Metterdaad en in der waarheid
1982-04-09
Dr. D. J. Winkel: "Metterdaad en in der Waarheid" - Kijk op evangelisatie en werken aan een missionaire gemeente.- Jaargang 26
- nummer 14
Uitgave van J. H. Kok te Kampen - 137 pag. - f 19,90
"Metterdaad en in der waarheid". Misschien vindt u dit op het eerste gezicht een beetje een wonderlijke titel. Maar u wordt door de auteur, die aan het gereformeerd evangelisatiecentrum verbonden is en al meer werken op dit gebied op zijn naam heeft staan, gauw uit de droom geholpen. Met de titel wordt gedoeld op het woord waarmee de overleden docent van Kampen - A. Brummelkamp - door W. H. Gispen werd getypeerd.
In dit boek gaat het dan ook over het optreden van A. Brummelkamp, een man, die in de tijd van de Afscheiding een eigen bijdrage aan de ontwikkeling van de kerkgeschiedenis heeft geleverd. Maar het gaat vervolgens ook over Mr. Dr. Willem van den Bergh uit Voorthuizen in zijn strijd in de tijd van de Doleantie. Twee figuren dus, die uit de Hervormde kerk afkomstig hun inbreng hebben gehad in de ontplooiing van bepaalde evangelische activiteiten onder de Afgescheidenen en de Dolerenden. Het eerste gedeelte van het boek gaat daarover. Ons wordt een levens- en situatieschets van beide Woorddienaren geboden, die zonder meer boeiend moet worden genoemd. Uiteraard kon Dr. Te Winkel niet alles opsommen en heeft zijn beschrijving hier en daar een duidelijk fragmentarisch karakter. Maar men krijgt heel wat materiaal aangereikt waarmee men zijn winst kan doen. Zoals Prof. Lucas Lindeboom eens getypeerd werd als "Man van conflict... tóch van eenheid", zo zou men ook deze beide mannen recht doen wanneer men een dergelijke betiteling op hen van toepassing zou achten. Brummelkamp streefde naar openheid! De Afscheiding was voor hem absoluut geen sektarische daad! En Van den Bergh was nergens een kerkist! Hij stond de hereniging van alle gereformeerden hartelijk voor. Alleen maar...met een kerkelijke vereniging moest een geestelijke gepaard gaan. Hereniging met de Here moet de grond zijn van de vereniging met elkaar, zo stelde hij (pag. 57). In dit boek wordt door Te Winkel de nodige aandacht besteed aan de independentische trekken van Brummelkamp. Die had hij ongetwijfeld! Gekomen uit het Hervormde kerkinstituut waar hij geconfronteerd was met een ergerlijke vorm van hiërarchie, had hij de grootste moeite met het eerste lid van artikel 31 DKO waarin de bevoegdheid van meerdere kerkelijke vergaderingen wordt geformuleerd. (Ds. W. de Graaf memoreert dit in zijn boek: "Een moment der Afscheiding"). Maar daar staat bij BrummeIkamp toch ook iets tegenover!
Dit wordt door Prof. C. Veenhof vermeld in zijn levenswaardig boekje: "Kerkgemeenschap en Kerkorde". Brummelkamp weigerde in de gemeente van Zalk ambtsdragers te bevestigen als de kerkenraad aldaar zieh niet wenste te onderwerpen aan de Utrechtse Kerkorde. De kerkenraad wilde op die eis van Brummelkamp niet ingaan en de bevestiging werd niet door Ds. Brummelkamp, maar door Schouwenberg verricht (zie C. Veenhof a.w. pag. 36).
Het is te betreuren, dat Te Winkel van dit werk van Veenhof geen gebruik gemaakt heeft, terwijl hij in een ander verband de naam van Veenhof wèl in zijn boek noemt. Hoe men ook over de kwestie als zodanig mag denken, duidelijk is, dat Brummelkamp in dàt opzicht plotseling wèl zich wilde bewegen binnen de grenzen van een KO en een kerkverband. Dr. Te Winkel zoekt aan alle kanten naar de betrokkenheid van Brummelkamp en Van den Bergh op de evangelisatie en heeft daarvoor een bepaalde definitie gevonden, die hij als volgt verwoordt: "Iemand, die bezig is met evangelisatie, kan als evangelist betiteld worden. Wij zouden dit woord ook willen gebruiken voor iemand, die leeft vanuit een evangelisatorische houding. En dát zouden we "missionair in de brede betekenis van het woord" willen noemen. Variuit onze visie op evangelisatie en missionair is Brummelkamp zeker als een evangelist te typeren" (pag. 36, 37). En Van den Bergh kan gewaardeerd worden "als een evangelist met een sterk diaconale inslag met een paar leraarsachtige onderstroompjes" (zie pag. 69). Wij plaatsen bij deze korte citaten twee kanttekeningen: In de eerste plaats spreken wij liever niet van missionaire activiteiten van de gemeente als we doelen op een evangelisatorische krachtsontplooiïng van de kerk. Ik kan mij wel voorstellen, dat men binnen de gereformeerde kerken steeds minder het verschil ziet, omdat men meent als kerk in de grote steden met name in een zendingssituatie verzeild te zijn geraakt vanwege een ontstellende rand- en onkerkelijkheid in eigen kerkelijke kring. Toch zou ik het één van het ander willen blijven onderscheiden, al zal velen dat misschien als ouderwets voorkomen.
Voorts vraag ik mij af of je op grond van de verzamelde gegevens beide figuren als evangelisten kunt karakteriseren. Is dat niet wat constructief en doet dat niet een beetje geforceerd aan?
De grootste moeite heb ik met dit boek wanneer de schrijver de gegevens, die hij aan het optreden van Brummelkamp en Van den Bergh heeft ontleend, gaat inpassen in de denkbeelden, die vandaag de dag binnen de gereformeerde kerken een rol spelen. Het moet toch duidelijk zijn, dat het spreken over de politiek en het bevorderen van het betrachten van gerechtigheid in de dagen van Brummelkamp en Van den Bergh iets anders was dan wat men er vandaag in allerlei kerkelijke groeperingen van maakt. Nergens gingen de man van de Afscheiding en de figuur, die leiding gaf aan de Doleantie, ervan uit, dat de dominee zijn politiek program moest dikteren aan de gemeente met de eis ervoor te capituleren. De verschillen waarover Te Winkel het op pag. 76 van zijn boek heeft, waren verschillen, die aangetroffen werden binnen het raam van de confessie. Vandaag de dag zijn er helaas velen in de gereformeerde kerken, die met een beroep op de pluraliteit van de kerk het geoorloofd achten binnen de kerk te blijven functioneren met loslating van hele stukken van de belijdenis. Het zit vast op de verschuiving in de doelstelling van het evangelisatiewerk binnen de gereformeerde kerken. In 1923 zei de synode van deze kerken: "De evangelisatie bedoelt degenen, die vervreemd zijn van Gods Woord en van de dienst des Heeren te roepen tot de Heere en dus ook tot de Kerk des Heeren" . Vijftig jaar later, in 1973, omschreven de generale evangelisatiedeputaten evangelisatie als volgt: "Die communicatieve bestaanswijze en werkzaamheid, waarbij de gemeente (leden), als deelgenoten in Jezus' zending, uitnodigen om te delen in het bevrijdend handelen van de Heer". In een discussie, die enige tijd geleden gepubliceerd werd in het "Centraal Weekblad"
en die gevoerd werd door Drs. J. B.G. Jonkers en Prof. Dr. K. Runia, kwam duidelijk uit hoe de kijk op evangelisatie binnen de gereformeerde kerken ingrijpend veranderd is in een tijdsbestek van 25 jaar. Prof. Runia wil het dialogisch moment in de evangelieverkondiging in het NT niet ontkennen, maar vindt nergens aanleiding voor de door Jonkers verdedigde zienswijze, "dat gelovigen en ongelovigen als gelijkwaardige partners samen op zoek zijn naar de grote plus, die het evangelie is". Runia handhaaft de eis, dat een mens ook vandaag bekeerd, totaal omgekeerd moet worden! En terecht! Dan mag men voor mijn part ook nog wel spreken van het "zieltjes winnen voor de Here" mits men het goed interpreteert. Van Ruler schaamde zich voor een dergelijke uitdrukking niet als hij iets van de roeping van de kerk aanduidde.
Onze slotconclusie is: Er staan zeer veel wetenswaardige dingen in dit met vaart en visie geschreven boekwerk. Er wordt veel stof tot nadere bestudering aangeboden en het verdient met het oog daarop zeker aanbeveling! Maar Dr. Te Winkel laat te vlot de historie op zijn visie aansluiten terwijl wij eerder in dàt verband van kortsluiting dan aansluiting zouden willen spreken. Ook komt helaas het primaire in heel het evangelisatiewerk, nl. de verkondiging van Gods Woord, in dit boek veel te weinig uit de verf. En dat betreuren wij eigenlijk het meest!