Het is nú de tijd...
1982-03-19
Tot op de laatste steen- Jaargang 26
- nummer 11
Petrus heeft niet alleen weet van zijn eigen einde (Joh. 21 : 18, 19) maar ook van dat van Jeruzalem: want het is nu de tijd dat het oordeel begint bij het huis Gods, de tempel. Over beide heeft hij Jezus zelf horen spreken. Petrus heeft Jezus horen zeggen: "Jeruzalem, Jeruzalem ... zie uw (ulieder) huis wordt aan u (ulieden) overgelaten" (Mt. 23 : 37-39). Net daarvoor is de moord op Zacharia, de zoon van Berechja, ter sprake gekomen - begaan "tussen tempel(huis) en altaar" (23 : 35). Maar misschien heeft H. N. Ridderbos gelijk als hij in de 'Korte Verklaring' schrijft: "... uw huis... , d.w.z. uw woonplaats, uw stad... zal worden prijsgegeven aan verwoesting en ondergang, vgl. Jer. 12 : 7". Maar dan zijn het, frappant genoeg, Jezus' discipelen - en dus ook Petrus - die in dat verband de tempel ter sprake brengen. Mattheüs vertelt: "En Jezus ging de tempel uit en vertrok. En zijn discipelen kwamen tot Hem om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen. En Hij antwoordde en zei tot hen: Ziet, gij dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken" (Mt. 24: 1,2).
Waren de discipelen onder de indruk van de pracht en praal van de tempel (waaraan inmiddels al 47 jaar was gebouwd), zij zullen niet minder onder de indruk geweest zijn van Jezus' voorzegging. Zoals wij van de meer dan letterlijke vervulling. Want de Klaagmuur is geen restant van de tempel, maar van de muur om de tempelberg.
Uitvoering van het vonnis
Natuurlijk vragen de discipelen, ontdaan als zij vanaf de Olijfberg zittend Jeruzalem en het door Jezus geschilderde tafereel in ogenschouw nemen: "zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?" (24 : 3). In de geest zien zij hun wereld ineenstorten. Typerend is, dat zij de voorzegde tempelverwoesting direct in verband brengen met Jezus' komst (parousie) en de voleinding (afsluiting) van de 'aioon', d.i. een bepaalde tijd met bepaald karakter, generatie. Op alle drie delen van de vraag gaat Jezus in. Op een punt laat Hij geen spoor van onduidelijkheid bestaan: "Ik zeg u, dit geslacht (genea) zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt" (24: 34). De generatie waarvan Petrus deel uitmaakt, zal het beleven.
Zei Jezus verder: "... maar het einde is het nog niet" (24 : 6), Petrus schrijft: "Het einde aller dingen is nabijgekomen", vlakbij (4 : 7). Hij gaat zelfs verder dan dat "nabij": "Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint... " (4 : 17). Reken "een geslacht", zoals vaker in de bijbel op veertig jaar. Jezus stierf in 33 of 34, Jeruzalem en de tempel worden verwoest in 69/70. Binnen veertig jaar. Als Petrus schrijft is er al een goed deel van die tijd verstreken. Greijdanus denkt aan ,,± 63, dus v66r de uitbarsting der vervolging op Nero's beschuldiging in 64 ... "
Het "einde" is "nu"
Ja ja, het einde aller dingen is nabijgekomen: het oordeel begint, staat te beginnen bij het huis Gods, bij de tempel in Jeruzalem. Het oordeel: het vonnis, de straf èn de uitvoering daarvan. Zoals wij spreken over 'een leven als een oordeel': horen en zien vergaat je. Nu is de tijd gekomen. De tijd: het punt, het ogenblik om in te grijpen; het kritieke, beslissende moment. Je zou vrij kunnen vertalen: nu is de tijd rijp dat de uitvoering van het vonnis begint.
Hoe kan Petrus daar zo zeker van zijn? Om te beginnen kan hij rekenen: dit geslacht, deze generatie. Bovendien ziét hij de tijd rijp worden. Jezus had o.m. gezegd: "en omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen" (Mt. 24 : 12). Petrus spoort zijn lezers aan "de tijd, die nog rest in het vlees" te leven naar de wil van God. "Want er is tijd genoeg voorbijgegaan met 't volbrengen van de wil der heidenen, toen gij wandeldet in allerlei losbandigheid, begeerten, dronkenschap, brassen, drinken en onzedelijke afgoderij". Zij volbrachten de wil der heidenen, zij het dat dat verleden tijd is. Maar "daarom bevreemdt het hen, dat gij u niet met hen stort in diezelfde poel van liederlijkheid, en zij belasteren u - maar zij zullen daarvan rekenschap moeten geven aan Hem, die gereed staat levenden en doden te oordelen" (4 : 1-5). Hoeveel klem heeft dan het woord dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint...
Ternauwernood
Het evangelie is gebracht (4 : 6). Maar: als het (oordeel) bij 6ns begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods? (4 : 17).
Zegt Jezus: "wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden" (Mt, 24 : 13), Petrus spoort aan tot die volharding (wapent u! 4 : 1) en onderstreept dat nog eens (komt dus tot bezinning... 4 : 7). Met daarbij de waarschuwing: "en indien de rechtvaardige ternauwernood behouden wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen?" (4: 18).
Waar blijven die? Die blijven nergens... Ze zijn reddeloos verloren. Dat is gebleken bij de verwoesting van Jeruzalem. Daar bleek ook dat de rechtvaardige zich maar nauwelijks, op het nippertje, kon redden... Je zou, als sommigen, kunnen denken aan Spreuken 11: "Zie den rechtvaardige wordt vergolden op aarde, hoeveel te meer den goddeloze en den zondaar!" (Spr. 11 : 31). Maar nog veel concreter wordt het als je weer aan Jezus' woorden denkt: "Wie op het dak is ga niet naar beneden om zijn huisraad mee te nemen... Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen... Bidt, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat. Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden... (Mt. 24 : 17-22). Z6 gering zijn de overlevingskansen, zó ternauwernood wordt een rechtvaardige gered...
In goede handen
Het wordt een lijdensweg voor de rechtvaardigen. Het lot van Jeruzalem zal repercussies hebben overal in het Romeinse rijk - christenen waren niet in tel, maar als ze dan ook nog van joodse afkomst waren... Een lijdensweg - ja. Maar "laten derhalve ook zij, die naar de wil van God (vgl. 4 : 2) lijden, hun zielen (hun leven) aan de getrouwe Schepper overgeven, steeds het goede doende." (4 : 19). Dat doet denken aan Jezus' laatste woord op zijn lijdensweg: "Vader in uw handen beveel Ik mijn geest" Luc. 23 : 46) - woorden ontleend aan Ps. 31 : 6 (bij de Joden tot avondgebed van de kinderen geworden). Woorden waarmee een christen als Stefanus (Hand. 7 : 59) kan sterven: hij weet zich in goede handen!