Voorontwerp van een wet gelijke behandeling

1982-02-26
  • Jaargang 26
  • nummer 8
Geslacht. homofilie of huwelijkse staat
In dit voorontwerp wordt in de eerste plaats gelijke behandeling van mannen en vrouwen geëist. Dat wordt verder uitgewerkt voor het terrein van de arbeid en voor de berekening van gelijke beloning. Overigens was deze materie al wettelijk geregeld. Hierover is nu dan ook weinig discussie.
Verder mag niet gediscrimineerd worden op grond van homofilie. Nu wordt onder homofilie in de regel verstaan de gesteldheid waarin men zich overwegend of alleen tot seksegenoten aangetrokken voelt. Dus de seksuele gerichtheid. In dit voorontwerp wordt hiermee echter ook het homofiele gedrag bedoeld. In de toelichting staat nl. dat de Emancipatiecommissie in haar advies opmerkt, dat bij het bestrijden van discriminatie zowel geaardheid als gedragingen beo' grepen moeten zijn. De Regering heeft deze gedachte, aldus de toelichting overgenomen en is dus van oordeel, dat ook homofiele relaties onder het verbod van discriminatie vallen. Uit het Advies (van mei 1981) vernemen we waarom men voor het woord homofilie kiest. Dat is volgens het Advies een neutraal woord.
De vraag wat homofiel gedrag is, is ook niet zinvol te beantwoorden. Hier wordt in feite dus iets in de wet opgenomen, terwijl men zelf niet precies weet wat het is. Het zou toch beter geweest zijn, dat men gepoogd had in art. 2 een definitie van homofilie op te nemen. Daar zou de rechtszekerheid mee gediend zijn geweest. Tenslotte wordt nog discriminatie verboden op grond van huwelijkse staat of gezinsverantwoordelijkheid. Met dit zwaarwichtig jargon wordt bedoeld, dat je niet mag discrimineren tussen samenwonenden of ze gehuwd zijn of niet, terwijl ook het geslacht of de seksuele geaardheid van die samenwonenden geen argument mag zijn om onderscheid te maken.
Maar wanneer discrimineer je nu in die gevallen? Dat moet wel worden aangegeven. Immers niet elke ongelijke behandeling betekent discriminatie. Het voorontwerp heeft hiervoor een merkwaardig vrij ingewikkeld systeem gekozen. Voor de meest relevante aspecten van het openbaar, maatschappelijk leven zoals arbeid, onderwijs, bedrijfs- en verenigingsleven worden uitgewerkte verbodsbepalingen gegeven. Het verbod van discriminatie is hier dus uitgewerkt in specifieke bepalingen. Je kunt daarin precies lezen wanneer ongelijke behandeling al of niet verboden is.
In aanvulling daarop bevat art. 37 een algemene nondiscriminatiebepaling. Voor de niet speciaal genoemde terreinen geldt deze bepaling van art. 37, waarin verboden wordt zonder redelijke grond tussen mensen direct of indirect onderscheid te maken op grond van geslacht, homofilie of huwelijkse staat. In die gevallen moet de burger dus zelf afwegen, of er een redelijke graad is om onderscheid te maken. Het lijkt me niet eenvoudig uit te maken, of iets onder de specifieke of onder de algemene nondiscriminatiebepaling valt. Een specifieke bepaling vinden we b.v. in art. 3. Daarin staat, dat bij het vervullen van een betrekking wel onderscheid gemaakt mag worden, als het geslacht bepalend is. Als een zangkoor een alt wil aanstellen mag ze in de advertentie wel vermelden, dat het om een vrouw gaat. Zo heeft art. 11 ook uitzonderingen in verband met zwangerschap en bevalling.
Verder zijn er nog enkele bepalingen ter bescherming van de zedelijkheid. Het is (nog) toegestaan om aparte toiletten voor mannen en vrouwen te hebben. U ziet, hoe er over de zedelijkheid gewaakt wordt.

De maatschappelijke ontwikkeling
De motivering waarom discriminatie verboden wordt, is niet erg duidelijk. Het gevolg is, dat velen hebben geconcludeerd, dat de maatschappelijke ontwikkeling de norm geweest is. De toelichting is zelf schuld aan deze gedachte. Gezegd wordt, dat de maatschappelijke weerstanden tegen homofilie zo zeer zijn afgenomen, dat ze geen beletsel meer vormen tegen invoering van een wettelijk discriminatieverbod. Men beperkt dit tot de homofilie omdat deze maatschappelijk aanvaard is. In de toelichting lezen we nog: "De afbakening tot homofilie houdt geen moreel oordeel in; zij impliceert niet, dat volgens de Regering discriminatie van personen op grond van pedofilie, travestie of transseksualisme zonder meer wel geoorloofd is."
In het Advies wordt er op gewezen, dat de Ned. Herv. Kerk en de Geref. Kerken geen onderscheid maken tussen hetero en homofiele leden, terwijl de Rooms-katholieke Kerk in Nederland de hiërarchie binnen haar pastorale arbeid in meerderheid streeft naar ruimte voor homofielen. Betekent dit, dat andere vormen van menselijke verhoudingswijzen zoals pedofilie ook onder de discriminatieregel zullen vallen zodra ze maatschappelijk aanvaard zijn? Er zijn trouwens nu al mensen, die voor opnemen van pedofilie pleiten.
Ook met betrekking tot het gehuwd en ongehuwd samenleven wordt sterk vanuit de praktijk geredeneerd. Door de maatschappelijke ontwikkeling in de praktijk van het leven bestaan er tussen gehuwd en ongehuwd samenleven steeds minder verschillen. Men gaat tegenwoordig steeds meer uit van de feitelijke omstandigheden zoals het dragen van gezinsverantwoordelijkheid of het samenwonen als zodanig. Aldus de toelichting. Een beetje hypocriet volgt dan de opmerking dat het wetsontwerp beslist niet beoogt afbreuk te doen aan de juridische betekenis van het huwelijk. Deze opmerkingen zouden de indruk kunnen wekken, dat als norm aanvaard moet worden wat de meerderheid vindt. En dat is een gevaarlijke norm. Velen hebben het ook zo begrepen, maar ik betwijfel of dit de bedoeling is. Uitgangspunt is de gelijkwaardigheid van alle mensen, die discriminatie uitsluit. Deze discriminatie kan men ten aanzien van homofielen en ongehuwd samenwonenden nu wettelijk bestrijden, omdat de maatschappij zowel homofilie als ongehuwd samenwonen aanvaard heeft. Het kan inderdaad voorkomen, dat de overheid een op zich goede wet niet kan opleggen, omdat deze onvoldoende weerklank vindt in het maatschappelijk leven.
Het was wel wenselijk, dat dit voorontwerp zich wat duidelijker over de daarachter liggende norm had uitgelaten.

Uitzonderingen
Een van de uitgangspunten van het voorontwerp is, dat de bepalingen van non-discriminatie hun begrenzing vinden door belangen die door andere grondrechten beschermd worden. Dat betreft de vrijheid van meningsuiting, van vereniging en vergadering, van de persoonlijke levenssfeer en van het wetenschappelijk onderzoek. Op deze terreinen moet de wetgever, aldus de toelichting, komen tot een afweging van belangen, die het wetsontwerp beoogt te dienen en andere belangen.
Op dit punt heeft de wetgever zich zeer overschat. Een waterdichte regeling van gelijke behandeling is niet te verwezenlijken zonder dat men de grondrechten als vrijheid van godsdienst, persoonlijke levenssfeer en vrijheid van onderwijs aantast. De wet noemt nu om die andere grondrechten te ontzien in art. 2 een aantal uitzonderingen.
De wet is niet van toepassing op voorzieningen en activiteiten van godsdienstige aard en op voorzieningen en activiteiten in verband met bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, verenigingen of stichtingen, die in hoofdzaak gericht zijn op besloten bijeenkomsten in de gezelligheidssfeer en tenslotte ook niet op belangenbehartiging op ideële gronden, voor zover deze belangenbehartiging het maken van onderscheid rechtvaardigt. Onder het laatste vallen b.v. vrouwencafé's en vrouwenrestaurants. Dit lijkt oppervlakkig gezien, vrij geruststellend.
Maar is in deze wet de godsdienstvrijheid en de onderwijsvrijheid inderdaad veilig gesteld? Vrijheid van godsdienst
Art. 2, waarin staat dat de wet niet van toepassing is op voorzieningen en activiteiten van godsdienstige aard, is gezien de uitgangspunten van deze wet, niet erg consequent.
In het Advies, waarin ook gezegd wordt, dat godsdienstige genootschappen er buiten moeten vallen, wordt opgemerkt, dat een discriminatieverbod, behalve in de strikte privésfeer en in gevallen van positief onderscheid, in beginsel voor alle situaties behoort te gelden. Men realiseert zich echter, dat een dergelijk verbod op gespannen voet zou staan met de vrijheid van godsdienst. "Indien een kerkorde, op grond van de aangehangen beginselen, afwijzend staat ten opzichte van homofilie, dan is het niet de taak van de overheid te trachten deze houding middels verbodsbepalingen te wijzigen. Het bepalen van een standpunt omtrent homofilie hoort geheel thuis binnen de eigen interne sfeer van een kerkgenootschap. " Helaas beperkt men deze vrijheid tot binnenkerkelijke aangelegenheden.
In de toelichting staat, dat het hier gaat om interne zaken van kerkgenootschappen, d.w.z. op activiteiten en voorzieningen die het belijden van een religie betreffen of daarmee direct verband hebben, zoals de eredienst, bezinningssamenkomsten van religieuze aard, opleiding en benoeming in kerkelijke ambten e.d. Hetzelfde geldt ook voor bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard. Activiteiten, die met het belijden geen of slechts verwijderd verband vertonen vallen niet onder die vrijstelling. Men denkt hierbij aan voorzieningen en activiteiten waarin het algemeen maatschappelijke dan wel het recreatieve of sociaal-
culturele element overheerst. B.v. exploitatie van een ziekenhuis of het organiseren van algemeen maatschappelijke dienstverlening. De overheid meent blijkbaar het recht te hebben voor te schrijven wat al dan niet tot kerkelijke activiteiten behoort en welke activiteiten geen of slechts een verwijderd verband met het belijden hebben. De overheid, die haar bevoegdheid hier ver overschreidt, komt tot de conclusie, dat de kerk zich moet houden binnen de kerkmuren. Ze weet blijkbaar niets af van het beleven van het geloof in het maatschappelijk handelen. Op deze manier zouden we een dubbele moraal krijgen. Een voor binnenkerkelijke activiteiten en een voor het leven daarbuiten. Er zou een kloof zijn tussen belijden en beleven. Bisschop Simonis noemde dit terecht een "schizofrene" situatie.
De kerk en haar leden sluiten zich niet op binnen de muren van hun kerk. Zij hebben hun geloof ook te beleven in al hun doen en laten, alle dagen van de week, ook in de organisaties en instellingen, waaraan zij meewerken. Het voorontwerp staat met deze beperkte uitleg op gespannen voet met de godsdienstvrijheid, zoals deze in de grondwet en ook in internationale traktaten gewaarborgd wordt. Het is merkwaardig, dat noch in het Advies noch in de toelichting op het voorontwerp daarvan rekenschap afgelegd wordt. In art. 9 van de ECRM (Europese Commissie voor de rechten van de Mens) zegt in dit verband: "het belijden van de eigen godsdienst of overtuiging, zowel in het openbaar als in het particuliere leven, door het onderwijzen ervan en het onderhouden van geboden en voorschriften."
Nog duidelijker is de toelichting op art. 1.6 van het ontwerp nieuwe grondwet. Met betrekking tot de godsdienstvrijheid wordt opgemerkt: "Het onderhavige artikel waarborgt het recht van een ieder zijn godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden. Daarbij omvat het begrip "belijden" niet alleen het huldigen van de godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, maar ook het zich daarnaar gedragen." Daarmee is art. 2 van het voorontwerp toch wel duidelijk in strijd als in feite verklaart wordt: je bent wel vrij in het belijden en het huldigen van een godsdienstige overtuiging, maar waag het niet je daarnaar ook te gedragen.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief