Toekomstverwachting (1)

1982-02-26
  • Jaargang 26
  • nummer 8
Handel in de eindtijd
Onlangs las ik een berichtje, dat in Amerika de 'handel in de eindtijd' momenteel een snel groeiende industrietak is. Er staan veel films op stapel over de in het N.T. voorspelde catastrofe. Boeken met verklaringen van het laatste bijbelboek schijnen daar de toonbank over te vliegen.
Van Hal Lindsay's bekende boek "De planeet die aarde heette" zijn al 18 miljoen exemplaren verschenen. U weet waarschijnlijk wel, dat de schrijver in dit en in andere boeken van zijn hand de visioenen en openbaringen die de apostel Johannes op Patmos heeft ontvangen, tot in de kleinste details in ónze tijd in vervulling ziet gaan. Hij beweert vrij nauwkeurig te weten hoe ver we nog verwijderd zijn van de terugkomst van onze Heiland. Om de profetische gebeurtenissen op de voet te volgen biedt Lindsay zelfs een maandelijkse cassettedienst aan. Bovendien is er in de Verenigde Staten een profetische nieuwsdienst per telefoon. Dus naast de normale nieuwsdienst, het weerbericht, de juiste tijd en nog zoveel nuttige dingen meer, waarover ook wij ons telefonisch kunnen laten informeren. En dan is er in Amerika ook nog een tijdschrift "Eindtijd Nieuws" met zo'n 250.000 abonnees. U ziet het - aan de andere kant van de oceaan zijn er mogelijkheden te over om de nieuwsgierigheid op dit gebied te bevredigen.

Nieuwsgierigheid is ongeloof
Ik hoop en verwacht echter, dat u niet door zo'n nieuwsgierigheid gedreven naar mij bent gaan luisteren. Ik zou u dan diep moeten teleurstellen. Ik weet namelijk veel en veel minder dan mensen als Lindsay. En ik vermoed, dat ik op veel vragen, b.v. over het duizendjarig rijk of over de toekomst van Israël, over de figuur van de antichrist of over het getal van het beest enz., zal moeten antwoorden: Ik weet het niet. Mocht u met dergelijke vragen willen komen, dan bent u er vast op voorbereid.
De bijbel is nl. geen boek dat onze nieuwsgierigheid wil bevredigen. Nieuwsgierigheid is het zoeken van zekerheid door de mens, die niet durft geloven. God vraagt ten aanzien van de toekomst van ons echter vertrouwen: 'een moedig opslaan van de ogen naar het onbekende land. Zalig hij, die durft geloven ook wanneer het oog niet ziet' (Lied 293).

Verandering in verwachting
Dat betekent overigens niet, dat de gelovigen zich helemaal niet met de toekomst mogen bezighouden. Integendeel, daarvoor spreekt God ons in Zijn Woord teveel over de toekomst. God heeft grote verwachtingen gewekt. Die verwachtingen mogen en kunnen bepalend zijn voor onze levenshouding. En omdat de aard van onze toekomstverwachting anders is dan die van niet-gelovigen, zal ook onze levenshouding een andere behoren te zijn. Voordat ik nu iets ga zeggen over de toekomstverwachting van de gelovigen, wil ik het eerst hebben over toekomstverwachting in het algemeen. Nu heeft zich in de algemeen menselijke toekomstverwachting een opvallende wending voltrokken. Een wending van een stralend optimisme naar een beklemmend pessimisme. Dit pessimisme met betrekking tot de toekomst is trouwens nog maar van de laatste eeuw. Daarvóór tref je allerwegen, in de westerse geschiedenis althans, een onschokbaar vertrouwen in de toekomst aan.

Een zonnige kijk
Ik denk b.v. aan een man als Thomas More, een tijdgenoot van Erasmus en een even briljant denker als hij. More heeft in het begin van de 16e eeuw een boek geschreven, waardoor hij tot op vandaag is bekend gebleven. In dat boek beschrijft hij de ideale samenleving, zoals hij zich die indenkt en zoals hij die ook mogelijk acht. In zijn boek doet More alsof die ideale samenleving al bestaat. Het is voor een groot deel een reisverslag van een zeeman naar het eiland Utopia! Utopia is de Griekse naam voor 'Nergensland'. Dit eiland is dan ook op geen enkele kaart te vinden. Het bestaat alleen in de fantasie van de schrijver. Eigenlijk is het een toekomstbeeld, dat de lezers als een (haalbaar) ideaal wordt voorgesteld. Nu gaat het mij niet om de concrete inhoud van dit toekomstbeeld, maar om het optimisme waarmee de toekomst tegemoet wordt gezien. Duidelijk is dat Thomas More een groot vertrouwen heeft in het redelijk denken en gedrag van de mensen, waardoor bestaande misstanden in de toekomst zullen worden weggewerkt en opgelost.

Dit optimisme is blijven bestaan tot aan de vooravond van onze 20e eeuw.
In 1887, in de eeuw van grote uitvindingen op technisch gebied en van stormachtige industriële ontwikkelingen, verscheen de roman "Het Jaar 2000", geschreven door de Amerikaan Bellamy. Dit boek maakte bij verschijning zoveel indruk, dat er binnen enkele jaren een miljoen exemplaren van verkocht waren. Bellamy verwachtte omstreeks het jaar 2000 een ideale samenleving, waarin alle sociale en maatschappelijke misstanden volkomen uitgebannen zouden zijn. Er zou dan een warme gemeenschap zijn ontstaan, waarin ieder de gemeenschap dient en de gemeenschap in ruil daarvoor ieder afzonderlijk lid een volwaardig bestaan garandeert. Letterlijk schrijft Bellamy in zijn boek: "De lange en vermoeiende winter van het menselijk ras is ten einde. De zomer is begonnen. De mensheid barst uit de cocon. De hemelen zijn vóór ons". U merkt het: een schijnbaar onverwoestbaar optimisme. Gronden voor dit optimisme werden gevonden in de resultaten van het menselijk denken, met name op het terrein van wetenschap en techniek.
De mens bleek een 'alleskunner' te zijn. Wat zou hem beletten om de ideale samenleving tot stand te brengen? De toekomst zag er rooskleurig uit.

Utopia wordt utopie
Slechts enkele decennia later is de stemming totaal omgeslagen. Het stralende optimisme heeft vrijwel algemeen plaats gemaakt voor een grauw pessimisme. En zo is het tot in onze tijd gebleven.
Wie vandaag over toekomstverwachting spreekt, kan er niet onderuit het woord 'doemdenken' te noemen. Dit woord zie je momenteel overal en telkens weer opduiken in redevoeringen en publicaties. De toekomst ziet er naar het besef van velen maar donker en somber uit. Utopia is een utopie geworden. Let op de betekenisverandering in het woord. Utopia - zo heette immers het eiland uit de toekomstroman van Thomas More uit het jaar 1516. Daarnaar werd later elk toekomstbeeld een utopie genoemd. Maar zo'n toekomstbeeld werd haalbaar geacht. Vandaag echter betekent utopie: hersenschim, ongegronde verwachting, onhaalbaar ideaal. Ook in onze tijd verschijnen toekomstromans. Als de meest bekende noem ik "Brave new world" van Aldous Huxley en “1984" van George Orwell. Maar zij tekenen ons een huiveringwekkende toekomst.
En evenzo wordt ons daarvan een beklemmend beeld geschetst in menige science-fiction film.
Waarom opeens zo pessimistisch? Verrassend genoeg is één van de redenen, die in de vorige eeuw tot optimisme leidde, vandaag oorzaak van pessimisme. Ik bedoel de ontwikkeling van wetenschap en techniek. Honderd jaar geleden verwachtte men daar nog wonderen van. Vandaag is het onmogelijk de ogen te sluiten voor de schadelijke gevolgen die al zichtbaar zijn en andere die onafwendbaar te verwachten zijn.

Bedenkelijke ontwikkelingen
Op gevaar af te herhalen wat al zo vaak gezegd en geschreven is, wil ik toch op enkele dingen wijzen.
Ik denk allereerst aan de uitputting van de natuurlijke energiebronnen.
En aan de schrikwekkende vervuiling van lucht, bodem en water. Ik denk ook aan de ontwikkeling in de computertechniek, met name de 'chips' die in de toekomst steeds meer menselijke arbeid zal gaan vervangen. Verder is er een verontrustende ontwikkeling op het terrein van de biologie nu het mogelijk is te sleutelen aan de genen, de wortels van het menselijk leven. Men is daardoor in de gelegenheid het menselijk gedrag op een onaanvaardbare manier te beïnvloeden. En er wordt door geleerden ook serieus met deze gedachte gespeeld. En natuurlijk mag niet ongenoemd blijven het risico van het gebruik van kernenergie, zowel voor vreedzame als voor oorlogsdoeleinden. Wat het laatste betreft: er is een vernietigingskracht opgebouwd, die groot genoeg is om de gehele wereldbevolking vijftig keer uit te roeien. Met dit alles zuchten we onder de tirannie van de technische macht.
Alles wat technisch gesproken gemaakt kan worden. schijnt ook gemaakt te móeten worden. En is het er éénmaal, dan is het vrijwel onmogelijk terug te keren naar een tijd en een leven, waarin het er niet was. Niemand kan zich meer voorstellen, hoe oma leefde zonder stofzuiger, koelkast, wasautomaat enz. Niemand kan zich meer indenken hoe een bedrijf werkt zonder energieverslindende machines, computers en noem maar op. En ook al zouden vandaag alle kernwapens van de aardbodem verdwenen zijn, dan blijft de kennis hoe ze gemaakt moeten worden toch voorhanden.
De ontwikkelingen op technisch gebied zijn trouwens nauwelijks bij te houden. De snelheid van ontwikkelingen is op zichzelf al een probleem.
En je moet mee, graag of niet. Je kunt je haast niet zonder kleerscheuren tegen de ontwikkelingen in bewegen. Hebben we eigenlijk wel een keus? Meedoen met de bewapeningswedloop of niet meedoen - zijn de gevolgen in beide gevallen niet huiveringwekkend. Zijn we door de ontwikkelingen niet aan handen en voeten gebonden? Meedoen voert naar de ondergang. Maar niet meedoen ook!

Trein zonder machinist
Zo blijken de wetenschap en de techniek, die in de vorige eeuw zo heilzaam schenen, vandaag een vreselijke bedreiging en in sommige opzichten zelfs onhanteerbare grootheden.
Niemand, zo schrijft een geleerde, zelfs niet de meest briljante wetenschapsman, weet waar de wetenschap ons brengen zal. We zitten bij wijze van spreken in een trein die steeds sneller gaat rijden en zich voortspoedt langs een baan met een onbekend aantal wissels die naar onbekende bestemmingen voeren. In de cabine van de locomotief bevindt zich geen enkele geleerde en de wissels worden misschien wel bediend door duivels! Het grootste deel van de samenleving bevindt zich in de wagons en kijkt achteruit, aldus deze wetenschapsman. Een angstaanjagend beeld: een voortrazende trein zonder machinist. Dat is dus onze samenleving. Dit is het 'doemdenken' ten voeten uit.

Onderworpen aan de vruchteloosheid
Alle genoemde dingen samen maken dat weinigen nog hoop hebben op een aantrekkelijke toekomst. En dat terwijl nota bene veel dingen uit de utopieën van vroeger in onze dagen inderdaad werkelijkheid zijn geworden, althans in ons deel van de wereld, b.v. op het gebied van sociale voorzieningen. Wat de wonderen der techniek betreft is er ontzaglijk veel, dat men vroeger zelfs nooit had kunnen voorzien. Jules Verne zou vandaag zijn ogen uit kijken. Maar de wereld is er al met al niet beter op geworden. En het pessimisme geeft de toon aan. Misschien nog nooit in de geschiedenis is zo waar geweest wat Paulus schrijft in Rom. 8, dat heel de schepping zucht in al haar delen (vers 22). Meer dan ooit lijkt de schepping te zijn onderworpen aan de vruchteloosheid en dienstbaar aan de vergankelijkheid (vers 20 v.).

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief