Had ik dat maar geweten (9)
1982-02-19
Meer belangstelling- Jaargang 26
- nummer 7
Sinds de tweede helft van de vijftiger jaren zijn er in de wetenschappelijke literatuur op het gebied van pedagogiek en psychologie vrij veel artikelen verschenen die de ontwikkeling van het geweten van jonge kinderen beschrijven. Ten dele werd deze belangstelling gewekt door de Tweede Wereldoorlog: hoe is het mogelijk dat iemand (kennelijk) zijn geweten uitschakelt in uitzonderlijke situaties; welke opvoedingsfactoren zouden daarbij een rol kunnen spelen?
Berucht zijn in dit verband de experimenten van Milgram, die proefpersonen aan anderen elektrische schokken liet toedienen. Hoewel deze proefpersonen het (gefingeerde) kreunen van de slachtoffers konden horen, bleef vrijwel iedereen de proefleider gehoorzamen ... Een andere reden voor deze belangstelling is uiteraard de snelle ontwikkeling van de sociale wetenschappen en de belangstelling vanuit de psychiatrie voor de wijze van opvoeding in gezinnen.
Observaties bij kinderen
Een mogelijkheid om meer aan de weet te komen over de ontwikkeling van het geweten is het kijken naar (observeren van) kleine kinderen.
In hoeverre zijn zij in staat om hun driften in toom te houden? Laten we eens in grote lijnen bekijken hoe deze ontwikkeling verloopt. Daarbij onthoud ik me zoveel mogelijk van leeftijdsindicaties; het ene kind ontwikkelt zich op het gebied van het zedelijk bewustzijn immers sneller dan het andere kind, het forceren van een dergelijke ontwikkeling is zeer ongewenst. Voor zover ik wel leeftijden heb genoemd, vormen zij een zeer globale aanduiding.
Ouders in de buurt
Al op jonge leeftijd kunnen we constateren dat kinderen (soms alleen maar intuïtief) aanvoelen wat mag en wat niet mag. De twijfels treden echter vrijwel alleen maar op als de ouders in de buurt zijn.
Marieke weet dat ze niet aan de aarde van de planten mag komen, maar haar handje gaat toch steeds in de richting van de bloempot. Soms wordt de aarde even aangeraakt, met een vluchtige blik in de richting van haar ouders. Uiteindelijk verliezen de ouders het toch: ze grijpt een hand(je) vol aarde uit de pot. Toch is de basis voor het (psychologische) gewetensbegrip gelegd: Marieke leert onderscheid te maken, haar driften te beheersen, al is die beheersing nog gekoppeld aan de aanwezigheid van haar ouders.
Zouden die in de keuken geweest zijn, dan was er van die hele tweestrijd waarschijnlijk niets te merken geweest: gewoon doen! Dit is geen achterbaksheid van het kind: het eigen geweten (dat overigens voorlopig vrijwel geheel blijft samenvallen met dat van de ouders) is nog lang niet voldoende ontwikkeld: het kind 'voelt' alleen dat iets niet mag als zijn ouders in de buurt zijn.
In zichzelf praten
Als het kind wat ouder is zien we dat het zichzelf gaat corrigeren als het met iets bezig is wat niet mag.
Dat zichzelf verbieden vindt ook plaats als de ouders niet in de buurt zijn. Toch is het geweten vaak nog onvoldoende ontwikkeld om zichzelf in de hand te houden. "Peter moet afblijven" wil nog niet zeggen dat hij dat koekje echt laat liggen. Toch is het eerste dijkje om Peter's driften gelegd, al is het nog maar een lage zomerdijk.
Rollenspel
Ook poppen, speelgoeddieren of huisdieren worden bij de gewetensontwikkeling betrokken. Een knuffelbeertje wordt verboden om te knoeien met eten, een pop mag niet van de stoep af. Ook in de gesprekken met ouders worden ge- en verboden veelvuldig geciteerd. De poes wordt met stemverheffing berispt, terwijl het arme dier gewoon lag te slapen: "Moor, jij mag niet op de tafel klimmen, hoor! Denk erom!"
Ontkenning
Het geweten van kinderen tussen de 2 en 4 jaar is nog erg zwak. Het kind heeft nog geen verweer tegen de "aanvallen" van zijn ouders. Als moeder plotseling binnenkomt zegt haar dochter: "Marjan heeft niet van de pindakaas gesnoept". En wat te denken van Martijn die met een muts voor zijn ogen het fietsje van een vriendje pakt? De hond krijgt de schuld als er een plakje kaas mist: .Hesta heeft de kaas opgegeten".
En als je van iedere appel maar één hapje neemt, heb je eigenlijk geen appel opgegeten: ze liggen er immers allemaal nog? (Iets verder in de ontwikkeling: van tevoren zichzelf beschermen.) We kunnen dit nog geen liegen noemen: het kind is verlegen met de situatie, en zoekt een verklaring die z'n eigen kwetsbare geweten beschermt. Al deze gedragingen hebben overigens Even zovele verklaringsmodellen (de theorieën die eerder in deze serie werden genoemd).
Afweging
Vorige week zagen we al (bij Piaget) dat kinderen niet goed in staat zijn tot afweging van de bedoeling achter de daad. Iemand die honger heeft en een brood steelt handelt verkeerd omdat hij er straf voor krijgt: het gevolg bepaalt de kwaliteit van de handeling. Ook is van alle appels één stukje eten minder erg dan één appel helemaal op te eten.
Nog een voorbeeld waaruit blijktdat afweging voor jonge kinderen moeilijk is: als Jan, die voor z'n moeder een tas draagt, drie flessen chocolademelk laat vallen, wordt hem dat ernstiger aangerekend dan Inge, die één fles laat vallen als ze stiekem een slokje neemt. Het is voor kinderen in de kleuterleeftijd erg moeilijk om de algemene principes achter de geboden en verboden te herkennen. Een brandweerauto die door het rode licht rijdt zit domweg fout; een volwassene wordt verboden om van de stoep af te gaan. Sommige kinderen die erg precies zijn wat de eisen betreft die ze aan zichzelf stellen, zien we die eisen tot in de finesses doorvoeren: ook als je ziek bent eet je je eten op, en ook dan is het heel erg als je in je broek plast.
Moralisten
Kinderen op de lagere schoolleeftijd zijn vaak heel streng in het toepassen van regels van rechtvaardigheid. Ze hebben heel snel hun oordeel klaar. Er wordt wel beweerd dat dit een vorm van zelfbescherming is: de strenge regels scheppen duidelijkheid. Het kind is tot veel meer dingen in staat (ook tot het bewust bedriegen van de buurvrouw: "hebt U lucifers, anders kan m'n moeder niet koken") maar zoekt, om het geheel toch hanteerbaar te maken, toch duidelijke regels. Een ander moet zich uiteraard ook aan die regels houden. Het onderscheid tussen wat mag en wat niet mag speelt in de leefwereld van het kind op deze leeftijd een grote rol. Het is nog maar de vraag of sommige volwassenen door hun voortdurende neiging tot relativering wel altijd recht doen aan de belevingswereld van het kind. Misschien maken ze dat kind juist wel angstig door de onduidelijkheid die ze scheppen. Hiermee zijn we echter op een moeilijk discussiepunt gekomen, dat ik verder wil laten schieten.
Los van de ouders
Naarmate het kind meer in staat is om zelfstandig situaties te beoordelen, zal het ook meer los komen van zijn ouders. We moeten dit vermogen tot moreel oordeel niet overschatten, noch onderschatten. Aan de ene kant kunnen we constateren dat kinderen soms beter dan volwassenen kunnen vaststellen dat een situatie niet in orde is. Aan de andere kant blijkt dat met name de leeftijdsgenoten op de leeftijd van tussen de 10 en 20 jaar een heel grote rol spelen in de morele oordeelsvorming.
Vooral in de puberteit is de opgroeiende mens heel veel bezig met zijn eigen geweten, met normen en waarden. Zowel voor jongeren zelf, als voor hun ouders kan dit een erg moeilijke tijd zijn. Toch is een zelfstandig geweten noodzakelijk voor de volwassenwording. Een volwassene die alleen zijn ouders als "wandelend geweten" kent raakt in verwarring in nieuwe situaties die zijn ouders niet hebben kunnen beoordelen. Wat de ontwikkeling van het geweten betreft wil ik het hierbij laten.
Ik heb in dit negende deel de ontwikkelingspsychologische kant van het moreel besef bij kinderen beschreven. Gelukkig is er ook een andere kant: het geweten als religieus begrip. Zonder God is de gewetensontwikkeling maar een beperkt begrip.