Toekomstverwachting (2)
1982-03-05
De menselijke maat- Jaargang 26
- nummer 9
We hebben aandacht geschonken aan tweeërlei toekomstverwachting. Er bleek nogal een groot verschil te zijn. De ene was optimistisch: alles sal reg kom met onze wereld. De andere was pessimistisch: het gaat onherroepelijk mis met onze wereld. Vaarwel Utopia!
En toch, hoe groot het verschil ook, er is een belangrijk punt van overeenkomst tussen beide verwachtingen. In beide gevallen is men namelijk uitgegaan van wat men aantreft in het heden. Zowel de optimistische als de pessimistische toekomstverwachting gaat uit van de menselijke mogelijkheden. Vroeger had men daar een hoge pet van op. Dus zouden er grootste dingen gebeuren. Vandaag ziet de mens zich de boel uit de hand lopen. Hij beheerst zijn mogelijkheden onvoldoende. Dus kan er van alles mis gaan.
Maar in beide gevallen is de toekomstverwachting gegrond op menselijke mogelijkheden of gebrek aan mogelijkheden. Er is slechts gerekend met menselijke maat!
Toekomst en tóekomst
Als we ons nu dan wenden tot de bijbelse toekomstverwachting, zien we juist op dit punt het grote verschil. In de bijbel gaat het over de toekomst van het Koninkrijk van God. Daarmee stappen we over van de wetenschap naar het geloof. De wetenschap is gebonden aan menselijke mogelijkheden. In het geloof keren we ons daarvan af en we richten ons op de daden van GÓd. En we klampen ons vast aan het woord van onze Heer Jezus Christus, die gezegd heeft: Wat bi] mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God! Dat is gebleken in de aanvang der tijden: In den beginne schiep God de hemel en de aarde. Wie kan dit anders dan God alleen? Dat zal ook blijken aan het einde van de tijd, wanneer God nieuwe hemelen en een nieuwe aarde schept. Maar dit laatste is in volstrekte zin tóekomst!
Het komt op ons toe als een absoluut nieuwe werkelijkheid. Het ligt niet in het verlengde van ons menselijk denken en handelen. Het komt niet op uit de geschiedenis. Het komt op ons toe van de andere kant. Van Góds kant!
Toekomstverwachting als drug
Nu worden christenen al sinds jaar en dag aangevallen op hun toekomstverwachting.
Ik denk aan de bekende uitspraak van Karl Marx: Godsdienst is opium van het volk. Geloof in een hiernamaals, waarin alles toch nog op zijn pootjes terecht komt, is een zoethoudertje dat mensen in slaap sust. En het verhindert hen het onrecht en de wantoestanden hier en nu te bestrijden op leven en dood. Volgens Marx e.a. is de bijbelse toekomstverwachting ook eigenlijk geboren uit onvrede met het bestaande èn uit onmacht daar iets aan te veranderen. De christelijke toekomstverwachting zou zijn geboren uit de nood. Nu hebben christenen eerlijk gezegd ook wel aanleiding gegeven tot zo'n oordeel. Want het komt nogal eens voor dat inderdaad in tijden van persoonlijke of algemene nood de aandacht voor en het verlangen naar de toekomst groeit. Terwijl de belangstelling voor wat de bijbel hierover zegt maar matig is als het leven vooralsnog als aangenaam en prettig wordt ervaren.
Ik denk aan het bekende gedicht van Okke Jager waarin de gelovigen allen 'ja en amen' zeggen als de predikant bidt: 'Kom haastig, Jezus!' Maar de boer zou wel graag eerst de opbrengst zien van zijn nieuw stuk land. En mevrouw wil nog haar bontjas showen op een kooravond. Het kind hoopt dat zijn vakantie er niet bij inschiet, maar onder schooltijd is Jezus natuurlijk van harte welkom. En de predikant zelf zou het ook wel begroten als hij geen gelegenheid meer kreeg zijn lezing over 'Christelijke toekomstverwachting' te houden!
Is inderdaad zo de werkelijkheid vaak niet? Zolang er hier nog een heleboel leuke en mooie dingen te beleven zijn voor de gelovige mensen hoeft de nieuwe aarde voor menigeen onder hen niet zo nodig. Daar gaan we vaak pas naar verlangen en uitzien als we onder druk worden gezet. En dat geeft niet-gelovigen dan weer aanleiding om te denken dat ons toekomstverlangen wordt geboren in noodsituaties. Ja, dat de wens dan de vader van illusies is!
Verwachting op grond van ervaring
De bijbelschrijvers zijn ons in zo'n houding echter niet voorgegaan. Zeker, in de donkere tijden van Israëls geschiedenis spraken de profeten over een lichtende toekomst. Maar hun verwachting werd niét geschapen door de nood. Nee, ze was gegrond in de ervaringen die Israël in het verleden met God had opgedaan. Zulke ervaringen waren er vele. Maar één ervan sprak toch altijd weer het meeste aan: Israëls bevrijding uit de wurggreep van machthebbers en goden bij de uittocht uit Egypte en de intocht in Kanaän. Op dit feit dat Israëls volksbestaan mogelijk maakte grijpen de profeten altijd weer terug om de gelovigen te bemoedigen met het oog op de toekomst. Deze uittocht en de verbondssluiting die daar onmiddellijk op volgde zijn de vaste grond voor een zeker vertrouwen.
Ik denk aan het woord van Jesaja: 'Maar nu, zo zegt de HEERE, uw Schepper, 0 Jakob, en uw Formeerder, 0 Israël: Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij door het water trekt (zoals eens door de Rode Zee), ben Ik met u; gaat gij door rivieren (zoals eens door de Jordaan), zij zullen u niet wegspoelen; als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden. Want Ik, de HEERE, ben uw God, de Heilige Israëls, uw Verlosser' (Jes. 43 : 1-3).
Zekerheid in psalmen
Het gelovige Israël is dáárom zo zeker van de toekomst, omdat het weet van het verléden en gelooft in de trouw van de God van het verbond die zijn trouw nooit opgeeft.
Van deze zekerheid zijn ook de psalmen vol. Vaak wordt er in één psalm gesmeekt en gedankt tegelijk. Eén typerend voorbeeld: ps. 13, een korte psalm. Vijf verzen lang een bittere klacht van een ten dode gedoemde, die geen uitweg ziet. Maar dan volkomen onverwachts in het laatste vers een juichtoon: 'Ik wil de HEERE zingen, omdat Hij mijn heeft welgedaan!' Is er tussen het Se en 6e vers een gunstige wending in het lot van de dichter gekomen? Nee, de aanleiding om te juichen is het vertrouwen op Gods goedertierenheid, dat is Gods belóófde goedheid. En daarom bezingt hij de verlossing die nog kómen moet (!) alsof ze al hééft plaats gevonden. Zo zeker is hij van Jahwe, d.i. Hij, die er is, de God van het heil.
De toekomst is al begonnen
In het N.T. is het al niet anders. Ook daar zijn de heilsverwachtingen gegrond in wat in het verleden is gebeurd. Maar nu wordt niet meer teruggegrepen op Gods daden van uittocht en intocht, maar op Zijn heilsdaden in het sterven en de opstanding van Jezus Christus en de uitstorting van de Geest. Deze daden zijn zo beslissend, dat we zelfs kunnen zeggen dat de toekomst al begónnen is! Door Christus is die toekomst voor eens en voor altijd veilig gesteld.
Want Hem is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde tot aan de voleinding der eeuwen. Sinds de hemelvaart heeft Christus het wereldbestuur vast in handen. En wat er sindsdien gebeurd is en nog gebeuren zal is niet anders dan de uitwerking van wat dankzij de opstanding van Christus al onomstotelijk vaststaat.
De vrucht van de Geest als voorschot
De toekomst is al begonnen. In dit verband moet ook gewezen op wat de gemeente van Christus ontvangen heeft in de Geest. We lezen in Rom. 8 : 23, dat de gelovigen de Geest ontvangen hebben als 'eerste gave', d.w.z. als een soort eerste termijnbetaling van de toekomst. 'De Geest brengt in het leven van de gelovigen enorme dingen tot stand. We krijgen een niet te verwaarlozen voorschot op de toekomst. De Geest en wat Hij in ons persoonlijk leven en in de gemeente tot stand brengt is een verrukkelijk voorproefje van wat we straks voluit genieten zullen. De liefde die de Geest in de harten van de gelovigen uitstort is in haar uitwerkingen zo overmachtig, dat het ons verzekert hoe eens heel de werkelijkheid naar dit patroon zal zijn herschapen. Voor ieder die leeft uit de Geest is de toekomst al begonnen.
Dat smaakt naar meer
Maar wie éénmaal van de vrucht van de Geest geproefd heeft, kan met dat weinige nooit meer tevreden zijn. Die houdt het in deze vervuilde en verwrongen wereld niet meer uit, omdat daar veel te weinig van de Geest van Christus in is. We lezen dan ook, dat de Geest de gelovigen tot zuchten brengt, tot een vurige verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam, de opheffing van de vergankelijkheid (Rom. 8 : 23). Hier zien we duidelijk, dat de toekomstverwachting niet wordt geboren in en uit de nood, maar juist uit de gedeeltelijke leniging van die de nood die onweerstaanbaar smaakt naar méér! Louter menselijke hoop vloeit voort uit gemis en onzekerheid. Maar de christelijke hoop ontspringt aan reeds verkregen bezit, dat uitzicht geeft op nog veel meer. Daarom is er ook in tijden van voorspoed en geluk toch altijd reden te over om reikhalzend naar de toekomst uit te zien. Immers, 'waar gouden de portalen zijn, hoe zullen daar de zalen zijn!' en 'indien van goud de gangen zijn, hoe groot moet mijn verlangen zijn, de zalen in te gaan' (Jacqueline v. d. Waals).
De werfkracht van de Geest
Het is de Geest die de harten van de gelovigen van verlangen naar de toekomst kloppen doet. De Geest is van de verhoogde en verheerlijkte Christus uitgegaan naar ons die Christus' bruid mogen heten. En Hij blijft bij ons en in ons tot het einde van de tijd.
Maar de Geest zal niet eerder volmaakt gelukkig zijn dan wanneer Hij de bruid bij haar Bruidegom heeft gebracht. Zo lezen we in Rom. 8 ook over het zuchten van de Geest zelf (vs. 26). Zoals Hij de gemeente tot zuchten brengt, zo zucht Hij ook zelf. En de Geest en de bruid roepen sámen: 'Kom, Heer Jezus! Kom haastig! (Openb. 22: 17). De Geest is min of meer te vergelijken met Eliëzer, de knecht van Abraham, die er op uit ging om voor de zoon van zijn heer een bruid te zoeken.
Maar toen de bruid gevonden was kon Eliëzer geen dag langer wachten.
Hij moest weer terug naar zijn heer. De Geest die uit God is wil weer terug naar God en naar Christus, zijn Zoon. En dat verlangen is aanstekelijk. Weer moet ik aan Eliëzer denken.
Hij wist Rebekka's liefde zó te wekken dat ook zij geen dag langer meer thuis wilde blijven. Zo doet de Geest het 'jawoord' van de gemeente tot Christus geboren worden en brengt Hij haar tot onstuimig verlangen naar de ontmoeting met haar bruidegom.
De vreugde en de vrede die de Geest al geschonken heeft doen ons verlangen groeien. Liefde en geloof brengen hoop voort. In het licht van wat God al gegeven heeft ontdekken we pas goed hoezeer de huidige situatie van onze wereld, zelfs de wereld op z'n best, vloekt met Gods gaven in Christus en de Geest. In geloof en hoop zullen we dan ook voortdurend in opstand komen tegen de status quo. De vreugde om wat we bezitten zal ons doen zuchten om wat we nog niet bezitten. En de Geest en de bruid zeggen, nee róepen dan samen: 'Kom!' Want wie bezield is door de Geest laat het niet bij een slap: Hij zal wel eens komen, vroeg of laat. Nee, die smeekt: Laat Christus toch komen, hoe eerder hoe liever, beter vandaag dan morgen. Want deze wereld is voor ieder die verder kijkt dan zijn neus lang is een verschrikking! Zo mág het niet langer doorgaan!
(wordt vervolgd)