"Geheel Israël zalig":

1983-08-19
  • Jaargang 27
  • nummer 30
De afgelopen tijd zijn er in het midden van onze kerken twee bijeenkomsten gehouden, waarop het onderwerp 'Israël' aan de orde werd gesteld. Op de Opbouw-jaarvergadering van 7 mei j.l. sprak daarover ds L.W.G. Blokhuis uit Schiedam en op de kort daarop volgende Predikanten-conferentie van 26 mei hield prof. J. Versteeg uit Apeldoorn er een lezing over. Beide referenten waren zeer goed om aan te koren en leerzaam in wat ze te berde brachten. Opbouw zal zijn lezers over het op 7 mei gezegde nog nader informeren. Helaas brachten beide sprekers niet een gelijkluidend getuigenis uit. De strekking van ds Blokhuis' woorden was dat we op grond van de 'Schrift voor geheel Israël nog een toekomstige bekering mogen verwachten en dat het daarom voor de gemeente van Christus goed is de weg van Israël belangstellend te volgen, terwijl dr Versteeg op grond van wat hij met name in Romeinen 9-11 las de christelijke gemeente wat bij een gespannen Israël-verwachting vandaan haalde. Bij beide gelegenheden bleek dat de belangstelling voor het onderwerp 'Israël' behoorlijk groot is onder onze mensen en dat de discussies erover met grote betrokkenheid gevoerd en gevolgd worden.

Mijn betrokkenheid
Voor mijn deel zou ikin de volgende artikelen graag een bijdrage aan dit gesprek leveren. Degenen die al wat langer Opbouw lezen weten wel wat ze van mij' op dit punt verwachten kunnen. Ik heb namelijk op een eerdere Opbouwjaarvergadering samen met, ds H. Amelink over hetzelfde onderwerp van gedachten mogen wisselen aan de hand van stellingen die wij beiden in ons blad hebben gepubliceerd (voorzien van een toelichting; zie Opbouw jrg, 15, 1971).
Daaruit valt op te maken dat ik bepaald niet tot diegenen behoor die voor Israël op grond van de beloften van de Heilige Schrift nog een geheel nieuw heilshandelen van Gods kant verwachten. In deze opvatting ben ik sedertdien niet veranderd. Dat er een eindfase van de geschiedenis is waarin in onderscheiding van alle voorgaande tijden 'gans Israël zal behouden worden', wil er bij mij niet in. Sterker, ik vind het aanhangen van die gedachte een gevaar, zeker in onze tijd waarin ons christelijk geloof wordt bedreigd door een intense verjoodsing. Dat zeg ik niet om mede-broeders verdacht te maken, want voor dat laatste, die verjudaïsering, zijn zij even beducht als ikzelf. Maar toch zeg ik dit om openhartig te zijn.

Het is niet zomaar een hobbyonderwerp dat ik aansnijd, bedoel ik ermee aan te geven. Ook ik heb mijn betrokkenheid hij de vragen rondom Israël,

Naar het Oude Testament
Nu tot bijzonderheden komend stel ik mij, het volgende voor ogen. Ik wil het hebben over dat bekende zinnetje uit Romeinen 11: 26: " ... en aldus zal geheel Israël behouden worden". Maar ik wil het dit keer zo doen dat ik dit Schriftwoord houd tegen het licht van de oudtestamentische profetie. En ik wil dan laten zien dat de uitleg die Calvijn er aan gaf de meest waarschijnlijke is. Calvijn namelijk, vatte de naam 'Israël' in dit woord van Paulus op als aanduiding van de kerk in haar geheel, zoals die ' is samengesteld uit het overblijfsel van Israël plus de geroepenen uit de volken. Deze uitleg vindt vandaag niet veel aanhang. Want of men het tekstgedeelte Romeinen 9-11 nu voor Israël maxirnaliserend dan wel minimaliserend uitlegt men is het er aardig over eens dat 'Israël' in Romeinen 11 : 26 slaat op het volk van zoals dat lijfelijk uit Abraham is voortgesproten.
Ik meen echter goede argumenten te hebben om deze oude uitleg van Calvijn weer met overtuiging naar voren te brengen.
Die argumenten heb ik voor een deel 'al gegeven in mijn publicatie 'Israël, de Gemeente en de Volken'. In het Bijbels Zendingsboek (Buijten & Sehipperheijn, Amsterdam 1972; onder de maand November).
Het eigene echter van mijn bijdrage van nu is dat ik met de lezer naar het Oud Testament reis om daar bij de profeten te rade te gaan om te weten te komen wat bij hen 'geheel Israël' betekent.

Nevendoel
Daar zit van mijn kant ook wel iets uitdagends in. Vaak immers wordt door degenen die voor Israël grote Bijbelse verwachtingen koesteren geweren op de oudtestamentische profetie die door de christelijke gemeente zeer veronachtzaamd en verwaarloosd zo zou zijn. Als zij de profeten, maar meer gelezen 'Waren in het verleden, dan rou de christelijke gemeente niet vervreemd zijn van de hoop 'Voor Israël! – zo kun je horen verzuchten. Niet zelden verkeert de gemeente in een staat van beschaamd zwijgen als deze aantijging op haar wordt losgelaten.
Een nevendoel van mijn schrijven is nu dat ik de kerken van reformatorische huize haar vrijmoedigheid wil teruggeven als in verband met Israël de profeten ter sprake komen. Wij behoeven voor Jesaja en de zijnen de ogen niet neer te Slaan 'als we Calvijn in zijn uitleg van Romeinen 11: 26 volgen.

'Geheel' en 'rest'
Om welke profetische teksten gaat het nu konkreet? Op de genoemde Predikanten-conferentie heb ik al een paar plaatsen in het midden gebracht (als bijdrage aan de bespreking) die ik nu eerst nog zal herhalen. Het waren Bijbelplaatsen waarin '(geheel) Israël' en de zogenaamde 'rest' van Israël zo nauw tot elkaar in betrekking worden gesteld, dat het onmogelijk is ze van elkander te scheiden en tegenover elkaar te stellen, Toch is dat iets wat herhaaldelijk geschiedt bij de uitleg van Romeinen 11. De redenering is dan deze: ja, zeker, in Paulus' dagen en ook in onze tijd is er steeds een 'rest' van Israël 'geweest die in Jezus Christus geloofd heeft. Dat is 'het overblijfsel naar de verkiezing der genade' (Rom, 11 : 5); dat zijn de 'zevenduizend' waarmee Elia getroost werd in de donkere dagen van Achab (Rom. 11: 4). Maar, onderscheiden daarvan, staat ons bovendien nog een bekering van 'geheel Israël' te wachten, en wel aan het einde van de geschiedenis als 'de volheid der heidenen' zal zijn binnengegaan (Rom. 1: 25). Nu, de plaatsen die lik: u1it de profetische geschriften naar voren bracht (en nu weer breng), laten zien dat beide termen, '(geheel) Israël' en 'rest', zo sterk op elkaar betrokken zijn dat ze beide op dezelfde werkelijkheid doelen, namelijk die van het volk Israël mals dat de Here God bij zijn heilsplan voor ogen staat. Terwijl er anderzijds tegelijkertijd een eigenaardige spanning tussen deze twee begrippen van geheel en deel voelbaar is.
Hier zijn de teksten (met een korte toelichting.

1) Micha 2: 12: ,,Voorzeker zal Ik u, o Jakob, in uw geheel bij één brengen, voorzeker vergaderen het overblijfsel van Israël".
Het gaat in deze vrij geïsoleerd staande passage van Micha 2 : 12 en 13 om een heilsbelofte voor Israël, dat het namelijk na de donkere dagen van de bal1ingsobap weer een herbegin zal krijgen in het beloofde land. Zelfs een kind weet echter dat het slechts een klein overblijfseltje of restje was dat uit Babel en de landen rondom Israël terugkeerde, Het is in deze tekst dan ook met het woord 'overblijfsel' dat bevreemding wekt, maar de aanduiding van 'Jakob in zijn geheel'. M.i. wil de Heilige Geest met dit woord 'geheel' twee dingen zeggen. In de eerste plaats dat voor iedere Israëliet de deur van de terugkeer' openstond en in de tweede plaats dat al maakte slechts een klein gedeelte van het volk daarvan gebruik, de Here God daar toch zijn geheel van Israël mee zou bereiken. Op zichzelf is 'rest' een dood-normaal woord; als taal-gegeven is het beslist niet met een heilsinhoud gevuld.
Op een volk toegepast duidt het aan wat na een katastrofe van het, totaal is overgeschoten, Wij blijven eveneens binnen de grenzen van het 'gewone' als we konstateren dat zo'n rest betrekkelijk snel na de katastrofe weer kan uitgegroeid zijn tot een zodanig getal dat we opnieuw kunnen spreken van 'volk' alsof er niets gebeurd was. Er komt pas iets bijzonders, als de Here God in zijn heilsplan dat woord 'rest' in de mond gaat nemen. Dan zit er, enerzijds de lucht van het oordeel aan: Gods slaande hand heeft het volk gedecimeerd, terwijl er van de andere kant een rijke belofte in tit. Vandaar dat de apostel Paulus het ergens (in Romeinen 10: 29 waar hij Jes. 1: 9 aanhaalt) kan vervangen door het woord ‘zaad’, om aan te geven dat er een door God bedoelde en gezonde groeikracht in gelegd is. En verderop in Micha, in hfst. 4 : 7, lezen we: ,,En Ik zal het kreupele stellen tot een machtig volk’! Het gaat dan niet meer in de eerste plaats om grote aantallen, maar om wat de Here God er zegenend mee kan doen in de wereld. Zo bevreemdt het ook niet langer dat Paulus zichzelf als ‘rest’ kan zien, volgens het begin van Romeinen 11: ,,Ik vraag dan: God heeft zijn volk toch niet verstoten? Volstrekt niet! Ik ben immers zelf een Israëliet ... ". Zoals het van de andere kant evenzeer bevattelijk wordt dat de 'rest' met het volheidsgetal 'zevenduizend' aangeduid kan worden (Rom. 11: 4).
Als de Here God er zich heilsbedoelend mee bemoeit dan is de 'rest' het deel dat naar het geheel, Gods geheel, dringt. De Here God komt met zijn door- het oordeel geschonden volk toch tot zijn doel.
Het bij elkaar en in samenhang 'met elkaar voorkomen van 'geheel' en 'rest' verhindert enerzijds om met behulp van het woord 'rest' het volk van God sektarisch te versmallen (zoals in het latere jodendom, en met alleen daar, geschied is) en anderzijds om met het woord 'geheel' God te chanteren hetgeen eveneens van alle tijden is). Het !is uiteindelijk de Almachtige die uitmaakt hoe groot Israël is.

2) Jeremia 31 : 34b: ,,… want Ik zal van hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken”.
Dit is een onderdeel van de zeer bekende belofte van het Nieuwe Verbond. Toegegeven, deze belofte is letterlijk niet geadresseerd aan ‘geheel’ Israël, althans dat woordje ‘geheel’ ontbreekt in het adres. Wel staat er: ,,Zie, de dagen komen… dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten…” Beide huizen van Gods oude volk worden genoemd en dat laat voldoende duidelijk zien dat het in deze belofte wel degelijk om ‘geheel Israël' gaat. Maar, nu treffen we in Jeremia 50: 20 een herhaling aan van de belofte van zondevergeving 'en wel in deze vorm: "In die dagen en te dien tijde. .. zal de ongerechtigheid van Israël gezocht worden, maar ze zal er met meer zijn, en zuilen de zonden van Juda (nagespeurd worden), maar ze zullen niet gevonden worden, want Ik schenk vergeving aan wie Ik doe overblijven". Ook in dit woord gaat het om de bekende belofte van vergeving der zonden voor geheel Israël (immers weer: Israël en Juda), maar dat sluit eigenaardigerwijs niet "uit dat deze belofte die voor het geheel bestemd is, slechts aan de 'rest' ten 'goede komt, te weten aan degenen die de Here God doet overblijven.
Vergelijking van deze twee teksten doet ons opnieuw zien hoe 'geheel' en 'rest' bijeen horen en tegelijk in een zekere spanning tegenover elkaar staan. Wat we bij de vorige 'tekst gezegd hebben kan hier dus herhaald worden. Deze tekst over de zondevergeving is daarom zo belangrijk voor ons doel, omdat hij vlak in de buurt van Romeinen 11 : 26 wordt aangehaald door Paulus, en wel in vs 27:, "En dit is mijn verbond met hen wanneer Ik hun zonden wegneem."
Daarom zeg lik met vrijmoedigheid dat het bekende 'geheel Israël' van Romeinen 11 : 26 met losgemaakt kan worden van het geheel van Israël in, Jeremia 31 : 34, dat in Jeremia 50: 20 Gods overblijfsel wordt genoemd.
Met andere woorden: 'rest' 'en 'geheel' staan in Romeinen 11 (de verzen 5 en 26) in dezelfde spanningsvolle verhouding als bij Jeremia (31 : 34 en 50 : 20).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief