Voorontwerp van een wet gelijke behandeling (3)
1982-03-05
Vrijheid van onderwijs- Jaargang 26
- nummer 9
Het terrein van onderwijs, vorming en opleiding wordt in het voorontwerp uitdrukkelijk genoemd.
In de artikelen 7, 26 en 34 wordt bepaald, dat het niet toegelaten is onderscheid te maken bij leerkrachten en leerlingen in verband met manlijk of vrouwelijk, homofiel of heterofiel, gehuwd of ongehuwd. Hierbuiten vallen opleidingen voor een kerkelijk ambt.
In het Advies wordt erop gewezen, dat in de sectoren van onderwijs, welzijn en volksgezondheid talloze stichtingen en verenigingen werkzaam zijn, die opgericht zijn op de grondslag van godsdienstige beginselen. Hoewel deze instellingen een confessionele achtergrond hebben, vervullen ze in hoofdzaak een publieke functie. Daarom moeten zij ook vallen onder het wettelijk discriminatieverbod. Helaas wordt niet de vraag gesteld, of deze wet wel in overeenstemming is met art. 208 van de grondwet. In dit artikel wordt de vrijheid van onderwijs gegarandeerd en ook nauwkeurig omschreven. Het geven van onderwijs is vrij, maar de wet kan wel regelen geven voor onderzoek naar bekwaamheid en zedelijkheid van hen, die onderwijs geven. Verder moeten de eisen van deugdelijkheid bij de wet worden geregeld.
Uitdrukkelijk wordt daaraan toegevoegd, dat voor zover dit het bijzonder onderwijs betreft men vrijheid van richting moet in acht nemen. In de volgende alinea wordt daar aan toegevoegd, dat de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keus der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd wordt. De overheid mag zich dus krachtens de grondwet niet bemoeien met de benoemingsprocedures bij het bijzonder onderwijs, mits men maar bevoegde leerkrachten aanstelt. Wanneer een schoolbestuur b.v. van oordeel is, dat men voor een bepaalde klas een vrouw nodig heeft, heeft de overheid niet het recht voor te schrijven, dat aan de mannen in dit geval gelijke kansen geboden moeten worden. Uiteraard geldt deze bepaling ook voor ontslag van leerkrachten. Anders zou de vrijheid van benoemen nog gefrustreerd worden.
Om te zorgen, dat bij het ontslag de leerkrachten niet willekeurig kunnen worden behandeld zijn daar dan ook eigen beroepsinstanties, commissies van beroep, voor ingesteld.
Het is duidelijk, dat het voorontwerp van wet een schending van art. 208 van de grondwet betekent.
Deze bepaling in art. 208 van de grondwet is ook zeer terecht opgenomen.
Een schoolbestuur mag eisen, dat een leerkracht niet maar in school, maar ook daarbuiten een christelijke levenswandel toont. Hoe kan b.v. een leerkracht die zich in zijn huwelijk ontrouw toont, op school de aan hem toevertrouwde kinderen opvoeden naar Gods geboden. En een schoolbestuur mag toch niet dulden, dat een leraar op school marxistische propaganda maakt? Scholen, maar ook andere instellingen, moeten de vrijheid hebben te handelen naar de normen, die zij op grond van de Schrift menen te mogen en te moeten hanteren.
Terecht schrijft dr H. Algra in het Friesch Dagblad, dat hij die dit beginsel van de geestelijke vrijheid negeert, nog gevangen zit in de willekeur en de eigen waan, die bij het oude liberalisme een zo grote rol gespeeld heeft. Het is jammer, dat met name bij het onderwijs de discussie zich geconcentreerd heeft op de vraag, of homofielen en ongehuwd samenwonenden aanvaardbaar zijn. Het gaat hier over de vraa~, of deze wet de in art. 208 gewaarborgde vrijheid van onderwijs zou aantasten en daarmee de identiteit van de christelijke school in gevaar brengen.
Het kernpunt
De bezwaren, die hiervoor tegen het voorontwerp werden aangevoerd, waren voor een belangrijk deel van juridische aard. Het voorontwerp, zo was de conclusie, is in strijd met de grondwet en met internationale traktaten. Hoe belangrijk deze bezwaren ook zijn, van nog meer betekenis is de principiële vraag, of de overheid, afgezien van de bestaande wettelijke bepalingen, het recht heeft een dergelijk discriminatieverbod in te stellen. Mag de overheid op deze wijze ingrijpen in de interne sfeer van levensbeschouwelijke instellingen? Mag de overheid wetten maken, die in strijd zijn met de levensovertuiging van die instellingen? Dr Henk van Luijk schreef in Elseviers Magazine van 6 febr., dat de uitspraak dat elke groep het belijden naar eigen inzicht gestalte kan geven, een onvolledige, naïeve en gevaarlijke uitspraak is. Het beginsel van godsdienstvrijheid houdt niet in, dat ik met een beroep op een voor mij dwingend goddelijk gebod het ritueel van het kinderoffer mag instellen.
De mensen mogen wel op religieuze wijze vorm geven aan hun religieuze overtuigingen. Zodra zij zich niet meer beperken tot strikt godsdienstige gedragingen van kerkelijke rituele aard, begeven de gelovigen zich, met hun door overtuiging geïnspireerd gedrag in het maatschappelijk verkeer. Daar moeten zij zich houden aan de regels, die zij niet alleen zelf opgesteld hebben.
Als er conflicten ontstaan moet de overheid als vertegenwoordigster van ons allen optreden.
Het is duidelijk, dat Van Luijk de godsdienstvrijheid beperken wil tot de binnenkamer. Wat godsdienst is, heeft hij niet begrepen. Ook het wezen van christelijke organisaties is voor hem een ondoorzichtige zaak. Hij spreekt over de behoefte om alle onderwijstaken evenals organisaties op welzijngebied te onderwerpen aan eisen van christelijke levenswandel. Want het behoort tot de religieuze ideologie om op een ongedefiniëerde manier "het hele leven" te willen omvatten. Wel wil hij een marge van eigenaardigheden toestaan zolang het gaat om volstrekt vrij te verkiezen verenigingen. Het is alsof je een liberaal uit de vorige eeuw hoort spreken. "Welnu, dan moet die minderheid maar worden onderdrukt, want dan is zij de vlieg die de ganse zalf bederft, en heeft zij in onze maatschappij geen recht van bestaan" (br. J. Kappeyne van de Copello, 8 dec. 1874).
Helaas spreken in deze tijd velen op dezelfde wijze en spreekt deze visie ook uit het voorontwerp.
Het antwoord van dr Van Luijk en vele anderen is, dat de overheid inderdaad in mag grijpen in de eigen huishouding van levensbeschouwelijke organisaties. Alleen sommige eigenaardigheden, die ongevaarlijk zijn, kunnen nog vrij gelaten worden. Zo gul mag de overheid nog wel met de vrijheid omspringen. Het gaat hier over het eigen recht van de zelfstandige levenskringen. Vroeger noemden we dat de soevereiniteit in eigen kring.
Naar onze opvatting moet de overheid afblijven van de interne structuur van deze levenskringen.
Wanneer de overheid allerlei dingen gaat doen, die tot de bevoegdheid van die levenskringen behoort, overschrijd zij haar competentie en doet een stap in de richting van het staatsabsolutisme.
Zo lang de levenskringen hun vrijheid gebruiken voor rechtvaardige belangen, moet de overheid daar buiten blijven. Dat betekent uiteraard niet een absolute onthouding van de kant van de overheid. Zij is wel verplicht op te treden als de publieke rechtsorde in het geding is en de rechtsbelangen van de onderdanen aangetast worden. Zoals b.v. bij het moderne kinderoffer (abortus).
Maar daarover gaat het niet bij dit voorontwerp. Het gaat daarin ook niet in de eerste plaats om gelijkheid en ongelijkheid van mensen, maar. om de ethische waardering van relaties tussen individuen en de praktische gevolgen daarvan voor andersdenkenden binnen de samenleving in hun verantwoordelijkheid jegens hun normatieve uitgangspunten, aldus Deputaten voor algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden van de Chr. Geref. Kerken. Het gaat om de vraag hoe men als mensen met elkaar omgaat.
Daar moet de overheid buiten blijven. Doet ze dat niet, dan tast ze onherroepelijk de vrijheid van de burgers aan. We stuiten hier op een moeilijk probleem door het feit, dat in ons land over ethische vraagstukken zeer verschillend gedacht wordt en de ontkerstening in ons land ver is voortgeschreden.
Discussies over abortus en euthanasie hebben dat al duidelijk laten zien.
Overeenstemming over principiële uitgangspunten kan niet door een machtswoord van de overheid afgedwongen worden. Dit betekent, dat bij religieus of ethisch geladen onderwerpen, waarover men op dat moment geen overeenstemming kan bereiken, de overheid moet ervoor waken, snel te beslissen. De overheid moet ervoor oppassen haar bevoegdheid en haar mogelijkheden te overschatten. De overheid oefent haar gezag uit door middel van feilbare mensen over mondige mensen met zeer uiteenlopende overtuigingen.
Het gevaar is, dat men rechtvaardig acht wat de meerderheid wil. Het recht van de meerderheid is echter nog niet de waarheid, is niet het recht van God.
Het zou anders liggen, als we een overheid hadden, die uitging van de belijdenis, dat Christus de Overste is van alle overheden. Maar dat is helaas niet het uitgangspunt van de staat der Nederlanden. Tegenover het geloofsleven wil men een politiek van neutraliteit voeren. Een neutrale staat is echter een onmogelijkheid. Dat blijkt ook uit dit voorontwerp. Men zegt uit te gaan van de gelijkwaardigheid van alle mensen. Dat klinkt geruststellend, omdat de Schrift : ons leert, dat alle mensen gelijkwaardig zijn. Bij de uitwerking wordt dit telkens verward met de gelijkheid van alle mensen en dan in revolutionaire zin. En dat is heel wat anders. De overheid overschat in dit voorontwerp haar kunnen wel heel erg. Feitelijk wil men door deze wet de mentaliteit van de bevolking veranderen. Een soort bekering per wet. In het Advies wordt deze bedoeling ook toegegeven .Voor strafmaatregelen wordt niet zoveel gevoeld. Dat is niet zo doelmatig, omdat het erom gaat de overtuiging veld te doen winnen dat deze discriminatie een afkeurenswaardige zaak is.
De overheid als zedenmeester , die ons met de plak tot bekering wil brengen.
Dat is niet alleen niet te doen met strafbepalingen, maar ook niet door civielrechtelijke regelingen.
Dat is niet alleen geen taak van de overheid, ze is er ook niet toe in staat.
Het voorontwerp bewijst dit. Om het doel te bereiken worden tegelijkertijd grondrechten als vrijheid van Godsdienst, persoonlijke levenssfeer en onderwijs aangetast. En toch blijft het een lekkend geheel. De mogelijkheden tot· ontduiken van de wettelijke zijde zijn legio.
Geen discriminatie
De ernstige bezwaren tegen dit voorontwerp mogen ons niet doen vergeten, dat discriminatie, het ongerechtvaardigd onderscheid maken, zonde is. Evenmin mogen wij voorbijzien, dat we in het verleden als christenen en ook als christelijke organisaties ons vaak aan discriminatie hebben schuldig gemaakt.
Het feit, dat de verschillende levenskringen hier een eigen verantwoordelijkheid hebben, moet er toe brengen zorgvuldig na te gaan in hoeverre hier verandering moet worden aangebracht.
Het gaat niet aan om de homofielen en de ongehuwd samenwonenden te ontslaan. Men zal elk geval apart met liefde en zorg moeten behandelen. Maar dat geldt ook voor heterofielen.
Ik begrijp, dat men niet elke homofiel in een jongensklas als leraar wil plaatsen. Maar men had mij in mijn jonge jaren ook niet als leraar moeten neerzetten in een klas met meisjes van ongeveer 16 jaar. Dat betekent geen discriminatie, maar rekenen met de zwakheid van die bepaalde homofiel en die bepaald heterofiel. Juist op christelijke organisaties rust de dure plicht gestalte te geven aan wat de Bijbel ons zegt over de omgang met onze medemensen.
Een sprookje
Daar was eens een keizer, die al zijn geld besteedde aan mooie kleren. Een paar vreemdelingen maakten hem wijs, dat ze stoffen konden weven, die onzichtbaar waren voor ieder, die niet geschikt was voor de betrekking, die hij vervulde.
De keizer bestelde deze kleren en de bedriegers deden alsof ze de keizer een nieuw kostuum aantrokken. In werkelijkheid trokken ze hem niets aan en stond hij in zijn hemd. Prachtig zeiden de bedriegers en heel de hofhouding zei het na.
De keizer zag ook geen kleren, maar hield zijn mond. Zo schreed de keizer over straat in zijn denkbeeldige kleren. Daar riep plotseling een kinderstemmetje: die man heeft helemaal geen kleren aan. De mensen begonnen te grinniken en riepen: de keizer loopt in zijn hemd.
De keizer schrok, maar liep door. Kleren onzichtbaar voor iedereen die niet geschikt is voor de betrekking die hij vervult. Zo vergaat het de overheid, die zich verbeurt aan een taak, die de hare niet is. Die overheid loopt in haar hemd.
(wordt vervolgd)