Het worde hun niet toegerekend

1982-02-26
  • Jaargang 26
  • nummer 8
Toen hij in Haarlem predikant werd liep de hele kerk hem na. In welk gebouw hij ook voorging - de kerk stond bol en de mensen hingen er uit.
Bij de tussenzang stelde hij zittende luisteraars voor, hun plaatsen met staande luisteraars te wisselen. Zelfs mijn fonkelnieuwe Vrouw - niet gauw warmlopend voor mannen - kwam opgetogen thuis: dié expressieve kop, dié overtuigende stem, dié ogen, die mimiek, die beeldrijke taal en ja - die evangelieverkondiging! Ik was gek, dat ik hem stelselmatig ontliep, week in week uit.

Nu was er wel enige stelselmatigheid in dat niet-ontmoeten. Ik was namelijk aan een organistenrooster gebonden en had nu eenmaal nooit samen met hem dienst. Maar ook als ik vrij was kerkte ik opzettelijk niet bij hem. Want als iedereen weg van hem was wenste ik niet bij die meerderheid te horen. De meerderheid, dat is een van mijn stokpaardjes, heeft het vrijwel altijd mis gehad.

Tot ik hem, na wijziging van een of ander rooster, eens in de Wilhelminakerk ontmoette. Hij preekte over de eerste bede. En wat hij daar zei, dat was geen demagogie en geen studeerkamertaal - dat was bloedwarme zielszorg. Hij zei: "niet alleen christenen mogen God als onze Vader aanspreken; al zijn ze in zeer bijzondere zin zijn kinderen, ze hebben geen monopolie. Maar álle zonen van Adam mogen Hem als onze Vader aanroepen.
Al hebben ze hun leven verslingerd, hun lichaam vergooid, hun geest vergiftigd en al liggen ze in de goot - dan mogen ze in hun ellende tot onze Vader roepen. Alleen zal zijn antwoord luiden: ben Ik uw Vader, waar is mijn ere?"

Na afloop van de dienst kwam hij juist uit de consistorie, toen ik de orgeltrap afliep. "Daar hebben we de organist van de dag", zei hij; "uw naam is? - Wel, dan hoort u bij mijn wijk, ik hoop u volgende week te bezoeken".

Hij was begonnen als onderwijzer en had pas later kunnen studeren. In Kampen uiteraard, want van afgescheiden huize. Die vooropleiding heeft hij nimmer verloochend. Hij bleef leraar, onderwijzer, een die moeilijke zaken eenvoudig uit de doeken doet. En in de crisisjaren - we spreken van 1936 e.v. - wist zijn gezin met weinig middelen grote dingen te doen.
Ik herinner me hoe zijn Vrouw - goede nagedachtenis - voor hem de complete werken van Calvijn bij elkaar spaarde, van speldengeld en economisch beheer. Hij was trouwens van eenvoudigen huize en kon de kleine man, die het toen erg moeilijk had, goed verstaan. Wetend dat ik een beetje in prominente kerkelijke kringen geïntroduceerd was, gaf hij mij eens de raad mee: "zeg dat stelletje VU-proffen maar, dat ze in de kerk moeten komen en goede voorbeelden geven!" Het kwam me toen voor, dat dit enige kerkelijk-sociale partijdigheid verried - maar in de loop der jaren zag ik steeds duidelijker, dat inderdaad een bovendrijvende laag ons kerkelijk leven dreigde te verstikken. De vervolgingen tegen KS en de zijnen, uitlopend op vrijmaking van het kerkelijk-wetenschappelijk juk, hebben het uitgewezen.

Het spreken is naar mijn mening zijn beste werk geweest. Elke zondag, als je thuiskwam, voelde je iets in je afgebroken. Maar tegelijk wist je, dat op die gerooide grond wat beters was geplant. Je hield altijd een batig saldo. Die eerste zondagsafdeling uit de catechismus - ik zou de preek nog kunnen navertellen. Ook dat was in de Wilhelminakerk. En dan de hemelvaart van Christus: "ons Hoofd is al op de verdieping, nu kun je zeker zijn dat het lichaam volgt". Het was in de Kloppersingelkerk, ik keek naar het hoge plafond en dronk zijn woorden in. Of over de tucht: "zelfs de man, die verloren de hel ingaat, moet kunnen zeggen: eenmaal heb ik Christus in de ogen gezien en dat was bij de kerkelijke tucht". Of een tekort in de kerkelijke jaarrekening. "We hebben van wat de Heere ons toevertrouwde in het afgelopen jaar wat teveel aan onszelf gebruikt en wat te weinig teruggegeven. Laten we het deze maand goed maken". En het geld kwam er. Want "het is alles Uwe en we geven het U uit Uw hand", zo onderwees hij ons.

Met weinig Bijbelheiligen voelde hij zich zo zeer verbonden als met Paulus: de man die altijd om zijn positie werd lastig gevallen; de man die zijn geliefde gehoor kon striemen als het moest; de man ook die niet moede werd, zijn gehoor te troosten met Gods beloften. Niets sprak hem meer toe en niets wist hij duidelijker te schilderen dan de gebrokenheid van ons bestaan...

Ja, schilderen, dat kon hij! Zijn vijanden, met name de kerkelijke aristocraten, noemden hem Schilder's wapendrager. Want waar KS soms in een geleerde geheimtaal kon spreken, daar kon hij de geleerde uitspraken populair uitleggen. Getuige zijn talloze cursussen en lezingen. Toen hij naar Utrecht zou gaan spotten ze in Amsterdam: nu moet Utrecht ook al worden overgeschilderd. Zelfs in zijn kerkenraad werd eens gemompeld, dat hij een zoon naar zijn vriend Schilder had genoemd. Een der moedigsten informeerde er naar bij de rondvraag. Zijn antwoord was magistraal: "zeker broeders, maar dat was om in evenwicht te blijven; de andere zoon is namelijk naar professor Ridderbos genoemd". De kerkeraad stond perplex over zijn snedigheid; maar een onopvallende broeder zei losjes: "als de dominee er nu maar geen Jan Klaassen-spul van maakt".

De vrijmaking was zeker geen kolfje naar zijn hand. Evenals Maarten Luther tot het uiterste bleef bewijzen dat hij zuiver katholiek was; evenals Hendrik de Cock tot het uiterste bewees dat hij zuiver Hervormd was; zo heeft hij in Utrecht tot het uiterste getracht de eenheid van de kerk te bewaren in de vrijheid van Christus. Dat is hem uiteindelijk niet gelukt. Het werd kiezen of slavernij. Op smadelijke wijze nam de synode afscheid van hem - om niet te zeggen: zond hem heen - en waar zelfs KS hem al openlijk had afgeschreven, werd hij onder ons niet met applaus begroet.
Dat verbond hem met dr H. J. Jager, die eveneens tot de nalezingen van Efraïm behoorde. Toch wensten onze kerken hem tot hoogleraar in de liturgie te benoemen. Dat betekende voor hem afscheid van het pastorale werk, dat hem zo dierbaar was en hem op het lijf geschreven stond. Het bracht hem even van de kook. Hij kwam vier weken naar Nunspeet om na te denken. Tenslotte gingen hij en ik naar de plaatselijke hervormde predikant, om Calvijns commentaar op Hebreeën te lenen: het is zijn inaugurele rede geworden. Maar wel tussen de oliebollen door, want daarin was hij doorkneed.

Hij had de gave, anderen aan het werk te zetten. Niet zoals sommige luiaards doen: die anderen het werk laten opknappen. Maar zoals een leider doet: iemands talenten zien, aantonen en tot ontwikkeling brengen. Ik heb hem in veel dingen te danken. Toen ik in 1942 tot voorzitter van de gereformeerde organistenvereniging werd gekozen (en er niet mee thuis durfde te komen) zei hij stralend: "dat m6et u aannemen, die kans krijgt u, maar eens van uw leven!" Hij heeft me altijd gerugsteund in deze voor mij te grote taak. Toen ik hem vertrouwelijk had verteld, een boek over calvinistische kerkmuziek te willen schrijven, kwam een uitgever, wiens naam ik even vergeten wil zijn, aan de deur met de vraag: of hij hier een boek over calvinistische kerkmuziek kon kopen? Ik weet mijn antwoord nog: "dat kunt u niet, want het is nog niet half klaar en ik weet niet of het ooit klaar komt. Maar hoe weet u eigenlijk, dat ik daar aan bezig ben?" "Ik ben gestuurd door een predikant in Utrecht", was zijn antwoord. De gebrokenheid van ons bestaan heeft hem veel parten toegespeeld. Na de afzetting als predikant werd hij later als hoogleraar afgezet. Het was bij de jongste - en God geve bij de laatste - zuivering in onze kerken. Hij was voor de prominente kliek gewogen en te licht bevonden. Samen met dr Jager werd hij ontslagen - ook als redacteur van De Reformatie.
Het werd het begin van ons blad Opbouw. In de wereld moet je het aardig bruin bakken, voor je zo wordt aangepakt.

Zijn belezenheid, zijn grote archiefkennis, zijn fotografisch geheugen, zijn gedocumenteerde publicaties, zijn vele boeken, zijn visie op kerk en wereld, gestaafd door een onuitputtelijke kennis van de geschiedenis der kerk - de oudere generatie heeft er rijkelijk van geprofiteerd. Ik moet dat zo eens zeggen want soms vraag je je af, of de jonge generatie wel iets van dit glorieuze verleden afweet. Zijn uitputtende studie over het communisme vindt geen uitgever - men wil het niet weten. Zijn pen wordt hem soms uit de hand geslagen.

Mensen van deze kwaliteiten kunnen, als ze een beetje handig zijn, het ver brengen. Ze hebben de massa mee en ze winnen de élite bovenlaag gemakkelijk, als ze willen. Als ze maar zorgen aan de juiste tafel en op de goede stoel te zitten, dan is hun kostje gekocht. Er is in de hogere kerkelijke kringen alle eeuwen door al veel bekokstoofd (schrap dat nou maar, zou hij zeggen, want je lezers pruimen het niet) en het zal nog wel even zo blijven. Er zijn nu eenmaal geen waterdichte schotten tussen kerk en wereld; en mensen, die je uit de synagoge werpen, staan er niet buiten maar zitten op de voorste plaatsen.

Maar zo is hij niet. Zo zou hij niet kunnen zijn en dat is goed zo. Velen die hem op de handen droegen lieten hem vallen. Het gehoor, dat de Haarlemse kerken uitpuilde, is hem vergeten. Hij heeft een tekort aan mensenkennis en gaf zijn vertrouwen vaak aan de verkeerden. Toen hij zijn Vader verloor zei hij: "de enige, die me nooit heeft teleurgesteld". Toen zijn Moeder heenging: "ik hoorde haar stem zo graag..."

Dat doet me denken aan een preek over zijn geliefde Paulus, die aan zijn leerling Timotheüs schreef: "niemand heeft me verdedigd, allen hebben ze me in de steek gelaten - het worde hun niet toegerekend".

Maar de Heere staat hem bij en geve hem kracht tot het einde. En u die dit gelezen hebt zult hem wellicht ook een blijk van waardering, vriendschap of dankbaarheid willen zenden?
Zijn adres is: Skoulaene 6, 8567 HK Oudemirdum.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief