Oog voor elkaar (2)

1981-08-28
  • Jaargang 25
  • nummer 30
Bij het nagaan van "het gebruik van het woord 'elkaar' in het Nieuwe Testament met betrekking tot de onderlinge verhoudingen binnen de gemeente" heeft prof. Versteeg vele hedendaagse schrijvers geraadpleegd.
De noten geven dat aan.
Opmerkelijk is echter dat verwijzing naar oudere commentaren, bv. die van Calvijn, ontbreken. De kanttekeningen bij de Statenvertaling zijn evenmin genoemd. Dat zal niet zonder reden zijn, maar welke is die dan? De gemeente van onze Heer Jezus Christus is toch in alle tijden bezig geweest met Zijn Woord, zoals dat door de schrijvers van de N.T.-boeken is neergeschreven?
We doen goed, die historische binding ook in de praktijk -van ons werken vorm te geven.
Bij de een vorige keer besproken tekst, Marc. 9 : 50, zeggen de kanttekenaren bijv. dat het zout duidt op de "wysheydt ende voorzichtigheydt uyt ende na Godts Woordt, Coloss. 4 : 6". En bij Rom. 13: 8 "Want die verplichtinge en kan nimmermeer af-gedaan ofte afbetaeIt worden/maar blijft altydt een versche schult die gheduerighlick moet betaelt worden". Dit zijn maar enkele aanhalingen. Het stimuleren van de studenten (ook van gemeenteleden) om deze kanttekeningen na te gaan, is van grote betekenis. "Een schat van de kerk".
Een volgende vraag is naar wat de schrijver noemt de "theologische betekenis" van bepaalde teksten.
Wat bedoelt hij daarmee? Je kunt het wel enigszins aanvoelen. Vermoedelijk wil hij er mee zeggen, dat we daarin duidelijk onderwijs ontvangen over wat de HERE wil, uit Zijn Openbaring en dat dat in andere teksten niet of niet zo duidelijk gebeurt. Maar is die geciteerde uitdrukking wel zo fraai?
Wat verder opvalt is dat het boek wat "tijdloos" aandoet. Dat ligt natuurlijk in de aard van de stof.
Exegese wil niet meer zijn dan verklaring.
Nagaan, wat er staat, waarom, waarom zó en hoe je dat in hedendaags Nederlands weergeeft.
Als dat tot je komt, moet je er mee bezig zijn en krijgt het betekenis voor jezelf en voor de gemeente.
De toepassing. Eerst en vooral in je eigen gemeente en daarna ook in het samenleven van de gemeenten.
't Boek zo te hanteren, de vele gegevens op een rijtje gezet zó verwerken, zal niet anders uitwerken dan een overweldigd-zijn door de grote zorg, die de HERE zijn volk-van-alle-tijden betoont. Zoveel en zo duidelijk onderwijs! 0 In deze tijd neemt het individualisme toe: IK ben van belang. IK moet tot mijn recht komen, dit en dat raakt MIJ niet. IK vind ...
't Kan zomaar gebeuren dat een gemeente als los zand aan elkaar blijkt te hangen. En daar nu tegenover: één lichaam, alleen sámen zijn we iets. Niemand behoeft in de kou te staan. Als je warmte en beschutting zoekt, als je er niet meer uitkomt, er is de gemeente. "Eén brood is het, zo zijn we velen één lichaam". Je kunt de afzonderlijke tarwekorrels toch ook niet meer in je boterham terugvinden? Je bestaat alleen mét en voor elkaar: gave van God.
Die samenhang betekent ook wat: elkaar van dienst zijn, aanvaarden met-gebrek-en-al, opbouwen, gastvrij met elkaar verkeren, bidden voor en met elkaar. Er is geen eind aan: opdracht van onze Heer.
Ais we nu eens echt eerlijk ons leven, ons gemeentelijk samenleven, spiegelen aan die gave en die opdracht, wat dan? Als je opmerkt hoe je jezelf gedraagt en wat er soms in de gemeenten loos is en dan bedenkt dat de HERE alles doorziet, is er toch zeker plaats voor een roep uit noodsituaties "Als U, HERE, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here wie zal bestaan?" (psalm 130: 3).
Komen we wel eens tot zo'n belijdenis?
Misschien. Die woorden bereiken ons wel vanaf de preekstoel of we lezen ze in kerkbladen. Maar dan? Gaan we veelal niet gewoon verder met te zeggen "dat is zo"
en dan de ander toch maar latend voor wat hij is en blijven we toch niet in onvrede met hem leven?
Want wij hebben gelijk en hij heeft 't mis. Ja, zegt u wellicht, maar wat dan?
Wel, dit boek, nee beter gezegd Gods Woord, roept ons op tot bekering, omkering, anders doen.
Het is één opwekking ons te beijveren onze schuldige plicht te voldoen: de ander te ontmoeten, hem of haar op te beuren, geschillen bij te leggen, sámen als gemeente verder te leven. Met het bespreken van dit boek mag toch ook wel even ter sprake komen de verhouding van Chr. Gereformeerde en Ned. Gereformeerde broeders en zusters. Die is mede door dit boek in een bepaald licht gesteld. En wat is dan van betekenis?
Of we elkaar liggen, hoe de zaken kerkrechtelijk of kerkordelijk aangepakt moeten worden? Wie er in het verleden (1892) gelijk heeft gehad en wie niet? De gave en het gebed van onze Heer spreken van andere zaken, van zaken die leven of dood met zich brengen.
In dit verband kan ik niet nalaten nog iets te citeren. Het is wat prof. Versteeg schrijft in verband met Rom. 16 : 16 en 1 Petr. 5 : 14.
"Tenslotte vinden we in het slot van de brief (aan de Romeinen) een oproep om elkaar te groeten met de heilge kus (Rom. 16, 16).
Door een opmerking van Justinus Martyr is bekend; dat de heilige kus een vast bestanddeel van de eredienst vormde. Deze kus werd, volgens Justinus, na afloop van de gebeden gegeven. Nadat men zich tot God gewend had, was men zich bewust, hoe men zich ook tot elkaar had te wenden. Paulus kon deze gewoonte kennelijk reeds als bekend
veronderstellen. De oproep om elkaar te groeten met de heilige kus is een oproep om te laten uitkomen, hoezeer men zich door het geloof aan elkaar verbonden weet.
Juist na de vermaningen om elkaar te aanvaarden is de oproep om elkaar te groeten met de heilige kus bijzonder zinvol. Het liturgisch gebaar bevestigt de aanvaarding van elkaar als broeders en zusters in de Here" en "Tegenover de dreiging van buitenaf mocht men in de eigen kring elkaar weer verzekeren, hoe men op elkaar aankon. Het is daartoe, dat Petrus in het slot van zijn brief de gelovigen oproept. Groet elkander met de kus der liefde".
Een handdruk doet bij ons zoveel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief