeerde Kerken, die deze doperse ontwikkeling bij Kuyper niet mee hebben gemaakt en die daarom voor veel gevaren bewaard zijn gebleven. En: zijn daar geen 'bevindelijke' predikers meer? Het is goed dat het boek van Klugkist Hesse vertaald is. Nu ja, vertaald. Alles wat ik stelde is niet met de bedoeling af te raden het boek te lezen. Integendeel. Het is een goed verboek.
Trekt U zich van de noten niets aan en lees. Het geeft inzicht in veel van wat ons nu bezig houdt.
En de dolerende! ds H. Hoekstra, door Aalders met sympathie geciteerd heeft gelijk…" Het ware dunkt mij, goed als Kohlbrügge méér bij onze gereformeerde predikanten bekend ware..." Dat was Hoekstra's opinie in 1887. Dat oordeel is nu nog geldend. Willem de Clercq heeft eens gehoopt dat Kohlbrügge een brug zou kunnen slaan tussen de meer lijdelijke groep van het Réveil en de meer reformatorisch gezinden. Dat is dunkt me nog mogelijk. Maar dan moeten we wel eerlijk met Kohlbrügge omgaan.