Kerk en voedselbank

2008-07-04
  • Jaargang 52
  • nummer 14
'Er zullen altijd armen bij u zijn.' Een tijdlang leken deze woorden uit Deuteronomium 15 niet echt te gelden voor de Nederlandse samenleving.
Als er al armoede voorkwam in onze welvaartstaat, dan zorgde de overheid wel voor een sociaal vangnet.
Inmiddels staat armoede echter weer op de maatschappelijke agenda.
De ruim tachtig voedselbanken in ons land getuigen van armoede onder ons. Maar wat is de rol van de kerk?

De eeuwen door hebben christenen zich altijd in het bijzonder ingezet voor armen en zwakkeren in de samenleving. In de anonieme Brief aan Diognetus (eind tweede eeuw) wordt over christenen gezegd: 'Ze zijn arm, maar maken velen rijk.' Deze opmerking was vooral bedoeld als een verdediging van het christelijk geloof, maar waarschijnlijk zetten de eerste christenen zich ook echt in voor armen en zwakken.

Vanaf de vierde eeuw wordt de kerk betrokken bij de armenzorg van de overheid. De bisschop speelt daarbij een centrale rol, geassisteerd door enkele diakenen. De kerk krijgt niet alleen financiële steun van de staat, ook particulieren kunnen bij testament geld of bezittingen schenken.
De invloedrijke bisschop Basilius van Caesarea geeft de kloosters een belangrijke functie in de sociale zorg, zoals de uitdeling van voedsel, de verpleging van zieken en het onderwijs.

In de loop van de Middeleeuwen worden kloosters en kerken steeds rijker. Ondertussen heeft de theologie geen antwoord op het probleem van de armoede. De Bijbel leert immers dat er altijd armen zullen zijn? Wel klinkt onder monniken meer dan eens een roep tot hervorming van de rijk geworden kerk. In de dertiende eeuw, een tijd van grote armoede, willen Franciscus van Assisi en zijn volgelingen Jezus volgen door in volstrekte armoede te leven. Als 'bedelmonniken' laten zij zich door de bevolking onderhouden.

Een structurele oplossing van het armoedeprobleem komt er pas aan het begin van de moderne tijd. Al voor de Reformatie gaat de overheid zich in de steden bemoeien met problemen als bedelarij en honger.
Wie kan werken moet werken, maar voor 'echte armen' springt de overheid bij. Deze niet-kerkelijke armenzorg is wel religieus geïnspireerd. In veel Nederlandse steden moeten 'Heiligegeestmeesters' in naam van de overheid zorgen voor de christelijke naastenliefde.

Wanneer de gereformeerden het vanaf 1572 in Nederland voor het zeggen krijgen, introduceren zij een nieuw soort kerkelijke armenzorg, de 'diaconie'. Zij volgen de ideeën van Calvijn, die vond dat de kerk in Genève zelf voor de armen moest zorgen. Maar hoe verhoudt deze nieuwe diaconie zich tot de bestaande vormen van armenzorg door de overheid? Dit is een beladen vraag, omdat de overheid sinds de Reformatie de bezittingen van de oude kerk beheert. Wat doet zij met het geld dat oorspronkelijk bestemd was voor armen?

Uiteindelijk wordt in de meeste plaatsen in Nederland wel een polderoplossing gevonden. Soms krijgt de gereformeerde diaconie geld om voor haar eigen leden te zorgen, soms zorgt de overheid voor alle bewoners en hoeft de kerkelijke diaconie alleen in bijzondere situaties bij te springen.
Pas in de negentiende eeuw worden de taken van overheid en kerk op het gebied van de armenzorg ontkoppeld.
Sommige gereformeerden hebben moeite met deze ontwikkeling.
Mag je als christen wel gebruikmaken van sociale voorzieningen van de overheid? Moet de kerk niet voor haar eigen armen zorgen?

In de twintigste eeuw richt het werk van de diaconie zich steeds meer op sociaal-maatschappelijk werk en op hulpverlening in het buitenland.
Inmiddels biedt de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) kerken weer nadrukkelijk de mogelijkheid in de eigen samenleving diaconaal actief te zijn. En dat is goed, want er zijn altijd mensen in de buurt die onze hulp nodig hebben.

Daniël Timmerman is predikant in Breukelen en promovendus aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.

Zie ook www.kanonenmug.web-log.nl.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief