Had ik dat maar geweten (10, slot)
1982-03-05
Driftbeheersing- Jaargang 26
- nummer 9
In de menswetenschappen zouden we (naar analogie van de psychoanalyse) het geweten kunnen vereenzelvigen met: de mate waarin en de wijze waarop een persoon zijn driften weet te beheersen. Deze definiëring is beperkt, maar biedt een redelijk werkkader om het nu volgende gedeelte uit te leggen: het strenge en het zwakke geweten.
Het strenge geweten
Kinderen (en volwassenen) die een te streng geweten hebben, zijn voortdurend bang dat ze het niet goed doen. Deze mensen zijn een last voor zichzelf. Als voor iemand de angst dat hij het verkeerd doet zozeer belemmerend werkt dat dit al zijn "psychische energie" opeist, spreken we wel van een (ernstige) neurose. Fraiberg (1) vergelijkt deze stoornis met een situatie van koude oorlog, waarbij men steeds grotere bedragen moet uittrekken voor verdedigingsdoeleinden, zodat er van het nationale inkomen steeds minder overblijft om in andere terreinen van de volkshuishouding te investeren. Op den duur blijft er nauwelijks nog energie over voor gezonde menselijke doeleinden (blz.
20). Ze verklaart deze reactiewijze o.a. uit een opvoedingspatroon waarbij de straffen van de ouders voortdurend worden overdreven (de straf staat in geen verhouding tot het vergrijp; blz. 223). We hoeven hierbij trouwens niet alleen aan directe straffen voor het kind te denken: een moeder die een half uur al zuchtend door de kamer loopt omdat haar dochter een glas melk heeft omgegooid, roept - zonder verder in te grijpen - door haar gedrag sterke schuldgevoelens bij het kind op.
Andere opvoedingsfactoren
Ook een te hechte relatie met één ouder kan sterke schuldgevoelens oproepen bij het kind omdat het veel te nauwkeurig probeert die ouder te vriend te houden (Herbert Kohnstamm) 2).
Ouders die bij voortduring te hoge eisen stellen of die veel kritiek leveren aan het adres van hun zoon of dochter, zonder dat daar positieve opmerkingen tegenover staan, lopen eveneens het risico dat ze teveel schuldgevoelens oproepen. Tenslotte noem ik het in overdreven mate oproepen van angstgevoelens bij het kind als een mogelijke reden voor krampachtige gewetensvorming.
Een extreem voorbeeld vinden we bij Langeveld (3): "de nurse van een oude Ierse vriend hield, toen hij nog een klein kereltje was, zijn vingertje in een kaarsvlam 'om hem een les te leren'. Zo zal het nu eeuwig zijn in de hel, en dan over je hele lijf", legde ze het brullende kind uit" (blz. 107).
Gereformeerde opvoeding
Herkent u het strenge geweten?
Deze krampachtigheid wordt vaak toegeschreven aan een christelijke opvoeding. Het is die vorm van opvoeding waar veel - in christelijke gezinnen opgegroeide - schrijvers zich tegen keren, en waar o.a. de psychiatrie een sterke afkeer van lijkt te hebben. Uit gemakzucht of wrok wordt iedere 'psychische oneffenheid' direct maar beschreven als een gevolg van die gereformeerde opvoeding. "Gereformeerd" en "krampachtig" lijkt dan ongeveer hetzelfde te zijn.
Schuldgevoelens bij ouders
De kritiek op 'autoritaire' opvoedingspatronen (in de zin van: dictatoriaal) heeft ertoe geleid dat veel ouders onzeker zijn geworden: ze durven nauwelijks meer grenzen te stellen. Ouders proberen 'begrijpend' en 'niet-straffend' te zijn. "Moderne ouders zijn bang om vanuit hun eigen moreel besef te reageren om vooral geen overdreven schuldgevoelens bij het kind te wekken" (Fraiberg, blz. 236). Het resultaat is dat ouders zelf met schuldgevoelens komen te zitten: grenzen stellen mag niet; soms gebeurt het toch, maar daar wordt het kind toch neurotisch van?
Twee kanttekeningen
Laat ik bij die visie een tweetal kanttekeningen plaatsen.
In de eerste plaats kan niet bewezen worden dat de ouders als 'boosdoeners' kunnen worden aangewezen als een kind met veel problemen opgroeit. Deze gedachte lijkt weliswaar sterk in de mode te zijn, maar de wijze waarop een kind zich ontwikkelt is van zoveel factoren afhankelijk, dat een oorzaakgevolg redenering als veel te simplistisch van de hand moet worden gewezen.
Evenmin is de gedachte juist dat het grenzen stellen aan kinderen hen neurotisch zou maken. Het gaat veel meer om de manier waarop ouders die grenzen aangeven.
Zo schrijft Fraiberg ten aanzien van het verbieden aan kinderen om bepaalde boeken te lezen of tv-programma's te zien: "Nog nooit ben ik een kind tegengekomen dat een neurose kreeg als gevolg van een standvastige maar tactvolle censuur en supervisie van de ouders. Nog nooit heb ik meegemaakt dat een goede relatie tussen ouders en hun kinderen verstoord werd doordat ouders van dit recht gebruik maakten"
(blz. 243).
De grenzen zijn zoek
In plaats van' te denken dat corrigeren van kinderen verkeerd is, zou men in onze tijd er juist meer oog voor moeten hebben dat het géén grenzen aangeven aan kinderen uiteindelijk zeer schadelijke gevolgen voor de persoonlijkheid kan hebben.
Het niet, of inconsequent, aangeven van de kaders waarbinnen het kind zich behoort te gedragen, zal leiden tot stuurloze kinderen met een gebrek aan zelfbeheersing.
Herbert (in: 2) toont aan dat kinderen die tussen de leeftijd van 3 en 5 jaar zichzelf onvoldoende in de hand weten te houden in hun agressieve neigingen, een grote kans lopen dat dit op oudere leeftijd eveneens het geval zal zijn. Met andere woorden: het zich moeilijk kunnen beheersen wordt een deel van de persoonlijkheid. Enigszins cynisch zou je kunnen opmerken dat de assertiviteitstrainingen precies op het verkeerde moment zijn gekomen ...
Het zwakke geweten
Een zwak geweten betekent dat het kind weinig last heeft van schuldgevoelens. Een overtreding wordt niet als zodanig gesignaleerd. "Oh, daar had ik zin in", is de laconieke reactie op het sarren van een vriendje. Het kind gaat ongehinderd zijn gang: hij doet wat zijn hand vindt om te doen. In extreme vorm kunnen we spreken van delinquent gedrag.
In de opvoeding
We hebben in de voorgaande gedeelten al aangestipt waardoor het kind een zwak geweten kan ontwikkelen; dit kan het geval zijn in een opvoedingssituatie waarbij het kind altijd zijn zin krijgt, doordat de ouders ieder conflict uit de weg gaan. Ook valt met name te denken aan ouders die zeer inconsequent zijn in hun systeem van belonen en straffen. In al deze situaties zal het kind niet de grenzen herkennen en aanvaarden waarbinnen het zich moet gedragen.
Ouders die kil zijn in hun houding ten opzichte van het kind, of die zeer tegenstrijdige gevoelens jegens hem koesteren, lopen eveneens een ernstige risico dat het kind niet in staat zal zijn een innerlijk richtsnoer te ontwikkelen.
Wisselende relaties
In een vorig artikel van deze serie werd er al op gewezen dat identificatie (vereenzelviging) met de opvoeders van fundamenteel belang is bij de gewetensontwikkeling. Kinderen die van het ene tehuis naar het andere tehuis 'verkassen' krijgen niet de kans om zich aan een vaste opvoeder te hechten. Triest is het verhaal van Koos, die waar hij ook kwam, in feite niet welkom was (in: 4, blz. 18). Zo'n jongen heeft niet alleen moeite om contacten te leggen met andere mensen, hij zal ook een grote kans lopen op een zwakke gewetensontwikkeling.
Gestoord geweten
De vraag wat een gestoord geweten is, valt niet zo één-twee-drie te beantwoorden.
Toch wil ik onder dit kopje nog één situatie noemen, nl. die situatie waarbij je wellicht van twee gewetens binnen één persoon zou kunnen spreken. Ik noem in dit verband Barbara, Julie en Will - in respectievelijk: Kok (4), Van der Hoeven (5), en Lidz (6). In al deze situaties gaat het om kinderen die niet de kans kregen om zichzelf te zijn. "Je hebt me doodgedrukt" is Julie's verwijt tegen haar moeder die haar een dwingend verwachtingspatroon had opgelegd. Barbara, altijd een heel volgzaam meisje, ging plotseling stelen, en haar schoolprestaties kelderden. Jeff was de 'bloem en glorie' van een rijke Amerikaanse familie, in werkelijkheid een zeer disharmonieus gezin. Jeff werd in een inrichting opgenomen, maar zijn moeder liet hem niet los: zelfs op de papiertjes van de bonbons die ze hem toezond waren mededelingen te vinden... Barbara, Julie en Jeff zijn kinderen die niet zichzelf konden zijn. De verwachtingen van de kant van de opvoeders waren te hoog gespannen. In zo'n situatie kan geen harmonieuze gewetens ontwikkeling plaatsvinden: er ontstaan als het ware twee gewetens binnen één persoon. Voor de gewetensontwikkeling is het erg belangrijk als het kind ruimte voor zichzelf krijgt. Let wel: het gaat hierbij om de emotionele ruimte die een kind wordt geboden.
Kinderen zijn geen bezit van ouders. Die gedachte kan ertoe bijdragen dat het kind zichzelf kan zijn. Daardoor kan ook het gevaar voor een krampachtige, moralistische gewetensopvoeding verminderd worden. "Te kunnen zijn die ik ben" is van fundamenteel belang voor ieder kind (Anna Terruwe; 7).
"Diep in ons, dieper dan het verstand, eigener dan het gevoel, is de laag waar wij beminnen, waar het geweten zetelt. God geeft het geloof in het diepste van de mens" (8).
Samenvatting: religieus
Aan het einde van deze serie nog een korte samenvatting. In de eerste drie artikelen werd ingegaan op theologische notities rond het geweten. We kunnen spreken van een "natuurlijk ingeschapen wetskennis: God heeft ons het geweten als bewaker gegeven" (9). Doordat we echter bij voortduring van God worden weggetrokken, mogen we niet ons geweten als laatste richtsnoer gebruiken: het geweten is niet hetzelfde als de stem van God. Hoe meer we echter naar Hem luisteren, hoe zuiverder ons hart, ons geweten, kan zijn. Daarom is het in de eerste plaats een religieus begrip.
Tegen deze achtergrond werden in het vierde gedeelte enkele filosofen beschreven ten aanzien van hun gewetensbegrip. Geconstateerd werd o.a. dat men veelal uitgaat van de autonome mens. Diezelfde gedachtegang ziet men eveneens heel sterk in onze tijd. "De schreeuw om waarachtigheid echtheid, waarbij men door de schone schijn heenprikt, is op zichzelf gezond. Maar wie daarbij de fout maakt, dat hij met alles wat echt en waarachtig is, en uit het hart voortkomt, in zee gaat, vergeet dat er niets zo verraderlijk is als he hart" (10). Wat het leven in de christelijke gemeente betreft, moeten we ons realiseren dat er binnen de Kerk een zekere mate van gewetensvrijheid dient te bestaan, uiteraard voor zover niet strijdig met Gods Woord (vgl. 1 Cor. 8).
Opvoeding
In het tweede gedeelte van deze serie werd ingegaan op enkele theorieën over het geweten. Bij de "oudere" pedagogen zien we dat er een duidelijk verband aanwezig is tussen geloofsovertuiging en gewetensopvoeding. De huidige theorieën over de gewetensontwikkeling zien dit begrip meer als autonoom proces zonder duidelijke reactie met een bepaalde overtuiging. Daarbij verschilt men van visie op de beïnvloedbaarheid van het geweten door de omgeving. Sommige theoretici lijken uit te gaan van een "gesundene Volksempfindung". Dit is slechts zeer ten dele waar: de omgeving heeft een buitengewoon grote invloed op het (morele) denken van de mens. Iets wat zeer vaak gehoord wordt zal uiteindelijk normaal worden gevonden. Als iets normaal wordt gevonden, zal het geweten niet meer spreken. Het geweten is als het ware "met brandijzers dichtgeschroeid". Hoewel in de eerste levensjaren van een kind de basis wordt gelegd voor de gewetensontwikkeling, kunnen we pas na enkele jaren spreken van een duidelijk functionerend geweten. Imitatie en identificatie spelen bij de gewetensontwikkeling een grote rol. De wijze waarop de ouders zelf met normen omgaan, is buitengewoon belangrijk en heeft een grote invloed op de wijze waarop het geweten van hun kinderen zich zal ontwikkelen. Het is niet juist om het kind te "overvoeren" met moralistische gedachten; het evenmin juist om ervan uit te gaan dat het kind zelf wel alles zal ontdekken: grenzen zijn nodig. Doel van de opvoeding is het kind in aanraking te brengen met de absolute norm van goed en kwaad. Die taak heeft God aan de opvoeders gegeven.
Literatuur
(1) S. M. Fraiberg: "De magische wereld van het kind" - Haarlem, 1981.
(2) R. Kohnstamm: "Kleine ontwikkelingspsychologie" - Deventer, 1981.
(3) M. J. Langeveld: "Kind en religie"Utrecht, 1966.
(4) J. F. W. Kok: "Wat is er toch met mijn kind?" - Rotterdam, 1980.
(5) J. van der Hoeven: "Wie doof is kan niet zingen" - Amsterdam, 1979.
(6) T. Lidz: "Oorsprong en behandeling van schizofrene stoornissen" - Baarn, 1977.
(7) A. A. A. Terruwe: "Geef mij je hand" - Lochem, 1973.
(8) Nieuwe Kathechismus (R.K.) - Hilversum/ Antwerpen, 1966.
(9) E. van Dorp-Stolk/M. Stip: "Het geweten"- In: De Civitate 32/2 - Utrecht, 1981.
(10) M. R. v. d. Berg: Jeremia (Opbouw - uitgave) - Zeist, 1980.