Werken aan je toekomst

1982-02-19
  • Jaargang 26
  • nummer 7
In het boek, waarbij we nu twee weken achtereen stil stonden, is een schrijfster aan het woord, die nooit bedoeld heeft u te bereiken. Ze schreef voor zichzelf. Methodisch haar gedachten, ervaringen en gevoelens analyserend, noteerde ze wat ze nodig meende te hebben voor verder gebruik: voor zichzelf. Haar laboratoriumnotities dienden als geheugensteun in haar bewuste voorbereiding voor haar laatste levenshoofdstuk: anderen te dienen in hun levensangsten tijdens hun ondergang.

Nu het boek ons echter bereikt heeft, mogen we er een dankbaar gebruik van maken. Want de vreselijke tijden, die het Joodse volk in de tweede wereldoorlog meemaakte, zal ook de christenheid beleven - voorzover ze er niet in zal ondergaan. En waar de schrijfster zo sterk voor de nabije toekomst werkte, kunnen ook wij, die dagelijks "Uw koninkrijk kome" bidden, van haar denkwerk, geloof en ervaringen de vruchten plukken.

"Vreest niet, Ik ben met u tot het einde der wereld", zei de Heiland. Dat is het begin en het eind van onze aardse toekomstverwachting. Maar met dat woord worden wij niet in de ruststand gezet. Beter kan het ons activeren, om alles te doen wat in ons vermogen ligt teneinde niet in de storm onder te gaan.

Paulus sprak van de tijd uitkopen, de gelegenheid benutten. Ook van een bezitten als niet-bezittende.
En de Heiland zei: niet bezorgd zijn voor de kleine dingen - liever het koninkrijk Gods zoeken, want de rest komt wel goed.

Etty (= Esther, lief meisje) Hillesum heeft deze Bijbelplaatsen niet genoemd, wel geweten. Wanneer zij haar weg tot in een nieuwe wereld zag lopen, sloeg dat niet op een verbeterde editie van deze verziekte en verzondigde wereldmaar op het koninkrijk Gods. Als ze aan haar rol in dat koninkrijk dacht, was dat een "opstapelen van schatten". Ze had geen aardse verwachtingen.
Integendeel, al haar bezittingen werden haar geleidelijk ontnomen: haar werkkamer, haar boeken, haar kleren, haar maaltijden, haar onderdak, haar Bijbel, haar krachten, haar gezondheid, haar vrienden, haar dagboek, haar potlood en papier. Maar hoe armer ze werd, des te meer verblijdde ze zich in de Heere.

Dat is dus mogelijk. We moeten ons niet vooruit bezorgd maken, het lijden niet voortijdig naar ons toe halen. Wel goed weten en ons realiseren, wat ons te wachten staat. Maar het dan ook overgeven. Dan overvalt ons niets en kan niets ons meer scheiden van de liefde van onze Heiland.
En ons niet verbazen, alsof het lijden iets bijzonders zou zijn.


Etty Hillesum begon haar werk heel gewoon. Als de eetlust ons tot val dreigt te brengen dan onszelf matigen. Als we de dag gebruiken om te rusten en de nacht om te feesten - dan zelfdiscipline beoefenen. Als we het leven te gulzig consumeren - dan nee leren zeggen tegen veel overtolligs. Als we slaaf van het roken of drinken zijn geworden – dan stoppen ermee. Als we gewoon zijn ons ongenoegen aan ieder te doen blijken - dan ons aanwennen de nare dingen voor onszelf te houden. Als de tegenslagen, ziekten, verliezen ons èrg aangrijpen - dan onszelf een tijdslimiet geven waarbinnen we het erge verwerkt moeten hebben. En niet anderen belasten met ons lijden: ieder mens heeft genoeg aan zijn eigen leed.

Waarom eigenlijk? Wel, Paulus zegt: ik onderwerp mijn lichaam en kastijd het om het dienstbaar te maken aan mijn roeping. Die roeping is veel belangrijker dan dat beetje Spartaanse training. De training is maar middel - de roeping is onze opdracht en de komst van Gods koninkrijk is het doel. En kost de training een zweetdruppeltje? Kom, kom, zegt Paulus, er loopt nog geen bloed uit.

Dit alles heeft de schrijfster niet met zoveel woorden gezegd. Voor een deel zeggen wij het, voor een deel citeren we de Schrift. Maar de schrijfster heeft wel ons op het oog, wanneer ze zegt: die na mij komen moeten niet helemaal opnieuw beginnen; ook zij moeten onder onmenselijke omstandigheden bereid en in staat zijn, hun liefdewerk aan de zwakkeren vol te houden. Anders is alles zinloos: haar werk, ons pogen en... het werk van onze Heiland! Wanneer wij zijn medewerkers zijn behoren we niet in het hospitaal maar aan het front thuis.

Een Russisch schrijver heeft tijdens langdurige celstraf zich geoefend, door dagelijks acht kilometer te "lopen". Hij deed dat door in zijn cel te ijsberen, nadat hij berekend had hoe vaak hij de paar meter moest lopen en over welke tijden hij zijn kilometers dagelijks kon verdelen, 95. Stilzitten verzwakt ons, rust roest. Als wij alleen nog in een luxe auto kunnen rijden, onze benenwagen niet meer gebruiken, lijden we aan verval van krachten. Onze welvaart heeft ons trouwens veel meer kwaad dan goed gedaan en elke teruggang naar normaler tijden kan heilzaam worden. Kan als voorbereiding op onze toekomst dienen. Die voorbereiding vraagt nog heel wat meer soberheid dan zuinig zijn met onverzadigde vetzuren of zo iets. We hebben het jaar van de gehandicapten achter ons; het kan ons geleerd hebben hoe we zelf verder kunnen leven, wanneer we een fikse handicap zouden oplopen. En ook in zijn treurigheid moet de mens eenvoudig worden, 99.

Om te vernederen zijn er twee nodig, zegt Etty: iemand die vernedert en iemand die zich láát vernederen, 100. Maar laten we ons niet vernederen (niet in ons geloof aantasten, niet onze toekomstverwachtingen breken) dan kunnen er nog wel lastige belemmeringen komen, maar men kan ons werkelijk niets doen, 100. Het leven kan moeilijk zijn, maar nooit erg. Men kan zich beter in tijden van voorspoed oefenen in onthouden, vasten en soberheid - dan gedwongen in tijden van beproeving. In de maanden, waarin steeds meer bordjes "verboden voor Joden"
kwamen te hangen, schreef Etty: al blijft voor ons maar een nauwe straat over waar we door mogen - dan staat boven die straat de hemel, 102. Joden mochten niet langer fietsen? In de woestijn hebben we het ook veertig jaar zonder fietsen moeten stellen, 103. De meeste mensen leven in angst, berusting, verbittering, haat, wanhoop? Begrijpelijk, zegt Etty, maar dan verliezen ze niet veel meer, wanneer hun het leven wordt ontnomen, 107.

Daar tegenover staat haar positieve instelling. Ik weet wat ons te wachten staat, 105. Ik ben in duizend concentratiekampen al duizend doden gestorven - en toch vind ik dit leven schoon en zinrijk, 106. Door de dood buiten ons leven te sluiten heeft men geen volledig leven meer; door de dood te aanvaarden verrijkt men zijn leven, 111. Door lijden leer ik mijn liefde met de hele schepping delen, krijg ik zelf toegang tot de kosmos, 102.

De Westerling, zegt Etty, aanvaardt het lijden niet als behorende bij het leven. En daarom kan hij geen positieve krachten putten uit dat lijden, 134. Maar getuigt het niet van een goede economie, als in rustige tijden en gunstige omstandigheden kunstenaars de schoonste en meest passende vormen kunnen zoeken, waarvan mensen in bewogen en krachtrovende tijden hun leven kunnen oprichten, waarin ze onderdak kunnen vinden voor verwarrende vragen? 183.

Bedreigingen en terreur groeien met de dag. Ik trek het gebed om me heen als een beschuttende muur, als een kloostercel; en treed dan sterker en bijeengeraapt weer naar buiten, 89. Dat weten velen niet: dat men zich terug kan trekken in gebed als in een kloostercel en dat men dan met vernieuwde kracht en herwonnen rust verder gaat, 169.

De verleiding is groot, nog veel meer te citeren. Niet in het wilde weg, maar min of meer gerubriceerd zoals we deden. En we herhalen dat dit een ontroerend boek is; maar zeggen erbij dat het ons verder kan brengen. Dit voedsel is nodig voor mensen, die niet bij brood alleen leven, ook buitenkerkelijken, goed doen.

Iedere lezer is geneigd met zijn eigen bril op te lezen: ziet zekere dingen over het hoofd, leest andere delen in cursieven of kapitalen. Maar wat we nodig hebben, wanneer we een boek uit een zo onbekende wereld lezen, is liefdevol begrip teneinde het werk van de Geest te herkennen. Onze lieve Heer heeft rare kostgangers, zeggen de katholieke broeders; Etty Hillesum is er een van geweest. Maar ze was van "onze lieve Heer".

Een kortzichtig oordeel, liefst nog categorisch aangeduid als masochisme, intellectualisme, zionisme, idealisme, irrealisme en nog een dozijn andere ismen, doet de schoonheid van dit boek aan uw neus voorbijgaan. Wij worden trouwens door niemand geroepen om een laatste oordeel uit te spreken over dit meisje, dat tot in de dood trouwen liefdevol is geweest. Maar we mogen haar eren door haar woorden te overwegen; haar geloof en goede werken na te volgen.

Twee volle jaren heeft ze gehad, om zich voor te bereiden op de catastrofe. "En dat dit laatste jaar het beslissende in mijn leven moest worden, mijn mooiste jaar", 148.
"Men zou een pleister op vele wonden willen zijn", 183. Hiermee eindigt ze haar dagboek, ontijdig. En wij besluiten met de psalm van Habakuk:

Als dan de vijgenboom niet meer zal bloeien
en er geen opbrengst aan de wijnstokken zal zijn,
de vrucht van de olijfboom zal teleurstellen,
al zullen de akkers geen spijs opleveren,
de schapen uit de kooi verdreven zijn
en er geen runderen in de stallingen zijn...

niettemin zal ik juichen in de Heere,
jubelen in de God van mijn heil.

De Heere Heere is mijn kracht.
Hij maakt mijn voeten als die der hinden,
Hij doet mij treden op hoogten!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief