Werken aan Gods woning

1982-02-12
  • Jaargang 26
  • nummer 6
De terminologie van een "ongeschoold" christen zet ons soms voor vragen, die alleen vanuit de Bijbel kunnen worden beantwoord. Niemand zegt, dat Etty Hillesum haar privé dagboek in vlekkeloze Bijbel- en catechismustaal had moeten opstellen; bijvoorbeeld met gebruik van de trits: ellende, verlossing, dankbaarheid. Maar wie haar overleggingen liefdevol aanhoort, herkent de stem van de medechristen; soms nog dwalend, soms verrassend wijs en vergevorderd. En altijd rijp voor de eeuwigheid, waar ze voor stond.

Zo is er een duidelijke en snelle ontwikkeling te zien in haar verhouding tot God de Heere.
Via een novelle "Het meisje, dat niet knielen kon", begrijpt ze zichzelf. Ze vraagt haar leermeester, of die wel eens bidt; en na een bevestigend antwoord: wát dan wel? Maar hij is schuchter en antwoordt: dat kan ik u nu nog niet vertellen. En een oudere vriendin, een jonge christenvrouw, zegt openhartig: ik kniel gewoon ergens neer en vraag God, wat ik doen moet.
Deze beide vrienden brengen haar op weg tot God.

Aanvankelijk zoekt ze God In zich, diep in haar hart. Ze "houdt dialogen met dat allerdiepste in mij, dat ik gemakshalve God noem". Bidden met de ogen naar de hemel (zoals haar vaderen deden) duidt er op, dat men God buiten zich zoekt. Bidden met gesloten ogen en het hoofd in de handen doet God In ons vermoeden, 45. Ze zegt: "ik rust in mijzelf" - maar ze blijkt die rust in God te vinden! En dan die dialogen:

"Het leven is zo waard geleefd te worden God, je bent toch wel een beetje bij me?", 52.
Als ze haar vriendin vraagt: had je nooit willen trouwen? antwoordt deze eenvoudig: God heeft me nooit een man gestuurd. Ook dat is een bijdrage aan haar welzijn: niet háár beslissing, maar Gods leiding moet het doen; zonder dat ze passief wordt. Toch blijft ze nog "goed luisteren naar haar oerbron, laat zich niet verwarren door mensen", 54.

Ze spreekt van "God onderdak geven". Dat lijkt nogal autonoom maar het klopt wel met Gods wens van: een woning bij ons maken. Tot een "stille Stunde" en tot regelmatig Bijbellezen komt ze aanvankelijk nog niet; daartoe is ze nog te onrustig. Maar wel wordt haar natuurlijke leven aangetast door een vergeestelijkingsproces, 53. Ze leest Augustinus, Rilke, Dostojewski en de Evangelisten en "verkeert in heel erg goed gezelschap", 90. Haar geloven "aan" God maakt plaats voor een geloof "in"
God. En God is ons geen verantwoording schuldig, maar wij Hem, 105. Ze gelooft in God, "ook als de luizen me binnenkort hebben opgevreten in Polen", 107. Een paar psalmen op de vroege morgen, die men in zijn leven een plaats weet te geven, noemt ze goede spijze op de nuchtere maag, 117.

"En als God mij niet verder helpt dan zal ik God wel helpen", zegt ze in een erg persoonlijke exegese van haar mede-arbeiderschap (127) en vertrouwen dat ik, ook wanneer het me slecht gaat,dit leven nog aanvaard en goed vind". "Ik ga er van uit God zo veel mogelijk te helpen, dan ben ik er voor anderen ook", 128.

Zo leert het meisje, dat niet knielen kon, bidden. "Mijn wezen is bezig zich te veranderen tot een groot gebed", 119, 126. "Ik voel me alleen in Gods armen", 130. In haar "zondagochtendgebed" (131): "een stukje van jou in onszelf, God. Ik roep je niet ter verantwoording, 132.
"Ergens in mij bloeit de (nu dode) jasmijn verder en verspreidt haar geuren rondom de woning, waarin jij huist, mijn God", 132. "Ik zal je alle bloemen brengen, die ik op mijn wegen tegenkom en werkelijk, dat zijn er vele", 133.
"En als je begonnen bent met God te wandelen, ja dan wandel je maar door, het hele leven is één uit wandelen gaan", 134. (Wie denkt hier niet aan Henoch ?)

Het aanspreken van onze Vader met "jou" klinkt de Calvinist vreemd in de oren. Wij hebben (in dit blad) al eens uiteengezet: dat in ons land de vertrouwelijke jij-vorm door toevallige omstandigheden is weggevallen - terwijl die in Duitsland en Frankrijk en in het Fries bewaard is. Wij zullen hier even over heen moeten komen. De schrijfster bad nooit voor zichzelf (vond dat kinderachtig) maar altijd voor anderen. Want "als men voor iemand bidt stuurt men hem iets van zijn eigen krachten", 13. Ze acht zichzelf "Gods uitverkorene, omdat ze zoveel krachten krijgt, dat ze alles dragen kan", 138. Ze "heeft het nog zo fantastisch goed", 141. "Het gaat me zeer goed, mijn God", 142. Ze verbaast zich over die Joden, die "niet in hun klauwen willen vallen"; en meent dat we in niemands klauwen vallen, wanneer we in Gods armen rusten.

En zegt, onder de druk van de gruwelijkste omstandigheden: "dit is een tijd om in toepassing te brengen: hebt uw vijanden lief. Men moet toch geloven (= doen) dat zo iets mogelijk is?" 144. "Ik zal niet ingrijpen, maar vertrouwen. Ik zal jou je eigen raadsbesluiten laten, mijn God", 146. "Ik heb momenten, waarin ik me voel als een klein vogeltje, verborgen in een grote beschuttende hand", 146.

Als ze ziek ligt in het kamp te Westerbork schrijft ze: "Dat een klein mensenhart zo veel kan beleven, mijn God, zo veel kan lijden en zo veel kan liefhebben. Ik ben er je zo dankbaar voor, mijn God, dat je mijn hart hebt uitgekozen in deze tijd, om alles te ondergaan wat het heeft ondergaan", 150. "Ik heb de mensen zo verschrikkelijk lief, omdat ik in ieder mens een stuk van jou liefheb, mijn God. En ik zoek jou overal in de mensen en ik vind vaak een stuk van jou", 150. Ze jubelt "dat het goed en mooi is, in jouw wereld te leven, ondanks wat wij mensen elkaar aandoen", 152.

Van haar leermeester, die kort voor de oproep naar Westerbork is overleden, noteert ze dat deze "geträumt hat, dass Christus mich getauft hat"; een heerlijke openbaringsdroom van de man, die haar de weg tot God leerde. "Het allerdiepste en allerrijkste in mij, waarin ik rust, dat noem ik God", 155. "Er is zo'n volmaakt geluk in me, mijn God". "Ieder huis" (= mens) "zou men moeten maken tot een gewijde woning voor jou, mijn God", 157. "Veel mensen zijn nog hiërogliefen voor me, maar langzaam leer ik ze ontcijferen. Het is het mooiste wat ik ken: het leven bijeen te lezen uit de mensen. Ik dank je, mijn God, dat je me steeds beter leert lezen", 158.

Tussen haar dichters, schrijvers en bloemen heeft Etty het leven zo liefgehad, 161. "Men moet werken met de ontoereikende krachten die men heeft", 161. En leren "het zichzelf vergiffenis schenken voor fouten en misstappen.
Het kunnen aanvaarden, grootmoedig aanvaarden, dat men fouten maakt en misstappen begaat", 160.

Als het u duidelijk is geworden, dat dit kostbare boek veel vragen opwerpt, moet ook het hoofdstuk van de seks worden aangeroerd. De schrijfster heeft voor zichzelf (en niet voor ons) een aantal liefdesverhoudingen genoteerd. Ze achtte zich ongeschikt voor het huwelijk met slechts één man; ging in haar naastenliefde metterdaad met meerdere goede vrienden intiem om. Dat wordt niet nauwkeurig omschreven, laat staan in het platvloerse jargon van de moderne roman. Maar het zou niet juist zijn, haar aantekeningen over haar seksueel gedrag weg te laten, teneinde haar geestelijke groei beter in ons straatje te doen passen.

Inderdaad heeft de schrijfster een liefdesleven geleid, waarover ze niet enthousiast is. Maar als we trachten haar polygame liefde te verstaan, moeten we in rekening brengen dat ze niet christelijk, zelfs niet Joods-traditioneel, is opgevoed; en dat ze in een tijd leefde, waarin voor de meeste mensen in het heimelijke alles geoorloofd was, wat voor de meeste mensen vandaag openlijk aanvaardbaar is. Wanneer al tien, twintig jaar geleden enquêtoir werd vastgesteld, dat geen vijf procent van de Haagse meisjes als maagd het huwelijk in ging (en dat werd vastgesteld) dan moeten we maar niet al te snel de staf over Hetty breken. Want vijf procent was niet voldoende om alle gereformeerde meisjes uit te zonderen.

Laten we liever elk bedenken wat er binnen of buiten ons huwelijk verkeerd ging. En als we in dat zelfonderzoek mochten blijven steken: bedenken wat de Heiland zei tegen een vrouw, die in zonde gegrepen was; resp. tegen een buitenechtelijke Samaritaan se vrouw. Haar is veel vergeven!

We menen de schrijfster recht te doen met haar latere aantekeningen over dit onderwerp door te geven. "Al die avonturen en verhoudingen hebben me ongelukkig gemaakt", 22. "Vervloekte erotiek", 30. "Het is moeilijk, met God en je onderlichaam beide op goede voet te staan", 37. "De vrouw zoekt de concreetheid van het lichaam, niet de abstractheid van de geest", 42. "God heeft me nooit een man gestuurd", 53. "Mijn hart is heel wild, maar nooit voor één mens, voor alle mensen", 55. "Vergaan aan een mens is over - misschien blijft een "vergeben" aan God", 73. Haar vriendin "zoent als een bakvis - maar tegenover God is ze rijp en zeker", 74. "In omhelzingen kun je geen gevoelens uitdrukken, juist in zijn armen ontglipt hij me", 79.

"Het enige menswaardige gebeuren dat ons is overgebleven: het knielen voor God", 141.
"Zou men op de duur gaan leren: dat de liefde tot de mens zoveel meer gelukbrengend en vruchtdragend is dan de liefde tot de (andere) sekse?" 180. "Twee gevouwen handen en een gebogen knie. Het is een gebaar, dat ons Joden niet is overgeleverd. Ik heb het moeizaam moeten leren. Het is mijn intiemste gebaar, intiemer dan ik heb in het samenzijn met een man", 181.

"Mijn God, ik ben je zo dankbaar, dat je me zo'n leven hebt willen geven", 182. "Je hebt me zo rijk gemaakt, mijn God, laat me ook met volle handen mogen uitdelen", 192. "Mijn leven is geworden tot een ononderbroken samenspraak met jou, mijn God", 192.

(slot volgt)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief