Oog voor elkaar (1)

1981-08-21
  • Jaargang 25
  • nummer 29
Als je dit boek van prof. dr. J. P. Versteeg (uitgave Kok, Kampen, 1980, tweede druk, 112 bladz., prijs f 18,90) leest, is het alsof je zijn colleges in Apeldoorn bijwoont.
Althans zo stel ik me dat voor. Hij heeft het doel na te gaan "het gebruik van het woord 'elkaar' in het Nieuwe Testament met betrekking tot de onderlinge verhoudingen binnen de gemeente" en deed dit nauwkeurig.

Ruim 110 maal komt het woord 'elkaar' in het N.T. voor (de tekst van de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap is daarbij gevolgd).
Niet overal, zo zegt hij, heeft dit woord echter dezelfde importantie.
"Op tal van plaatsen wordt het in een zeer algemene, niet-theologische betekenis gebruikt". Die plaatsen laat prof. Versteeg dan ook liggen. Dan blijven er ruim 70 teksten over, die hij stuk voor stuk bespreekt, de N.T.-boeken op de voet volgend. Bij elke tekst komt het verband met het geheel (pericoop, hoofdstuk, bijbelboek) aan de orde, bij sommige ook de Griekse tekst met haar karakteristieke duiding, bij weer andere pe relatie met parallelle Schriftplaatsen.
Veel verwijzingen naar exegetische geschriften (339 noten!), meestal hedendaagse, geven aan dat de schrijver nauwgezet poogt te zijn in de weergave van de tekst en haar exegese en hoe hij zijn studenten met de neus op de tekst drukt. Je kunt niet volstaan met een eerste indruk of met een algemeen gebruikelijke uitleg.
Na de bespreking van die 70 teksten vat de auteur het geheel samen in een zestal conclusies en geeft ons nog 3 bladzijden verklaring van vreemde woorden er bij.
Het is opvallend hoeveel malen het woord 'elkaar' in het N.T. voorkomt en op hoe onderscheiden manier het wordt gebruikt. Je staat versteld hoe grote rijkdom daarin tot de gemeente komt. Belichting van dat éne facet 'elkaar' dóet wat.
Het Woord Gods, dat zó tot ons komt, is ook hierin levend en krachtig.
Enkele voorbeelden ervan: Matth. 24: 10 - "elkaar overleveren en elkaar haten."
Binnen de gemeente komt dat in de eindtijd openbaar. Geen vervolging van buitenaf, maar door hen, die afvallig worden. "Tegenover het elkaar dienen en elkaar liefhebben het elkaar overleveren en elkaar haten" .

Marc. 9: 50 - "hebt zout in uzelf en houdt vrede onder elkander"
Zout, in gebruik bij offers, kan aangeven de bereidheid tot het offer.
Misschien wel het aanvaarden van lijden (het kruis), van de vervolging.
Dan juist door als discipelen van Christus (als gemeente) in vrede met elkaar te leven, zó de moeiten aan kunnen.

Rom. 12: 5 - "één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander"
Niemand staat daar buiten, mag doen alsof hij er buiten staat of ook anderen negeren. Wij samen, met elkaar, zijn als gemeente het éne lichaam van Christus. Wel vertonen die leden van het lichaam een grote verscheidenheid, "een eigen mate van het geloof" en daarmee mogen en behoren we elkaar te dienen.

Rom. 13: 8 - "zijt niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben"
Schuldig, net als bv. het betalen van belasting (vers 7), je kunt er niet onderuit. De HERE ontslaat je er niet van, ook niet als er - zoals in Rome's gemeente met z'n sterken en zwakken - onderling verschillen openbaar komen. Toch liefhebben van elkaar.

Gal. 6: 2 - "verdraagt elkaars moeilijkheden"
Een betere vertaling zou zijn "waardigheden, dingen waarin iemand aanzien heeft". Dan betekent het het van elkaar aanvaarden dat in de gemeente de een in bepaalde dingen uitmunt boven de ander. Het gemeentelijk leven kan alleen functioneren als er vreugde is over de gaven van de naaste.

Ik zou nog wel even door kunnen gaan, maar zeg liever: koop het boek en lees zélf. Herlees het en je herkent op dit éne punt wat 'elkaar' betekent, Gods boodschap aan ons, ook in deze tijd.
Om die aanbeveling nog te onderstrepen, tenslotte nog iets uit de conclusies, die prof. Versteeg trok: - het leven van de gemeente speelt zich in dit 'elkaar' af; "op onszelf" geloven, zonder relatie met de anderen, is ondenkbaar.

- wij zijn er met-elkaar, door het werk van onze Heer, en voor elkaar: lichaam en leden.
- het centrale van de roeping van de gelovigen jegens elkaar is het gebod tot liefhebben en dat is niet vaag en ongrijpbaar, nee het is dienen, aanvaarden, leren, vermanen, opbouwen, verdragen en nog veel meer.
- in de gemeente niet morren en strijden, in wellust voor elkaar ontbranden; dat is dis-harmonisch en demonisch.
- de eenheid van de gemeente en de verscheidenheid binnen de gemeente zij nbeide wezenlijk.

Er is nog meer over dit boek te zeggen, zeker ook naar aanleiding ervan.
Een tweede stukje volgt derhalve

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief