Boekbespreking
1981-08-28
" Waar alles van Hem spreekt"- Jaargang 25
- nummer 30
dr. K. Deddens Prijs f 19,95 (voor vrienden van De Vuuurbaak f 16,75) Uitgeverij Vuurbaak b.v.
In "Waar alles van Hem spreekt" wil dr. K. Deddens een bijdrage leveren tot bezinning op de eredienst.
Dr. Deddens acht het een goede zaak, dat de vrijz. geref. kerken al een kwart eeuw de zaak van de vernieuwing van de taal van allerlei onderdelen van liet kerkboek op de agenda van de generale synodes hebben staan. Deze drang naar vernieuwing acht hij juist.
Niet, omdat hij pleit voor een ongebreidelde vernieuwingsdrang, maar omdat de kerk steeds progressief moet zijn in die zin, dat men altijd bereid moet zijn tot reformatie wanneer men ontdekt, dat het beter kan. Bij de eredienst, de dienst tot eer van Gods grote naam, moeten wij ons telkens weer afvragen op welke wijze we ons het nauwst bij het Woord van God aansluiten.
Dat uitgangspunt lijkt me juist. Het is echter jammer, dat Deddens niet de vraag stelt, of deze bezinning op de eredienst niet in breder verband kan plaats vinden. Wordt er op deze wijze niet erg veel kracht verspild?
Is het echt nodig, dat iedere kerk een eigen berijming en een eigen gezangenboek krijgt?
Het Liedboek wordt afgedaan met de opmerking, dat deze onmiskenbaar de oecumenische en horizontalistische trekken van deze tijd heeft. Dat is wat erg goedkoop in een zo degelijke studie van een ter zake kundige als Deddens.
Mijn grootste bezwaar tegen dit boek is dan ook, dat het te weinig aandacht geeft aan ontwikkelingen buiten de vrijgemaakte kerken.
Natuurlijk schreef Deddens dit in de eerste plaats voor eigen kerken, maar hij had de waarde van zijn studie zeer kunnen vergroten door ook aan ontwikkelingen in andere kerken meer aandacht te geven.
Daarmee wil 'ik niet zeggen, dat zijn boek ook niet voor anderen en met name voor onze kerken niet van betekenis is. Ook de Ned. Geref. kerken kunnen er hun winst mee doen.
Deddens gaat de geschiedenis van de liturgie na te beginen bij de synagoge der Joden, waarvan bestanddelen overgenomen zijn in de liturgie van de christelijke kerk.
Maar ook de modernere opvattingen van de liturgie roert hij aan.
Zo wijst hij op de “Aktion-Gottesdienst", die in 1968 in West-Duitsland van start is gegaan onder leiding van Dorothee Sölle en al spoedig naar Nederland is overgewaaid.
Deze liturgie is, zo stelt hij, politiek bepaald. De eredienst wordt niet meer gezien als 'een zaak van "zien" (R.K.) of van "horen" (reformatie) maar als een zaak van handelen, van actie.
In het hoofdstuk over de voorbereiding op de dienst pleit hij voor een tijdige voorbereiding. Zo tijdig zelfs, dat de gemeente er tevoren kennis van kan nemen door publicatie.
in het kerkblad over tekst, thema, verdeling etc. En ook de organist en de koster moeten tijd hebben om hun werk voor te bereiden.
Het is een goede, maar helaas moeilijk te realiseren gedachte. Er zijn nog al wat predikanten, die pas op vrijdag (en dat is veel te laat) beginnen met de voorbereiding van de preken voor de zondag.
Op zaterdagavond nog aan de preek werken, betekent dat de predikant op zondagmorgen vermoeid op de preekstoel komt.
Mijn grootvader had ook deze slechte gewoonte. Mijn vader, daarvan geleerd hebbende, begon al op de zondagavond daarvoor met de voorbereiding. Op zaterdagmiddag werd nooit aan de preek gewerkt.
Dat was zijn vrije middag.
Deddens bepleit ook een grondige voorbereiding van het gebed.
Terecht, ook daarin blijven velen in gebreke. Waarom wordt de preek vaak zorgvuldig uitgeschreven en wordt bij het gebed, wanneer tot God gesproken wordt; maar wat geïmproviseerd.
Vaak is dit ook aanleiding om in het gebed te gaan preken. Deddens waarschuwt daar ook voor. Hij vertelt, dat ouderling Fabius in de tijd, dat het nog gewoonte was, dat de broeders onder het gebed stonden, prompt weer ging zitten, als hij merkte dat de voorganger eigenlijk preekte tot de Here.
Biesterveld zegt hierover: "Slordige en dodige praat onder de vorm van gebed, is vermoeiing des geestes voor de gemeente, en een walging -voor God. Stukken der leer in bidvorm gieten, dat is geen gebed".
Vereist is ook, Calvijn heeft hier de nadruk op gelegd, dat in de dienst der gebeden soberheid in woordkeus wordt betracht.
Deddens schrijft niet over de houding tijdens het gebed. In buitenlandse kerken maak je het vaak mee, dat de gehele gemeente staande bidt. Op mij maakt dat een veel eerbiediger indruk dan de zittende houding, die wij plegen aan te nemen.
Deddens is een voorstander van het gebed van de kerkeraad voor de eredienst. Bij Rome gaat de "celebrant" voor de dienst in retraite.
Na de reformatie treedt de liturg niet als eenling op, maar als gemachtigde van de kerkeraad. Daarom is er alles voor te zeggen, zo meent Deddens, dat de kerkeraad de Here om zijn zegen vraagt en om een- ongestoorde eredienst en tevens om kracht van de H. Geest voor de voorganger.
Deddens gaat hiermee voorbij aan het feit, dat dit gebed waarschijnlijk pas in de 1ge eeuw gewoonte is geworden, vermoedelijk in verband met het feit" dat de kerkdiensten der Afgescheidenen nog al eens verstoord werden.
Voor een ongestoorde dienst en bijstand van de Here kan toch ook thuis gebeden worden? Verder wordt toch ook in de dienst zelf daarom gebeden. In de praktijk ontaardt dit gebed vooraf ook nog al eens doordat voor veel andere zaken gebeden wordt. Ik herinner me een verhaal over mijn grootvader, die zich a's predikant ergerde aan de lange gebeden voor de kerkdienst. Hij ging dan zachtjes weg en begon de dienst. De dienstdoende ouderling was intussen rustig aan het bidden. In vroeger tijd durfden de predikanten blijkbaar meer te doen dan tegenwoordig.
Mijn hoofdbezwaar is, dat bij een kerkdienst alle aparte bijeenkomsten, ook van kerkeraden, vermeden dienen te worden. Kerkeraad en gemeente moeten het samen doen.
Deddens is van mening, dat men in de kerk geen gelegenheid voor stil gebed moet geven gezien de piëtistische achtergrond. Het is jammer, dat hij zijn bezwaren niet verder uitwerkt. Immers in andere, bv. de geref. kerken heeft het stil gebed weer een plaats gekregen.
Ook in vele kerken in het buitenland is het stil gebed gebruikelijk.
Bij de bespreking van de orde van dienst gaat Deddens uit van de orde, zoals deze door de vrijgemaakte synode is vastgesteld.
Helaas ontbreekt een kritische bespreking hiervan.
In dit hoofdstuk komt ook de vraag ter sprake, of er voor "leessamenkomsten" een aparte orde moet zijn. M.i. terecht wordt dit afgewezen.
Deddens stelt daarbij de vraag of de vredegroet ook niet door een proponent of ouderling gebracht kan worden. Helaas geeft hij zelf geen rechtstreeks antwoord op die vraag. Wel acht hij bezinning hierop gewenst.
Wanneer echter opgemerkt wordt, dat de Here zelf'aan het eind- van de dienst zijn zegen meegeeft aan zijn volk, zou dan iemand, die door de kerkeraad is aangewezen als voorganger, die woorden niet mogen uitspreken.
Ik vind het een vreemde zaak, dat een niet predikant moet volstaan met een soort imitatievredegroet.
Deddens bepleit de herinvoering van de voorlezer. Ook in geval van "leesdiensten" vindt hij het wenselijk; dat twee broeders optreden, een als preeklezer en een als voorlezer.
Elke gedachte aan een éénmansbediening moet vermeden worden.
In dit verband wijst hij erop, dat in de oude kerk het voorgaan in de dienst tussen 2 of 3 personen verdeeld was. Ook Kuyper was een voorstander van een voorlezer. Het heeft iets drukkends, zo meende hij, als men alles aan één man overlaat en de gedachte van een vergadering dreigt verloren te gaan. Ik ben dit met Deddens eens. De kerkdienst is steeds meer een eenmansbediening geworden, en dat is geen goede zaak. In dit opzicht is. reformatie van onze eredienst een dringende zaak.
Deddens blijkt een pleitbezorger voor de vroegdoop te zijn. Op grond van de eenheid in het huwelijk zou het antwoord van de moeder begrepen zijn in dat van de vader. .
De logica van dit betoog ontgaat mij. Een zo persoonlijke belofte kan men alleen zelf afgeven. Vader en moeder hebben beide een persoonlijke verantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kinderen.
Deddens is geen voorstander van nabetrachtingspreken. De dankzegging is, zo merkt hij op, ingebouwd in het Avondmaalsformulier.
Hij voelt voor een veelvuldiger Avondmaalsviering, maar na de dienst des Woords en met gebruikmaking van een eenvoudiger formulier.
Terecht ook legt hij de nadruk op het feestelijk karakter van het Avondmaal. O.m. de vele tafels vormen hier een belemmering. Van "begrafenisgezichten" wil hij niets weten.
Akkoord, maar Deddens geeft geen weg aan om hierin verbetering te brengen. Moeten we niet komen tot één gemeenschappelijke Avondmaalsviering?
Een gedeelde viering met ouderlingen die als soort ordebewaarders door de kerk zwerven, staat op gespannen voet met het karakter van de Avondmaalsviering.
Het is een feest. Waarom maken wij er dan ook geen feest van?
Het boek bevat aan het eind nog een bijlage waarin vragen ter bespreking zijn opgenomen.
Uit de willekeurig gekozen delen uit het boek, zal men al wel gemerkt hebben dat dit boek echt het lezen en bestuderen waard is.
Ik heb me al niet kunnen weerhouden om met de schrijver in discussie te gaan. Misschien zijn er wel "Opbouw"-lezers, die nu behoefte voelen met mij te gaan discussiëren.
J. Meulink
E. Pagels
De Gnostische Evangeliën
1980 - Gaade, Amerongen
194 pagina's
Prijs f 39,50
Toen in 1945 bij Nag Hammadi in Opper Egypte een groot aantal papyri gevonden werd, kwam de grootste ons bekende verzameling gnostieke literatuur onder de aandacht van de wetenschappelijke wereld. Sinds die tijd is er over Gnostiek, een geestesrichting diedoor de Vroege Kerk ten zeerste bestreden is, enorm veel gepubliceerd, onder andere door de Utrechtse Professor Quispel, die op dit terrein een wereldfaam heeft.
Professor Pageis' boek - dat in Amerika met een literaire onderscheiding bekroond werd, maar ook vele heftige reakties opriep - kent een aantal polemische trekken, die (voorzover mij bekend) in de meeste vakliteratuur ontbreken. Reden voor mij om dit boek te bespreken, erkennend dat de stof voor veel lezers mogelijk "vèr van hun bed" ligt.
In een lange inleiding bespreekt Professor Pagels de achtergronden van de papyrusvondst en haar persoonlijke betrokkenheid bij de verwerking van het materiaal. In de 160 pagina's hoofdtekst wordt veel nuttige informatie geboden betreffende de preciese opvattingen van de gnostici, met daarbij vele citaten uit hun werken. Tenzij ik mij vergis, is de furore die rond dit boek ontstaan is, echter niet door de zakelijke weergave van deze geloofsinhoud opgewekt, maar door de eigen wijze waarop de schrijfster zelf in deze materie stelling neemt.
De bedoeling van het boek is namelijk óók om aan te. geven welke motieven de vroege christenen ertoe brachten de gnostiek te bestrijden. Daarin komt ze tot uitspraken die bij orthodoxe christenen gemakkelijk op groot verzet zullen stuiten. De "hete hangijzers" in de polemiek tussen gnostici en kerkleiders waren, volgens Pageis, de volgende (ik citeer de titels van de hoofdstukken): "De controverse over de opstanding van Christus: historische gebeurtenis of symbool?"; "Eén God, één bisschop - de politiek van het monotheïsme"; "God de Vader - God de Moeder"; "Het lijden van Christus en de vervolging der christenen"; "Wiens kerk is de ware kerk?"; "Gnosis: zelfkennis als kennis van God".
Kort een paar notities bij elk thema: - de Opstanding. Na de verschillende visies op de Opstanding te hebben weergegeven (letterlijk - historisch, symbolisch, etc.) stelt Pagefs de vraag: "Waarom koos de orthodoxie voor de letterlijke opvatting van de Opstanding?"
Antwoord: "de leer van de opstanding des lichaams (vervult) tevens een wezenlijke politieke functie: deze leer legitimeert het gezag van bepaalde personen ... ". Dat zijn de apostelen, die kunnen beweren het te hebben gezien en meegemaakt!
Dan lezen we: "Wat we ook; denken van de historische wereld van de orthodoxe versie, we kunnen in ieder geval de erin aan de dag gelegde vindingrijkheid bewonderen" (pag. 7).
Vanuit dezelfde redeneertrant argumenteert mevrouw Pagels dat ook geloof in één God de orthodoxie aan strategisch voordeel hielp: "Toen, zo ongeveer in de tweede helft van de tweede eeuw, de' orthodoxen met nadruk vasthielden aan "één God", rechtvaardigden zij tegelijk de bestuursvorm, waarin de kerk geregeerd werd door "één bisschop" (27-).
Tegen het einde van de tweede eeuw '"aanvaardde de orthodoxe gemeenschap de overheersing van de vrouw door de man als een door God voorgeschreven ordening" (56). "In de schildering van het leven en lijden van Christus bood de orthodoxe leer een middel om bepaalde fundamentele elementen der menselijke ervaring te interpreteren:.. (de orthodoxen gingen zelfs zover dat ze beweerden dat hij Iichamelük uit de dood zou zijn opgestaan" (87). Zagen de gnostici hun leer en speculaties slechts als "benaderingen der waarheid", "de orthodoxen... zagen langzamerhand hun leer als de waarheid zelf, de enige rechtmatige vorm van het christelijk geloof" (99).
Citaten zouden gemakkelijk te vermenigvuldigen zijn. Ze maken dat ik - met alle erkentelijkheid voor de informatie die de schrijfster aandraagt onmogelijk zonder reserves het boek kan aanbevelen. Het is géén orthodoxe interpretatie van de materie; zaken als de leiding van de Geest en inspiratie ontbreken nagenoeg geheel.
Zelfs áls het. waar zou zijn (wat nog moet worden aangetoond) dat dogma en kerkelijke gezags- en organisatiestructuur zó nauw met elkaar verbonden zijn als hier wordt betoond, dan blijft het een curieus betoog dat al die dogma's (mede) aanvaard zijn, ómdat ze de kerkelijke leiders goed uitkwamen. Mijn indruk is dat de schrijfster bepaald niet vrij was van een zekere vooringenomenheid; laten we het erop houden dat het een andere vooringenomenheid is dan de mijne ...
Haast overbodig te vermelden dat dit een moeilijk werk is voor lezers die totaal niet bekend zijn met de vroege kerkgeschiedenis; daarvoor neemt het boek toch wel enig kennis aan. Voor theologen en theologisch-geïnteresseerden zal dit boek echter wél heel interessant kunnen zijn, want, nogmaals, er wordt naast dit polemische element héél wat informatie aangedragen.
Het boek is keurig uitgegeven, maar niet goedkoop.
P. J. van Kampen