Gelijke behandeling (1)

1982-02-19
  • Jaargang 26
  • nummer 7
Laat ook ik nog maar een duit in het zakje doen bij de 'brede maatschappelijke discussie' over het voorontwerp van wet betreffende 'gelijke behandeling', welke het onderscheid maken op grond van geslacht, huwelijkse staat of gezinsverantwoordelijkheid en van homofilie bedoelt tegen te gaan. Weliswaar konden tot 1 februari 1982 open aanmerkingen aan de regering aangeboden worden - een termijn die nu verstreken is - maar de actualiteit van het onderwerp behoort daarmee beslist niet tot het verleden. Het is dan ook niet zozeer over de voorgenomen wet dat ik me hier wil uitspreken, maar meer over de maatschappelijke achtergrond daarvan.

Het beperkte vermogen van de wet
Ik wil beginnen met een meer algemene opmerking. Het valt me tegenwoordig op' dat naarmate het evangelie in onze samenleving dicht gaat, er een eigenaardig vertrouwen begint te groeien in wet en wetgeving. Voor dingen die alleen Gods Geest kan bewerken stelt men zijn verwachting op de wetten van de overhelen - alsof die aan het woord zijn in de machtige profetie van Jeremia: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven... (Jer. 31 : 31-34). Men zou toch moeten bedenken dat juist op het gebied van de zedelijkheidswetgeving de overheid terughoudend dient te zijn in het maken van voorschriften, juist omdat het haar aan de middelen ontbreekt om onder de mensen voor de hartsgesteldheid te zorgen die voor zulke voorschriften onontbeerlijk is. Wetten kunnen - zeker op het gebied van de zedelijkheid - slechts de uitwassen van het kwaad werkzaam verbieden en aldus zorgen voor een door grensstenen afgeperkte ruimte die dan vervolgens door iets anders dan door wetsgehoorzaamheid gevuld moet worden. Zo functioneert zelfs bij Mozes nog de wet, gezien het overwegende negatieve karakter van haar bepalingen: gij zult niet..., gij zult niet... Voor wat er dan wel 'zal', kan niet de wet maar alleen het evangelie onze Meester zijn. Alleen de liefde van God in Christus kan er voor zorgen dat wij blijmoedig het zachte juk van de naastenliefde op ons nemen, - ook als die naastenliefde grote offers van ons vraagt.
Een wet namelijk kan op gegeven moment wèl verhinderen dat men een homofiele onderwijzer ontslaat, maar niet dat 's nachts zijn ruiten gediggeld worden. En zo zal deze wet dan ook niet in staat zijn voor de betrokkenen een dragelijke leef- en werksituatie te scheppen. Dat is namelijk iets dat de wet niet vermag.

De samenleving onder de wet gebracht
Wij hebben het in de middeleeuwse kerk gezien dat toen het evangelie op slot ging, de boeken van het canonieke recht, zeg maar het kerkrecht, groeiden en groeiden. Luther heeft die boeken verbrand, samen met de bandreigingsbul van de paus. Ook de vaders van de Afscheiding botsten in hun dagen op tegen de reglementenbundel van de Hervormde Kerk. Overwoekering van het evangelie door de wet, dat zagen ze er in. En terecht!
Nu maken we hetzelfde verschijnsel mee in de maatschappij. Dat heeft twee oorzaken. In de eerste plaats de leegloop van de kerken. Degenen die weggingen hebben veel kerkelijke verwording en gedram meegenomen. Rechtzinnig, vrijzinnig, maar in ieder geval onzinnig. De andere oorzaak is het daarmee samenhangende feit dat we aan een totale verwarring tussen kerk en staat zijn prijsgegeven, waardoor bijvoorbeeld de Bergrede tot een blauwdruk voor politiek handelen wordt gemaakt en anderzijds in kerken voor de Swapo en dergelijke organisaties wordt gecollecteerd.
Nu weet niemand meer wat wet of wat evangelie is. En zo kan het dan gebeuren dat inzichten die aan het evangelie ontsprongen zijn met kracht van wet aan de samenleving worden opgelegd. Dat wil zeggen: buiten de liefelijkheid van het evangelie en buiten de vertroosting van de Heilige Geest om. o zeker, ik weet wel dat overtreding van de antidiscriminatiewet niet door de rechter gestraft zal worden; dat degenen die zich op dit stuk benadeeld voelen zich tot de 'Commissie voor gelijke behandeling' kunnen wenden en voor schade verhaal kunnen zoeken via de burgerlijke rechter. Daaruit spreekt m.i. nog een spoor van inzicht dat men met deze wet de wetgeving eigenlijk overvraagt. De eigenaardige uitzonderingsbepalingen wijzen daar ook op. Doch dit alles is tijdelijke franje die we aan een flauwe nawerking van het evangelie te danken hebben. Ze hangen samen met het feit dat we in een overgangstijd leven. Heel onze twintigste eeuw is zo'n overgangstijd; zij is het stilstaande tij tussen de eb van het christendom en de vloed van een totaal humanisme. Dat overgangskarakter van onze tijd blijkt ook hieruit dat wij bij allerlei wetten en bepalingen die ontstaan, aangespoord worden om toch te letten op de goede bedoelingen van degenen die ze maken. Maar wat als deze mensen met hun goede bedoelingen weg zijn? Dan is wat overblijft een wettische, gereglementeerde en verjuridiceerde samenleving waaruit de persoonlijke naastenliefde weg is. Daarom vrees ik dat deze wet het maatschappelijk klimaat nog weer een stukje killer zal maken dan het toch al is. De wettische verstarring van een verworden kerk gaat zich aan de hele samenleving meedelen: steeds meer wetten, steeds minder liefde.

Stad en land
Maar nu had ik het over 'inzichten die aan het evangelie ontsprongen zijn'. Ben ik dan echt van mening dat een zodanig evangelisch inzicht achter de voorgenomen antidiscriminatiewet werkzaam is? Ten dele acht ik dat inderdaad het geval.
Zo wat nadenkend over dit omstreden wetsvoorstel stuitte ik op het door iedereen waar te nemen feit dat homofiele mensen - over hen gaat het niet alleen, maar gevoelsmatig toch wel in het bijzondermeer in de steden dan op het platteland gevonden worden, ja dat er zelfs van een trek uit het platteland naar de steden gesproken kan worden.
En ik dacht: zou het misschien zo zijn dat die voorgestelde wet daar iets tegen probeert te doen? Zodat aan die heilloze concentratie in de steden een einde komt en de homofiele mens weer zijn plek om te leven terugkrijgt in het geheel van de samenleving in plaats van in de getto's der steden te moeten verblijven? Eigenaardig trouwens dat wij christenen zelf ook in de steden begonnen zijn. In het oude Rome bijvoorbeeld waar we onopgemerkt onze gang konden gaan, zonder bang te hoeven zijn dat onze eigendommen in brand gestoken werden, - zoals onlangs de Bagwan op het Gelderse platteland is overkomen. Het woord 'pagaan' dat 'heidens' betekent (Abraham Kuyper gebruikte het nogal vaak), is afkomstig van het Latijnse 'paganus' dat de betekenis heeft van 'plattelands'. Het woord dateert uit de tijd dat de christelijke kerk in de steden vaste voet verkregen had, terwijl de plattelandsbevolking nog vasthield aan de oud overgeleverde afgodendienst. De oorzaak van dat verschijnsel kan duidelijk zijn: een samenleving is op het platteland geslotener dan in de steden. Maar wat ik met deze vergelijking wil zeggen is dat wij christenen van huis uit weten wat het is om door het platteland geweerd te worden en in de steden te moeten verblijven. Dat kan ons gevoelig maken voor de problematiek die hier ligt. En als dus nu die wet eens dit zou bedoelen dat er een terugvloei tot stand komt, van de steden uit naar het platteland zodat minderheden ook in die gesloten samenlevingen van de dorpen kansen krijgen? Zou hun dat geen goed doen? Zou er dan voor hen niet minder gevaar zijn om in de goot terecht te komen?
Want de stedelijke samenleving is voor hen (en och, voor iedereen wel) beschermend èn bedreigend tegelijk, en achter het één zowel als het ander zit dezelfde oorzaak: de anonimiteit. Deze anonimiteit zorgt enerzijds voor een stuk bescherming: je kunt ongehinderd je gang gaan, zonder discriminatie, en diezelfde anonimiteit zorgt voor een stuk gevaar: gebrek aan sociale controle, want de mens heeft voor zijn zedelijk leven toch de ander nodig. Zou uit dit oogpunt bezien deze wet onze bijval niet verdienen? Blijft het bezwaar dat men zulke dingen denkt te bereiken met behulp van een wèt. Daarover hadden we het al. Maar het gaat nu over de bedoeling van de wet en daarin zie ik wel iets goeds.

Aanleg en gedrag
Ja maar weet ik dan niet dat het merendeel van de christenen de mening is toegedaan dat aan homofiel geaarde mensen geen strobreed in de weg mag worden gelegd? (Mits zij die aanleg natuurlijk niet praktiseren.) Zeker ken ik deze opvatting en ik wil er drie dingen over zeggen.

1) De onderscheiding die hier gemaakt wordt tussen aanleg en praktijk is nog zeer jong. Als je sommige christenen hoort krijg je de indruk dat de christelijke gemeente al sedert eeuwen met dit bijltje hakt ("aanleg - natuurlijk, maar praktijk - NEEN!), maar in werkelijkheid is deze onderscheiding slechts omstreeks vijftien jaar oud, zeker onder het protestants-christelijke volksdeel.

2) Tegenover degenen die nogal vlot met behulp van bijbelteksten de staf breken over homofiel gedrag merk ik op dat genoemde onderscheiding niet in de Schrift is terug te vinden, noch bij Mozes noch bij Paulus. Dat beslist niet alles over de bruikbaarheid ervan, maar wie dit onderscheid gebruikt zegt toch eigenlijk óók 'dat Paulus dat natuurlijk nog niet wist of nog niet kon weten' - wat moderne theologen die over dit onderwerp zo schrijven nogal kwalijk genomen wordt.

3) Het onderscheid tussen aanleg en gedrag maakt op mij wel eens de indruk van gemakzuchtigheid en ook een tikkeltje schijnheiligheid. Dat hoeft niet, men versta mij niet mis. Maar er kan toch gemakkelijk dit in meekomen: "Jij bent daar nu mee behebt, goed, dat is jouw probleem, maar zorg dat ik er niets van te merken krijg".

Draagt elkanders lasten
Het is nu tegen deze houding dat ik krachtig wil protesteren vanuit het evangelie. Vanuit dit evangelie: "Draagt elkanders lasten en vervult alzo de wet van Christus" (Gal. 6 : 2, St. Vert.). Als christen in de stad zou ik mijn medechristenen op het platteland wel eens aan deze bijbeltekst willen herinneren. U kunt nu wel met de vuist op tafel nee zeggen tegen elk blijk van homofiel gedrag, maar zou het niet kunnen zijn dat uw zoon of dochter die ook 'zo' is, zich onder dit geweld in stilte voorneemt naar de grote stad uit te wijken? Dezulken komen dan niet altijd in een christelijke gemeente terecht, sterker, er zijn er die op deze wijze in de goot verdwijnen.
Dat bezorgt dan die grote stad een nog slechtere naam dan ze op het platteland toch al had, zodat ze zich wel moet voelen als de vrouw uit het evangelie 'op overspel betrapt', gereed om gestenigd te worden. Maar Jezus schreef in het zand, zoals wij op een vergadering die ons verveelt poppetjes tekenen op het programma. Hij vond het kennelijk niet interessant en met zijn neergeslagen ogen (Joh. 8 : 6 en 8) heeft Hij zich tegenover deze vrouw als man voor zijn medemannen geschaamd.
"Draagt elkanders lasten", dat is iets anders dan wat Jezus de schriftgeleerden eens verweten heeft: "Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren", (Matth. 23 : 4).
Maar laten we het tot de volgende keer bewaren om uit te leggen wat dat lasten dragen nu concreet inhoudt en ook wat van de betrokkenen zelf gevraagd mag worden, zodat er inderdaad wederkerigheid ontstaat: het dragen van elkanders lasten, want er moet hier wel degelijk naar twee kanten gesproken worden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief