Prof. Veenhof en de 'kinderbescherming'
1982-02-26
Mij is gevraagd met het oog op de tachtigste verjaardag van Prof. Veenhof op 2 maart 1982 iets te schrijven over zijn betekenis voor de kinderbescherming binnen onze kerken.- Jaargang 26
- nummer 8
Graag voldoe ik aan dit verzoek, omdat dit niet alleen terecht een eerbetoon aan de jubilaris inhoudt, maar ook omdat het een goede gelegenheid is het zo belangrijke werk van de Stichting voor Jeugdzorg en Maatschappelijk Werk van de Nederlands Gereformeerde Kerken, waarvan hij ere-voorzitter is, nog eens onder de aandacht van ambtsdragers en gemeenteleden te brengen.
Met de aanhalingstekens in de kop van dit artikeltje wil ik aangeven, dat het begrip kinderbescherming hier ruim moet worden genomen en dat daaronder ook moet worden begrepen de hulpverlening aan andere categorieën van zwakken, verdrukten of eenzamen in de kerk.
Prof. Veenhof heeft zich namelijk ook voor deze groepen ingezet.
De diaconieën van de kerken hadden in de eerste helft van deze eeuw (ook) een belangrijke taak bij de duurzame verzorging van minderjarigen, wier ouders daartoe om verschillende redenen (overlijden, echtscheiding, ontzetting of ontheffing uit de ouderlijke macht) niet in staat bleken. De diaconieën konden deze taak echter slechts uitoefenen als zij aan bepaalde in de wet en diverse overheidsvoorschriften gestelde voorwaarden voldeden. De diakenen waren nog al eens nalatig om tijdig de verlangde aanvragen bij de gemeente in te dienen, wat tot gevolg had dat zij in geval van nood niet door de overheid met genoemde verzorging konden worden belast.
Toen omstreeks 1948 de nieuwe Kinderbeginselenwet, waarin - op een aantal punten nog strengere eisen aan de diaconieën werden gesteld, tot stand was gekomen, bleek dat praktisch geen enkele diaconie van de Vrijgemaakte kerken aan de nieuwe wettelijke bepalingen voldeed.Prof. Veenhof heeft er voor geijverd dat het Centraal Comité van de Diaconale Conferentie de nodige initiatieven nam om aan deze beschamende toestand een einde te maken. In 1952 is - nog juist op tijd - door de te Kampen op de C.D.C. aanwezige diakenen der Vrijgemaakte kerken het voorstel aangenomen de Stichting voor Gereformeerde Kinderbescherming in het leven te roepen. De stichting nam in het verband der Vrijgemaakte kerken een bijzondere plaats in. Enerzijds is zij niet bij de kerkelijke organisatie als zodanig onder te brengen, anderzijds is zij in de gemeenschap der kerken door de band die zij heeft met het Centraal Comité toch meer dan een zuiver particuliere instelling. Daardoor is het niet alleen mogelijk dat zij zelfstandig en alert reageert op veranderingen in het kerkelijk en maatschappelijk leven, maar ook dat de directe communicatie tussen haar en de kerken gewaarborgd blijft. Aanvankelijk werkte de stichting uitsluitend als voogdij-, gezinsvoogdij- en reclasseringsinstelling voor minderjarigen. Zij had dan ook met name een taak in het vlak van de zgn. justitiële kinderbescherming. Een belangrijk kenmerk hiervan is, dat doorgaans de te nemen maatregelen en de te volgen behandelingsmethode met betrekking tot kinderen en eventueel hun ouders door de Rechter worden opgelegd. Aan deze vorm van kinderbescherming is meestal een zekere mate van dwang verbonden. De stichting onder voorzitterschap van Prof. Veenhof heeft zich de eerste 10 jaar van haar bestaan een goede naam bij de diverse overheidsinstanties (Raden voor de Kinderbescherming, Kinderrechters, Officieren van Justitie e.d.) opgebouwd en kreeg ook het vertrouwen van de meeste Vrijgemaakte kerken.
Zo'n 20 jaar geleden kreeg ik van Prof. Veenhof een brief, waarin hij mij vroeg de plaats in het bestuur van de stichting in te nemen van de secretaris mr. L. Roeleveld, die ging emigreren.
Op dit verzoek ben ik ingegaan en ik heb Prof. Veenhof leren kennen als een zachtmoedig man, die diep begaan was met de nood der "armen". Soms kon hij zijn teleurstelling niet onderdrukken, wanneer er dingen gebeurden, die zo l'terk blijk gaven, dat er in de kerk van een omzien naar elkaar in wezen geen sprake was. Hij heeft mij meer dan eens geschokt verteld, dat toch eens aan de stichting door de Rechtbank het toezicht en de begeleiding van een aantal minderjarigen was opgedragen in verband met op vrij grote schaal gepleegde ontucht, er weinig medewerking uit de gemeente kwam. De uitroep van een ambtsdrager uit die gemeente: "Zij komen 's zondags toch onder beslag van Gods Woord en daarom hebben zij geen praktische begeleiding nodig!' was hiervan een duidelijke uiting.
Van 1962 tot 1967 heeft hij zich in het vlak van de justitiële kinderbescherming erg ingespannen om een eigen tehuis van de grond te krijgen voor het opvangen en opvoeden van voogdijkinderen zonder opvoedingsproblemen, die (nog) niet voor een pleeggezin in aanmerking kwamen. Met enthousiasme wist hij de kerken te overtuigen, dat er geld voor zo'n tehuis moest komen; en het geld kwam er, zodat er geen subsidie nodig was!
Toch beschouwde hij een goed pleeggezin voor ieder voogdijkind als ideaal. Ik heb hem vaak horen zeggen: "Een tehuis is een noodzakelijk kwaad". Na veel strijd en geharrewar met het Ministerie van Justitie heeft de stichting eindelijk - nog tegen de verwachting in - toestemming gekregen om een eigen tehuis te bouwen. In oktober 1966 werd met de bouw van "de Driehoek" begonnen. De opening vond na ruim een jaar in aanwezigheid van verschillende autoriteiten plaats.
Naast het werk op het gebied van de justitiële kinderbescherming ging de stichting - in zekere zin gedwongen - zich steeds meer bewegen op het terrein van het algemeen maatschappelijk werk. Aanvankelijk kwamen er incidentele vragen om "Advies en Hulpverlening" binnen naar aanleiding van optreden en gedrag van kinderen binnen en buiten het gezin. Het bleek nog al eens in zulke gevallen, dat de ouders zelf diep in de problemen zaten en dat directe hulp van de stichting geboden was.
Hulp aan volwassenen ging in de loop der jaren steeds meer in de aandacht van de stichting staan.
In die periode traden er vrij snel veranderingen op in de maatschappij, die voor de bestaande opvattingen over het werk der diakenen grote consequenties hebben gehad. Bij de overheid groeide steeds meer de overtuiging, dat er voor haar op het terrein van de materiële hulpverlening een primaire taak lag. Velerlei bijstandsregelingen en sociale voorzieningen kwamen tot stand. Aan praktisch iedere behoeftige in ons land werd een recht op ondersteuning toegekend, zodat op den duur echte armoede geheel zou worden uitgebannen. Onze kerken ondergingen deze ontwikkeling als een aanslag op iets eigens van de kerken - als een verlies van een belangrijk facet van haar wezen.
Prof. Veenhof heeft bij verschillende gelegenheden in woord en geschrift de leden van de kerk steeds gewezen op het verschil tussen de door de overheid en neutrale instellingen uitgeoefende "armenzorg" èn de beoefening van de "diaconia", zoals die volgens Gods Woord moet zijn. Het uitgangspunt van de Christelijke hulpverlening is de barmhartigheid, die zowel als een afspiegeling van Gods barmhartigheid moet worden gezien, als ook een teken van liefde en blijdschap moet zijn, omdat God ons, hoewel we in zonden ontvangen en geboren zijn, heeft opgezocht en opgericht! Door Gods barmhartigheid worden wij verplicht door onze relatie tot de ander ook barmhartig te zijn en de ander heeft door die op ons gelegde verplichting het recht gekregen barmhartigheid te ontvangen.
En hij legde er tegenover hen die zich over de hierboven geschetste ontwikkelingen zorgen maakten de nadruk op, dat weliswaar de motieven van degenen, die achter die ontwikkelingen stonden, niet altijd geheel zuiver waren, maar dat de kerken voor een groot gedeelte het functieverlies op het gebied van de "diaconia" aan zichzelf te wijten hadden.
Het heeft Prof. Veenhof veel verdriet gedaan, dat als gevolg van de kerkelijke moeilijkheden aan het eind van de jaren zestig, het bestuur van de stichting uiteenviel en ook de wijze, waarop dat is gebeurd!
Om voor onze toen buiten het kerkverband geplaatste kerken het werk te kunnen blijven doen ten behoeve van degenen onder ons, die in moeilijkheden verkeerden is door de eerste Centrale Diaconale Conferentie onzer kerken - te Zwolle op 20 mei 1970 gehouden - de wenselijkheid uitgesproken een nieuwe stichting voor dit doel in het leven te roepen. Op 30 juni 1970 werd de oprichtingsacte voor notaris Meinsma te Utrecht gepasseerd. Prof. Veenhof heeft het voorzitterschap op zich genomen van deze stichting, die overeenkomstig het door haar te bestrijken werkterrein "Stichting (Anno 1970) voor Gereformeerde Kinderbescherming en Maatschappelijk Werk" werd genoemd. Het bestuur werd verder gevormd door een aantal bestuursleden die in de vorige stichting niet meer bestuurslid mochten zijn. In het begin besteedde Prof. Veenhof en enkele andere bestuursleden veel tijd aan besprekingen met het op dat moment zittende bestuur van de vorige stichting om tot een regeling te komen. Gelukkig hebben deze besprekingen ook voor ons tot een goed resultaat geleid; de nieuwe stichting kreeg o.a. praktisch al het door onze kerken aan de vorige stichting bijgedragen geld terug.
De eerste 2 jaar heeft Prof. Veenhof met elan de doelstellingen van de nieuwe stichting uitgedragen en verdedigd. Ten aanzien van de kinderbescherming vond er een ontwikkeling plaats, waardoor het bevoogdend karakter - uitkomend in van boven opgelegde maatregelen e.d.
- steeds meer werd teruggedrongen. De nadruk kwam eerder te liggen op het vrijwillig opvolgen van adviezen. Voor kinderbescherming kwam de term jeugdzorg in de plaats.
Bij het verlenen van hulp zowel in het vlak van Jeugdzorg als van Maatschappelijk Werk kwam het bestuur van de stichting er al spoedig achter dat het zich ook moest toeleggen op de preventie (door voorlichting, toerusting e.d.). Het is van het grootste belang dat in een zo vroeg mogelijk stadium wordt onderkend dat in een gezin of bij personen afzonderlijk problemen dreigen te ontstaan, zodat adequaat kan worden gehandeld. Het spreekt vanzelf dat ambtsdragers, gemeente- en familieleden een belangrijke rol kunnen spelen bij de preventie.
Prof. Veenhof heeft in 1972 in verband met zijn gezondheidsredenen afscheid van de stichting moeten nemen en bij zijn vertrek het voorzitterschap aan "schrijver dezes" overgedragen. Het bestuur is hem dankbaar voor de wijze, waarop hij zijn functie ten behoeve van de stichting heeft verricht en voor de belangstelling, die hij nog steeds voor het wel en wee van de stichting heeft. De stichting is er van overtuigd, dat het in overeenstemming met de wens van de jubilaris is, dat zij tevens gedenkt de andere leden van de "oude garde" (waar ik mevrouw Bremmer-Lindeboom en mijzelf nog buiten wil houden) waartoe behoort zuster Van Wieringen, broeder Van Doornen, alsmede de overleden broeders Krol, Veenkamp, Dik en Kats.
Het bestuur wenst de jubilaris toe Gods Zegen voor de toekomst en een blijde dag bij de tachtigste herdenking van zijn geboorte.