Voorontwerp van een wet gelijke behandeling

1982-02-19
  • Jaargang 26
  • nummer 7
Inleidende opmerkingen
Daar is ernstige verontrusting ontstaan naar aanleiding van het "Voorontwerp van een wet gelijke behandeling". Van veel kanten waaronder ook kerken zijn bezwaren tegen dit voorontwerp ingediend. Soms werd wel eens te emotioneel gereageerd. Zo is het wat overtrokken om te spreken van "Russische toestanden". Soms ook zijn de bezwaren te eenzijdig op een bepaald facet toegespitst.
Zo krijgt men uit sommige discussies de indruk, dat het wetsontwerp in hoofdzaak gaat over de vraag of men homofielen al dan niet uit bepaalde functies mag weren. Daarbij vergeet men dan vaak weer aan te geven wat onder homofielen verstaan wordt.
Een dergelijke discussie is ook voor homofielen een ongelukkige zaak. Laten we niet vergeten, dat homofielen in de loop der eeuwen, ook door christenen, ernstig gediscrimineerd· zijn. Dat maakt hen natuurlijk erg gevoelig voor elke opmerking aan hun adres.
Zelfs zijn er handtekenacties tegen dit voorontwerp gevoerd. Dat lijkt me wat voorbarig.
Het betreft hier geen wetsontwerp, maar slechts een voorontwerp van een wet gepubliceerd om iedereen gelegenheid te geven zijn of haar mening daarover kenbaar te maken. Officieel kon dat tot 1 februari j.l. gebeuren, maar dat is geen fatale termijn. Zo hoopt het CIO (het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken), waarin ook onze kerken vertegenwoordigd zijn, pas in maart te reageren. Het zou van grote betekenis zijn, wanneer het zou gelukken een gemeenschappelijke reactie van een groot aantal kerken te geven.
De eigenlijke inspraak komt later, wanneer eventueel een wetsontwerp wordt ingediend. Ook dat is nog allerminst zeker. Niet minder opvallend als de grote onrust die ontstaan is, zijn de felle reacties, die daarop weer gevolgd zijn. Verschillende ingezonden stukken in Trouw b.v. geven nare staaltjes van onverdraagzaamheid te zien. En dat juist van de kant van hen, die zeggen tegen discriminatie te zijn. Het is gemakkelijker met de mond te belijden tegenstander van discriminatie te zijn, dan dat metterdaad te beleven en te betonen. Nu zijn ingezonden stukken vaak fel en eenzijdig.
Ook echter door mensen waarvan men het niet zou verwachten, is nog al onevenwichtig gereageerd.
Zo verklaarde mevr. Strikwerda, dat de kerk in het verleden al genoeg etterbuilen gemaakt heeft. Daaruit stroomt het pus nog steeds.
Ds v. d. Zee, hervormd predikant, vindt dat het nu maar eens uit moet zijn met moraliseren.
Het protest van de Evangelischen staat haaks op wat in de kerken aan de gang is. Hier is sprake van notoir bijbelmisbruik. Dr Okke Jager tenslotte sprak over de nawerking van de calvinistische denkfouten ten aanzien van het motto gelijkheid, vrijheid en broederschap.
Over Meindert Leerling zei hij: die werkt ook met het begrip naastenliefde. Hij beweerde althans dat hij ook homofielen liefheeft. Dat is een hele prestatie. Overigens heb ik persoonlijk geconstateerd, dat dr Jager Leerling voor de tv niet correct weergaf. Leerling moet het toch ontgelden, want zelfs het G.P.V.-kamerlid C. J. Schutte, viel hem af. Hij heeft ook bedenkingen tegen het optreden van Schutte. Op grond van Rom. 13 meent hij, dat de E.O. en het R.P.F. niet op deze wijze tegen de Overheid te keer kunnen gaan. Dat moet op waardige wijze gebeuren. Je vraagt je af wat niet-kerkelijke mensen zullen denken van dit onwaardige gekrakeel. Een mooier woord weet ik er niet voor. Zelfs een rustig gesprek, waarbij men naar elkaar luistert, is over een onderwerp als dit onder christenen blijkbaar niet mogelijk.
Het is dan ook met enige huiver, dat ik me nu in Opbouw in deze discussie meng. Voor sommige lezers vertel ik misschien voor hen heel wat bekende zaken. Het lijkt me echter nodig de hoofdlijnen van dit voorontwerp door te nemen om tot een objectief oordeel over dit voorontwerp te komen.
Mijn indruk is, dat zowel voor- als tegenstanders niet altijd de moeite genomen hebben het voorontwerp zelf ook te lezen. Een geheel willekeurig voorbeeld. In "Waarheid en Eenheid" sprak ds Vreugdenhil de vrees uit, dat een predikant, die in gehoorzaamheid aan Gods Woord zal zeggen, dat een broeder of zuster breken moet met homoseksuele of lesbische relaties, vervolgd zal kunnen worden. Deze vrees is echter ongegrond. In dit voorontwerp blijven de kerken vrij in het spreken. Wel zou men de vraag kunnen stellen of het wel consequent is dat deze uitzondering gemaakt wordt.

Een goede beoordeling van dit voorontwerp is ook niet eenvoudig, omdat zoals mevr. Kraayeveld-Wouters terecht heeft opgemerkt, deze materie nog al ingewikkeld is. Daarom is het te meer te betreuren, dat ook dit voorontwerp op meerdere punten niet erg duidelijk is. Het is, zoals ik ergens las, een zwak en mistig voorontwerp.
Het is nauwelijks te lezen zonder raadpleging van vroeger verschenen nota's. Tenslotte is het ook niet vrij van vakjargon. Dit voorontwerp is bepaald geen juweeltje van wetgeving, nog afgezien van het feit, dat men zich met dit voorontwerp als overheid helemaal vertilt. De minister van Justitie, De Ruyter, heeft geen reden om trots op dit stuk wetgeving te zijn.

Antidiscriminatie
Het voorontwerp begint met de overweging, dat het bereiken van een algemene erkenning van de gelijkwaardigheid van mensen in de samenleving in hoge mate gediend wordt indien ongerechtvaardigd onderscheid tussen personen op grond van geslacht, homofilie of huwelijkse staat wordt tegengegaan. Deze overweging komt niet uit de lucht vallen.
In art. 1 van de ontwerp Grondwet staat te lezen: "Alleen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.
Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Dit sluit aan bij art. 4 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden: "Het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit verdrag zijn vermeld, is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, huidskleur, afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status." In het Reformatorisch Dagblad schreef drs J.A. E. Vermaat, dat in het Advies (bedoeld wordt het "Advies over de wettelijke bestrijding van discriminatie wegens homofilie") ten onrechte wordt gesuggereerd, dat ook de homofieIe geaardheid hieronder kan worden gebracht.
Op voorstel van de Russen, zo merkt hij op, is toegevoegd "of andere status" om op deze wijze discriminatie op grond van klassenrechten te voorkomen.
Dat is juist, maar het advies spreekt in dit verband ook slechts van een begin van een uitgroei tot een nondiscriminatie-artikel. Daat geeft m.i. de tekst van art. 14 dan ook aanleiding toe.
Daar komt nog bij, dat de uitdrukking in de grondwet "op welke grond dan ook" erin gekomen is, nadat de Kamer had gezegd de opsomming te beperkt te vinden en ook homofilie daaronder gebracht moet worden. Erkend moet dan ook worden, dat de overweging in het voorontwerp in de lijn ligt van art. 1 van de ontwerp grondwet.
Het lijkt me ook een juiste overweging. De gelijkwaardigheid van alle mensen, geschapen naar het beeld van hun Schepper, zoals de Schrift ons leert, moet tot de conclusie leiden, dat ongerechtvaardigd onderscheid maken op deze gronden onjuist is.
Juist een christen behoort een principieel en actief bestrijder van de discriminatie te zijn. Ik meen, dat op dit punt dit voorontwerp geen blaam treft. In dit verband wil ik even ingaan op een reactie van drs J. Klatter in "Waarheid en Eenheid" van 5 febr. j.l. Hij citeert daarin Mevr. Kraayeveld, die gezegd heeft, dat centraal moet staan dat gelijkwaardigheid van alle burgers concreet in praktijk moet worden gebracht. Klatter noemt dat een vierkante leugen. Daarvoor haalt hij een preek aan, waarin gewezen werd op de onherhaalbaarheid van iedere mens. Geen twee aan elkaar gelijk.
Klatter verwart hier kennelijk de begrippen gelijkwaardigheid en gelijkheid. Alle mensen zijn wel gelijkwaardig, maar niet gelijk. Klatter is overigens niet de enige, die deze twee begrippen door elkaar haalt. Ook in het voorontwerp wordt dit verschil niet altijd voldoende in het oog gehouden.
Niet alle mensen moeten voor de wet precies dezelfde rechten hebben. In de Memorie van Toelichting bij het grondwetsherzieningsontwerp wordt dat duidelijk omschreven: "Het recht groepeert, categoriseert, maakt onderscheidingen, trekt scheidslijnen. De wet differentieert groepsgewijs en schept daardoor groepsgewijze ongelijkheden. Dit is onvermijdelijk: men denke aan de regelingen voor minderjarigen, de fiscale politiek, de sociale wetgeving, het subsidiebeleid en andere. Waar het op aankomt is dat de ongelijkheden gerechtvaardigd moeten zijn en dat gevallen welke zozeer met elkaar overeenstemmen, dat een ongelijke behandeling niet op zijn plaats is, niet ongelijk worden behandeld." Discrimineren, ongerechtvaardigd onderscheid maken op grond van ras, huidskleur of anders zijn is niet geoorloofd. Maar is in een wet vast te leggen wanneer het onderscheid wel of niet gerechtvaardigd is, gezien ook de grote verscheidenheid aan normen en waarden in ons volk?

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief