Gelijke behandeling (2)

1982-02-26
  • Jaargang 26
  • nummer 8
Oordelen?
"Draagt elkanders lasten en vervult alzo de wet van Christus" (Gal. 6 : 2) - bij dit apostolische woord kwamen we de vorige keer uit toen we het hadden over de voorgenomen antidiscriminatiewet. "Draagt elkanders lasten", dat wil zeggen dat we in een besef van christelijke verbondenheid het aan ons toelaten dat homofiele broeders of zusters over de homofiele mens gaat het niet alleen. maar toch wel in het bijzonder in het voorontwerp van wet - ons lastig vallen met hun 'zo' zijn; dat wij naar vermogen meetillen aan de moeilijkheden die dat 'zo' zijn voor hen met zich meebrengt; en dat we toch ook weer schroomvallig halt houden voor persoonlijke verantwoordelijkheden, omdat er geschreven staat (nog wel in hetzelfde gedeelte, Gal. 6:5): "Want ieder zal zijn eigen last dragen"; dat we er dus niet al te gehaaid en gehaast tussenkomen als de homofiele mens in de strijd tegen zijn handicap een prothese gebruikt die ons niet goed voorkomt; dat we integendeel in plaats van te oordelen bemoedigend en zegenend naast hem zullen gaan staan.
Wij zijn in het verleden als kerken veel en veel te wettisch geweest, schreef ik de vorige keer. Nu voeg ik daaraan toe dat we evenzeer veel en veel te gemakkelijk geoordeeld hebben en dat nog doen. Alsof de ander geen geweten heeft. Ik weet het nog goed, het eerste gesprek dat ik als predikant met een homofiele broeder voerde. Ik had me voorbereid en toen dat te pas kwam las ik hem de bewuste zware teksten uit 'Mozes' en 'Paulus' voor. Hij zei: Dominee, u leest deze teksten nu op van het papier. Weet u waar ze bij mij staan? Hier!", en hij wees naar de plaats van zijn hart. "Hier staan ze, en ik ben er elke dag mee bezig". Zijn vriend met wie hij op één adres woonde, zat er bij; we waren met z'n drieën.

Zegenen!
Toen begon ik te vergelijken. (Ik vat nu maar een ontwikkeling van jaren samen.) Ik dacht aan de dingen waar ik zelf zwak in ben. Gebieden van het leven waarvoor de Here God nog duidelijker zijn geboden gegeven heeft. Ik ken die geboden. Ik ken juist die geboden die op mijn zwakheid betrekking hebben, extra goed. En toch, hoewel ik ze ken ben ik zwak, telkens weer.
Toen dacht ik het mij in dat mijn medebroeders en -zusters in de kerk niets anders bij mij kwamen doen, keer op keer, dan mij herinneren aan die overbekende geboden: gij zult niet ... , gij zult niet... En opeens kwam er een groot verbazen over mij: hoe komt het dat deze broeder nog steeds lid is van de christelijke gemeente? Wie heeft hem vastgehouden? Als er maar eens ooit iemand bij hem was gekomen en had gezegd, zomaar, zonder voorwaarden vooraf, zonder 'ja maars': broeder, ik ken jouw strijd niet van binnenuit, (bijvoorbeeld tegen het spook van de eenzaamheid) maar net als ik, of nog veel meer dan ik, zul je het bij tijden wel eens moeilijk hebben. Omdat ook jij de plooien van je leven niet gladgestreken kunt krijgen, en daarom kom ik je zegenen: de Here zegene je en behoede je, de Here doe zijn aangezicht over je lichten en zij je genadig, de Here verheffe zijn aangezicht over je en geve je vrede. Ach, misschien is hem zoiets ook wel overkomen, wat weet ik ervan? Maar dat we dit te weinig doen, staat wel vast. In plaats daarvan oordelen wij, oordelen wij, oordelen wij...

Nood
Maar als iemand handelt uit de nood van zijn situatie, dan mógen we toch niet oordelen? Als iemand in de omstandigheden van uiterste bedreiging liegt of zelfs iemand doodt, dan veroordelen wij hem toch ook niet? Noodleugen, noodweer, - zouden wij dit voorvoegsel 'nood' niet bij meer situaties nodig hebben? Daarom sprak ik ook van 'prothese'. Dat is niet maar een aardig.
beeld, maar daarachter steekt een flauw besef dat de homofiele medechristen een medechristen in nood is. Natuurlijk is hij dat niet, als hij over zijn 'zo zijn' modern denkt. Maar hij is het wel, wanneer hij Christus heeft horen zeggen dat het van den beginne alzo niet geweest is. Krachtens dit woord kan het niet anders of hij gaat hongeren en dorsten naar het herstel van alle dingen, ook van zijn eigen wezen. Zoals we dan trouwens allemaal de beschadigingen in ons leven kunnen aanwijzen die wij niet wegkrijgen en die ons in de weg staan bij het leven naar Gods bedoelingen.
Met elkaar zijn we een geschonden mensheid. Maar wij staan onder grote beloften en verlangend leven we de vervulling daarvan tegemoet. En voor wat dit leven betreft: het evangelie is niet ethisch, wel zo ethisch mogelijk, naar een diepzinnig woord van de theoloog Noordmans.

Gelijkberechtiging?
Maar nu zit aan dit alles toch ook een keerzijde. Als wij zeggen: "Draagt elkanders lasten", gaat het om iets wederkerigs en schieten we dus tekort als we dit gegeven slechts naar één kant toe uitwerken. Daarom nu de andere kant. Ik constateer dan dat er bij de seksuele minderheden in onze samenleving sprake is van reactieverschijnselen. Ik bedoel daarmee dat ze tegenover ondervonden onverdraagzaamheid naar het andere uiterste doorslaan en teveel vragen. Wanneer namelijk een minderheid in de samenleving pleit voor gelijkberechtiging, dan vraagt zij teveel. Minderheden hebben wel rechten, maar gelijkberechtiging van minderheden doet elke samenleving inéénstorten. Lichamelijk gehandicapten bijvoorbeeld mogen ervoor ijveren dat publieke gebouwen toegankelijk zullen zijn voor rolstoelen, maar het gaat te ver als ze in woede uitbarsten tegen elke trap in een woonhuis. Het evangelie van de gelijkberechtiging is een vals evangelie; het zal nooit kunnen geven wat het belooft en maakt dus de mensen ontevreden in plaats van gelukkig.
Het is dan ook van de duivel dat dit pseudo-evangelie luid van de daken verkondigd wordt in onze tijd. Hij heeft er belang bij het 'wij' van de samenleving in 'ikken' te ontbinden om op die manier de behartiging van gezamenlijke interesses in het honderd te laten lopen. In dat klimaat gedijt de onzin van de gelijkberechtiging. Inderdaad de onzin, want wie een gezamenlijk belang ziet, die beseft dat persoonlijke belangen als het er op aankomt daaraan ondergeschikt moeten worden gemaakt. En het is waar, daar hebben minderheden extra mee te maken. Maar daar staat tegenover dat iedereen van tijd tot tijd tot een minderheid behoort, de één zus, de ander zo.

Ongehuwd samenwonen
Laten we eens gaan toepassen. Ik doe dat dan niet naar de kant van de homofielen in de eerste plaats, maar in de richting van de ongehuwd samenlevenden, omdat m.i. hun schouders sterker zijn. Tot mijn voldoening heb ik gelezen dat prof. dr J. C. de Moor uit Kampen ook verschil maakt tussen beide groeperingen en dat hij niet bereid is die over één kam te scheren. Hij heeft gelijk, nog afgezien van mijn bewondering voor zijn moed. Een wet die beide categorieën 'gelijk behandelt' draagt bij aan het afstompingsproces van het onderscheidingsvermogen in de samenleving.
Gesteld nu, iemand trouwt niet, maar leeft samen met een vriendin of vriend. Er kunnen situaties zijn waarin dat op z'n minst begrijpelijk is. Bijvoorbeeld wanneer iemand door zijn echtgenoot of -genote pardoes in de steek gelaten is en dan bang is voor een tweede huwelijk.
Ik wil dat niet goed praten, nog minder in de hand werken, maar het is nu eenmaal zo dat we elkaar deerlijk kunnen verwonden en dat er dan tijd nodig is voor genezing.
Maar nu zijn er vandaag die zeggen: zo'n relatie moet door de overheid en ook door de kerk op gelijk niveau gesteld worden met hun huwelijk. Of ook een homofiele verhouding, die moet gelijkwaardig aan het huwelijk worden gezien. Maar dat kan niet. Het kan een samenleving niet onverschillig laten of er getrouwd wordt dan wel samengewoond. Wie trouwt, erkent dat het publieke leven via zijn organen (overheid, kerk) toezicht houdt op de naleving van de publiek gegeven belofte van huwelijkstrouw. Het verbaast me dan ook niet weinig dat ik in verband met de antidiscriminatiewet van zijden waarvan ik dat niet verwacht had, hoor zeggen dat de overheid geen zedenmeester is.
Nu, daar is dit van waar dat ze op dat gebied bescheiden en terughoudend behoort te zijn. Maar zekere ethische grondwaarden behoort de overheid wel degelijk te verdedigen. Zo is het goed en ook in haar eigen belang dat zij de huwelijkstrouw door haar wetgeving beschermt, want die is een basiswaarde voor de samenleving. Als namelijk het huwelijk een los-vast verband wordt, dan gaat daardoor de trouw op elk gebied wankelen. Salomo zegt dat hoererij en ontucht de ontrouw vermeerderen onder de mensen, Spr. 23 : 28; niet alleen onder de getrouwde mensen, maar onder de mensen in het algemeen. Het is daarom terecht dat de overheid en de kerk van een man en een vrouw die samengaan de publieke belofte van trouw vragen. Zij behartigen daarmee een gemeenschapsgoed (dat natuurlijk tegelijk en zelfs voorop ook een persoonlijk goed is.)

Het ‘wij' en de 'ikken'
Ik kan er dan ook met mijn hersens niet bij dat nota bene politieke partijen doodleuk spreken van alternatieve samenlevingsvormen, alsof de trouw tussen man en vrouw uitsluitend een privaat en niet ook een publiek belang is. Alternatieve samenlevingsvormen?
Dat heeft niets met politiek te maken; dat is antipolitiek, ondermijning van het gemenebest.
Wie trouwt gaat met het gezicht naar de samenleving toe staan en beaamt het belang dat zij heeft bij de wederzijdse trouw tussen man en vrouw. Wie 'samenleeft' gaat met de rug naar de samenleving toe staan en zegt: we maken zelf wel uit wanneer we samen beginnen en wanneer we er mee ophouden. Wel, laat ieder goed beseffen, dat dit het einde van de samenleving is. Die valt zo in 'ikken' uiteen en straks komt er een dictatuur die in een straf systeem de stukken bij elkaar veegt. Daar wordt dan ook luidkeels om gevraagd. Laten minderheden opkomen voor hun rechten, maar laten minderheden ophouden te vechten voor gelijkberechtiging. Ook zij moeten de lasten van de samenleving mee dragen en de belangen van de samenleving mee behartigen. De samenleving die zij inderdaad wel eens kunnen ervaren als onvriendelijk en zelfs vijandig, omdat zij met heel diepe wensen van hen geen rekening kan houden, zij zullen haar toch moeten blijven zien als ook hun zaak. Dat betekent dus dat ze, zelf tot seksuele minderheden behorend, het moeten nemen dat de samenleving zich voor het huwelijk als de normale samenlevingsvorm uitspreekt en daarnaar ook handelt, bijvoorbeeld in de opvoeding en voorlichting van de jeugd. Zij zullen zichzelf mèt de oplossingen en noodmaatregelen die zij voor hun situatie treffen, als uitzondering beschouwen en zich navenant opstellen en gedragen. En dat loyaal en van harte.

Wederkerigheid
Op deze wijze belast ik ook hen, nadat ik de lasten die zij persoonlijk dragen over de samenleving verdeeld heb. Persoonlijke belangen en het publieke belang, het publieke belang en de persoonlijke belangen, voor beide zullen we oog hebben. Als dat eens mocht aanslaan en algemeen worden! Dat mensen met een urgente persoonlijke nood waarvoor ze aandacht vragen, toch de last blijven dragen van de gemeenschap en dat de gemeenschap, de meerderheid, zich ook eens buigt onder de last die minderheden torsen, wat zou er dan heil geschieden! Wat zou dan de wet van Christus, de liefdewet, vervuld worden! Duidelijk zou dan worden dat aan de antidiscriminatiewet zoals die nu voorbereid wordt, geen maatschappelijke behoefte bestaat. Er zou dan alleen iets geregeld moeten worden om de uitersten te vermijden, een wet "niet voor de rechtvaardigen, maar voor de wettelozen" (I Tim. 1 : 9). Maar is er zoiets al niet?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief