De wetenschap en het verstaan van de Schrift
1982-04-16
Met dit artikel wil ik reageren op een artikel van ds. Janssen in "Opbouw" van 8 januari j.l., getiteld 'Het letterlijk verstaan van de Schrift'. Ds. Janssen betoogde in dat artikel, dat de wetenschap geen invloed mag hebben op de uitleg van de Heilige Schrift. Een werkelijk verstaan van de Schrift is alleen mogelijk, als wij, niet gehinderd door enig wetenschappelijk oogmerk of vooroordeel, de Schrift zèlf aan het woord te laten en luisteren naar hetgeen zij tot ons te zeggen heeft. Deze stelling werd verdedigd in het kader van een opstel over het letterlijk verstaan van de Schrift, waarin vooral bepaalde fundamentalisten verweten werd, dat zij de manier waarop de Schrift moet worden uitgelegd (letterlijk of figuurlijk) bewust of onbewust laten bepalen door een wetenschappelijke belangstelling. De Schrift zèlf, aldus ds. Janssen, wijst ons de weg inzake de vraag, of zij letterlijk, dan wel figuurlijk moet worden opgevat. Mits wij - en daar draait het om - de Schrift onbevangen en onbevooroordeeld lezen. Leest men de Schrift door een wetenschappelijke bril of vanuit een wetenschappelijk vooroordeel, dan laat men de Schrift zelf niet voldoende aan het woord, en interpreteert men haar letterlijk dan wel figuurlijk, niet omdat zij zelf zo wil worden verstaan, maar omdat men dat nodig heeft voor zijn wetenschap.- Jaargang 26
- nummer 15
Tot zover ds. Janssen, die bij wijze van voorbeeld wijst op de creationistisch exegese van Genesis 1, die Z.i. te veel bepaald wordt door de behoeften van de creationistische wetenschap.
Graag wil ik mijn instemming betuigen met de grondgedachte van dit artikel van ds. Janssen, namelijk dat wij de Schrift alleen verstaan zoals zij zelf verstaan wil worden, als wij haar zèlf aan het woord laten. We moeten luisteren naar hetgeen de Schrift tot ons te zeggen heeft, en ons daarin niet laten hinderen door enig wetenschappelijk vooroordeel. De vraag is alleen, of de kwestie van de wetenschap en het verstaan van de Schrift zo gemakkelijk kan worden afgedaan.
Zelf ben ik sinds jaar en dag bezig met een min of meer fundamenteel onderzoek naar de relatie tussen de Schrift en de wetenschap, waarin ook de invloed van de wetenschap op de exegese van de Schrift aan de orde komt, en ik kan de lezer verzekeren, dat deze problematiek buitengewoon ingewikkeld is. De vraag kwam dan ook bij mij op, of de wetenschap zich zo gemakkelijk buiten spel laat zetten, als ds. Janssen suggereert.
Daarbij voegde zich dan nog een tweede vraag, van meer algemene aard: is de hele probleemstelling van het letterlijk of figuurlijk verstaan van de Schrift eigenlijk wel juist? Berust deze probleemstelling niet op een versmalling van de taal tot bewérende taal en op een miskenning van het eigen karakter van de verschillende soorten teksten (zoals psalmen, geschiedenissen, profetieën, gelijkenissen, kronieken, registers, brieven, wetboeken, redevoeringen enz.), die elk naar hun eigen aard moeten worden verstaan?
Letterlijk en figuurlijk
Het blijkt, dat het dilemma 'letterlijk of figuurlijk' eigenlijk helemaal niet zo duidelijk, en voor de meeste soorten uitspraken en teksten althans als dilemma volkomen onvruchtbaar is. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat men in de geschiedenis van de hermeneutiek (d.i. de wetenschap van het verstaan van teksten) nooit een tegenstelling heeft gemaakt tussen een letterlijk verstaan en een figuurlijk verstaan van de Schrift. Waar de Schrift zich bedient van beeldspraak, is dat in de regel immers reeds onmiddellijk herkenbaar aan. de normale taalkundige structuur ervan.
Laten we een voorbeeld nemen uit de berijmde psalmen in het Liedboek voor de Kerken. Aan de uitspraak 'Rivieren klappen in de handen, de bergen jubelen het uit' (psalm 98 : 4) zien we onmiddellijk - aan de 'letter' - dat zij bedoeld is als beeldspraak. Zo'n uitspraak verstaan als beeldspraak, is dan ook in de ware zin van het woord volkomen 'letterlijk': het doet recht aan de normale taalkundige structuur van de 'letter'. Hetzelfde geldt voor àlle teksten, en in het bijzonder ook voor de Heilige Schrift. Het is dan ook beter, om 'letterlijk' niet tegenover 'figuurlijk' te plaatsen, en het dilemma 'letterlijk of figuurlijk' maar te laten vallen.
In de geschiedenis van de hermeneutiek stond het letterlijk verstaan van de Schrift niet tegenover het figuurlijk verstaan ervan, maar tegenover o.a. de allegorische interpretatie en de mystieke interpretatie, die achter de normale, door taalkundige regels bepaalde betekenis van de tekst een diepere betekenis zochten, die beschouwd werd als de eigenlijke betekenis van de tekst. Het zal duidelijk zijn, dat deze typen van interpretatie afweken van hetgeen de tekst zelf zei, en derhalve niet aan de tekst te toetsen waren. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de Reformatie aan het Sola Scriptura de uitsluitend letterlijke interpretatie van de Schrift verbond: alleen hetgeen de Schrift zelf werkelijk zei, mocht gelden - niet hetgeen de mensen de Schrift Heten zeggen. De Reformatie sloot daarmee allerminst het figuurlijk verstaan van beeldspraak uit. Dat werd terecht onder het 'letterlijk' verstaan begrepen.
Samenvattend kunnen we stellen, dat de probleemstelling 'letterlijk of figuurlijk' onduidelijk en verwarrend is. Ik geloof er dan ook niets van, dat de Schrift zèlf ons zou zeggen, of zij letterlijk, dan wel figuurlijk wil worden verstaan! De Schrift laat zich niet uit over onze warrige problemen. De Schrift zegt, wat zij zegt, en dat is altijd, wat zij lètterlijk zegt, óók als zij het 'figuurlijk' zegt. De vraag is echter, wàt zij zegt, en daarmee kom ik terug op mijn eerste vraag: is de exegese zo gemakkelijk van de wetenschap te isoleren, als ds. Janssen doet?
Wetenschap en exegese
Het is niet moeilijk om aan te tonen, dat deze kwestie niet zo eenvoudig ligt, als ds. Janssen doet voorkomen. In de eerste plaats valt op, dat hij toegeeft, dat een onbevooroordeelde exegese van de Schrift onmogelijk is. Hij moet wel. "Alle in de Schrift verhaalde feiten staan dáármee (met Gods heil voor zondaren, J. C. P.) in betrekking, en dat is voor de exegese het enige wettige vooroordeel". Maar is dat niet in strijd met de eis, dat we de Schrift onbevooroordeeld moeten lezen en verstaan? "We moeten ons" zegt ds. Janssen eerder, "ervoor wachten, met vooroordeel de Schrift te lezen". Nu blijkt echter, dat die eis afgezwakt moet worden.
Er is één vooroordeel, dat niet alleen geoorloofd, maar ook noodzakelijk is, namelijk dat de Schrift geheel betrokken is op het heil.
Het probleem, dat hier ligt, is het volgende: Hoe wéét u, dat de Schrift geheel op het heil betrokken is? Dat staat nergens in de Schrift. De Schrift geeft geen Schriftbeschouwing!
Het antwoord op de gestelde vraag luidt: Dat de Schrift geheel betrokken is op het heil, is een resultaat van theologische bezinning op de Schrift. Het is dus een vooroordeel in de exegese van de Schrift, dat ontleend is aan een theologische Schriftbeschouwing.
Maar dan rijst de vraag, of hier niet toch sprake is van een invloed van (theologische) wetenschap op de uitleg van de Schrift! Kan ds. Janssen aan een dergelijke invloed ontkomen? Is het vooroordeel, dat hij 'het enige wettige' noemt, niet evenzeer van wetenschappelijke oorsprong als de vooroordelen die hij bestrijdt?
Daarmee kom ik op mijn tweede punt. Ten onrechte identificeert ds. Janssen de wetenschap met de natuurwetenschap. Weliswaar noemt hij terloops naast de natuurwetenschap ook de geschiedwetenschap, maar een en andermaal wisselt hij 'natuurwetenschap' probleemloos af met 'wetenschap', daarmee de indruk wekkend, met het laatste woord hetzelfde te bedoelen als met het eerste. Hoe dit ook zij, opvallend is, dat de theológische wetenschap erbuiten valt. Nu is bekend, dat zowel theologen als andere wetenschappers er een gewoonte van maken, de theologie en de rest van de wetenschap van elkaar te scheiden. Daarbij wordt. dan de theologie door niet-theologen de wetenschappelijke status ontzegd, terwijl de theologen willen vasthouden aan het wetenschappelijk karakter der theologie, dat in hun ogen echter van principieel àndere aard is dan dat van de overige wetenschappen. Beide standpunten doen echter geen recht aan de éénheid der wetenschap.
De theologie kan niet van de rest van de wetenschap gescheiden worden, omdat de wetenschap een onverbrekelijke samenhang vertoont, waaraan ook de theologie niet kan worden onttrokken. Wel is de theologie door haar veld van onderzoek en door de daarmee samenhangende theologische methode van de andere wetenschappen onderscheiden, maar zij hangt niettemin methodisch en logisch met de overige wetenschappen samen, zodat de resultaten van die wetenschappen van belang zijn voor de theologie en omgekeerd.
Welnu, als men erkent, dat men de Schrift niet verstaat zonder een bepaalde kijk op de aard en de scopus der Schrift, en dat deze kijk beïnvloed wordt door de theologische Schriftbeschouwing - en dat valt mijns inziens niet te ontkennen -, dan is de exegese van de Schrift niet van de resultaten der theologische wetenschap te isoleren. Zelfs als men eenvoudig 'gelovig luistert' naar de Schrift, is daarin toch een bepaalde voor-exegetische Schriftbeschouwing present, die niet louter aan de Schrift zelf is ontleend, maar zich mede onder invloed van een gelovig verwerkte theologie heeft ontwikkeld. Anders gezegd: het gelovig luisteren naar de Schrift is nooit volstrekt voor-theoretisch.
Het is altijd op een of andere manier beïnvloed door de neerslag van theologische kennis in geloofskennis.
Maar we moeten nog een stap verder gaan: omdat de wetenschap een éénheid is, kan de theologie niet van de andere wetenschappen gescheiden worden. Dat betekent, dat de exegese van de Schrift niet alleen niet van de resultaten der theologie, maar ook niet van de resultaten der overige wetenschappen kan worden geïsoleerd. De conclusie luidt dan ook: De Schrift kan niet worden verstaan zonder een vooroordeel, dat op z'n minst mede door de resultaten der wetenschap beïnvloed is. Ik heb dit laten zien voor de Schriftbeschouwing, die in elk verstaan van de Schrift is verondersteld.
Het vooroordeel houdt echter méér in - onder andere ook een bepaalde kijk op de werkelijkheid, op de mens, op de geschiedenis en op God. Ik moet dat verder laten rusten. Voldoende is te constateren, dat de wetenschap altijd invloed heeft op de exegese van de Schrift, en dat ds. Janssen dat voor zover het de theologische wetenschap betreft ook moeilijk kan ontkennen. Resumerend kunnen we stellen, dat de verhouding van wetenschap en exegese op zijn minst veel ingewikkelder is, dan ds. Janssen ons wil doen geloven. En dat heeft gevolgen voor onze beoordeling van de evangelische wetenschap, die zich op bijbelse gegevens wil baseren (zoals het creationisme in de natuurwetenschap).
Bijbel en wetenschap
Ik vind, dat ds. Janssen zich van het laatste probleem afmaakt met een al te goedkope oplossing. "De Bijbel", zegt hij in navolging van vele anderen, "is geen handboek voor de wetenschap". "De Bijbel voert geen wetenschappelijk doel, maar geeft geloofsuitspraken" . "De Bijbel spreekt in geloofstaal". Deze en dergelijke beweringen vindt men bij velen in onze kring, en worden volkomen ten onrechte beschouwd als de afdoende oplossing van een uiterst ingewikkeld probleem, nl. dat van Bijbel en wetenschap.
Laat ik de kwestie aanpakken bij het laatste citaat. Wat bedoelt men, als men zegt, dat de Schrift in geloofstaal spreekt? Wat is geloofstaal eigenlijk? Waarin verschilt zij van àndere omgangstaal? Betreft het verschil de situatie waarin men spreekt, bijvoorbeeld de eredienst, of de godsdienstoefening in het algemeen? Of gaat het om de aard van de uitspraak, bijvoorbeeld als talige uitdrukking van hetgeen men gelooft? Ik ben van mening, dat het gebruik van het woord 'geloofstaal' zonder meer misleidend is, zolang men niet uitlegt, wat men bedoelt.
Het is namelijk heel goed mogelijk, dat men er helemaal niets mee bedoelt, maar alleen maar het idee heeft, iets zinnigs te zeggen.
Ds. Janssen wekt de indruk, dat het in geloofstaal gaat om het doen van geloofsuitspraken. Maar wat zijn 'geloofsuitspraken'? Voor mijn besef zijn dat uitspraken, die een bepaald geloof uitdrukken, zoals 'Ik geloof dat Jezus leeft'. Maar neem nu een willekeurige uitspraak uit de Schrift als Lucas 8 : 40: 'Toen Jezus terugkeerde, wachtte de schare Hem op, want zij zagen allen naar Hem uit'. Is dat een geloofsuitspraak? Welnee, het is gewoon een constatering, een beschrijving van een gebeurtenis. Hoe kan men dan zeggen, dat de Schrift geloofsuitspraken geeft? De Schrift geeft allerlei soorten uitspraken, waaronder geloofsuitspraken. Het is echter onzinnig, om alle uitspraken der Schrift 'geloofsuitspraken' te noemen. Samenvattend: Het woord 'geloofstaal' is onduidelijk en misleidend, en voor zover er het doen van geloofsuitspraken mee bedoeld is, is het inadequaat om de taal der Schrift mee aan te duiden. Ik wil dan ook voorstellen, de taal van de Schrift gewoon 'omgangstaal' te noemen, ter onderscheiding van de abstracte, theoretische taal der wetenschap.
Dan vervaagt echter de grens met het wetenschappelijk onderzoek, die ds. Janssen zo scherp mogelijk wilde trekken. Mensen spreken in de omgangstaal over de feiten, die zij kennen en beleven. Dezelfde feiten worden geanalyseerd in de wetenschap.
Dat die feiten in de wetenschap ànders gekend worden dan in de gewone ervaring, doet er niets aan af, dat het dezelfde feiten zijn, die ervaren worden en in de wetenschap worden beschreven en verklaard. De wetenschap kent geen àndere feiten. De feiten, die door de wetenschap worden onderzocht, zijn dezèlfde als die, welke op de wijze der ervaring door de mensen beleefd en in omgangstaal uitgedrukt worden. Dat alles geldt niet minder voor de feiten, waarover de Schrift spreekt. Het is duidelijk, dat men van mening kan verschillen over de vraag, of een bepaalde uitspraak in de Schrift bedoeld is als duiding van een feit. Maar àls er in de Schrift feiten geduid worden, dan zijn dezelfde feiten óók voorwerp van wetenschappelijke analyse!
Welnu, op deze basis opereert de evangelische wetenschap. De feiten, die op de wijze der omgangstaal in de Schrift worden beschreven of uitgedrukt, kunnen zonder bezwaar dienen als materiaal voor wetenschappelijk onderzoek, óók als er daarmee iets (bijvoorbeeld de religieuze interpretatie) verloren gaat (in èlk wetenschappelijk onderzoek gaat immers iets verloren). Ook de duiding van de bijbelse feiten als 'heilsfeiten' doet niets af aan hun feitelijk karakter. Daarom kunnen zij wetenschappelijk onderzocht worden, al moet men ongetwijfeld in rekening brengen, dat de Schrift niet geschreven is om feitenkennis over te dragen, maar om het héil te verkondigen. Het laatste is echter niet zo'n principieel punt als wel eens gedacht wordt.
Daarmee kom ik op een kwestie, waarmee ik dit artikel wil besluiten.
Deze betreft de uitdrukking, dat de Schrift 'geen handboek voor de wetenschap is'. Ik wil voorstellen deze uitdrukking niet meer te gebruiken, en wel om de volgende reden. Al te gemakkelijk wekt zij de indruk, dat de tegenpartij, i.c. de fundamentalisten of de creationisten, de Schrift wèl als een handboek voor de wetenschap beschouwen of haar als zodanig behandelen. Dat is echter onzin. Niemand beweert, dat de Schrift een 'handboek' is, en niemand (uitzonderingen daargelaten) gebruikt haar zo. In de hele uitdrukking zit iets denigrerends, een negatieve lading die de tegenstander bij voorbaat belachelijk maakt, zonder het op een serieuze argumentatie aan te laten komen.
Het is juist die negatieve lading, die haar de polemische kracht geeft, die de gebruiker ervan zoekt. Maar de uitdrukking heeft mijns inziens vrijwel geen beschrijvende inhoud, zodat van een serieuze argumentatie geen sprake kan zijn.
De Schrift is natuurlijk geen handboek, maar zij spreekt wel over feiten. Feiten, die door de wetenschap niet genegeerd kunnen worden, en ook zonder bezwaar theoretisch verwerkt mogen worden, zolang we beseffen, dat feiten altijd méér zijn dan hetgeen wetenschappelijk beschreven en verklaard kan worden. De Schrift spreekt niet in wetenschappelijke termen, maar de werkelijkheid, waarover zij spreekt, is wel in wetenschappelijke termen uit te drukken. Voor zover de Schrift ons die werkelijkheid doet kennen, kan zij bron zijn van wetenschappelijke kennis. Daarom is evangelische wetenschap, die een beroep doet op de Schrift, mogelijk.
Wel rijst daarbij natuurlijk het probleem van de aard van het Schriftgezag, maar daarover is de discussie in onze kring nog lang niet afgesloten. Hier heb ik slechts proberen uit te leggen, dat er een verbinding bestaat tussen (het verstaan van) de Schrift en het wetenschappelijk bedrijf. Hoe het Schriftberoep in de wetenschap geoorloofd is, en hoe de wetenschap de exegese der Schrift mag beïnvloeden, is een zaak van nader onderzoek. Maar dàt de wetenschap de Schrift mag gebruiken, en dàt zij het verstaan van de Schrift beïnvloedt, is aan geen twijfel onderhevig.
P.S. In de komende twee nummers van dit blad hopen we het antwoord van ds. Janssen te plaatsen.