"En weest elkander onderdanig ... "
1981-09-11
Geen wisselende fatsoensmensen - Jaargang 25
- nummer 32
Onderdanigheid is wel zowat het laatste, dat je vandaag aan de dag moet aanprijzen. Dat accepteert geen zinnig mens meer. En passant vergeten we, dat het in Paulus' dagen niet anders was. Of Paulus nu schreef aan de gemeente in Efeze of (zoals sommigen wel denken) Laodicea, dat maakt geen verschil. 't Was in die steden net als in de rest van het Romeinse rijk een vrijgevochten bende. En de jonge gemeenten bleven daar niet vrij van. Ze waren er bij grootgebracht en ze zagen het overal om zich heen. De "ansichtkaart" die Paulus met zoveel woorden tekent (Ef. 4 : 17 tot 5 :21) geeft er een duidelijk beeld van. Behalve/ dan, dat hij geen namen noemt ... gelukkig. Dat wat wij cultuur; beschaving noemen, is vaak niet meer dan een laagje vernis, en het komt voor (zoals ook nu) dat de "cultuurdragers" zelfs aan dat laagje vernis geen enkele behoefte hebben. Integendeel: "ze moeten ons maar nemen zoals we zijn".
Realisme verdraagt zich niet met schone schijn: kom er maar eerlijk voor uit wat en hoe je bent. Fatsoensnormen hebben afgedaan, zo goed als het tintje christelijk vernis. Paulus beroept zich dan ook op normen van (wisselend en rekbaar) fatsoen. Hij poneert wat ligt opgesloten in het woord wedergeboorte: "maar gij - geheel anders: gij hebt Christus leren kennen" (Ef. 4 : 20).
Een onomkeerbare verhouding?
Dat "anders zijn", dat "niet zó zijn (als de heidenen)" heeft ook alles te maken met de verhoudingen in Christus' gemeente: hoe je tegen elkaar spreekt, je aan elkaar gelegen laat liggen. Hoe? Alweer zonder namen te noemen brengt Paulus dat in zijn brief in kaart (4: 25 v.v.).
Eén zin licht ik eruit: "weest elkaar onderdanig ... " (6 : 21). In het heel waardevolle boekje van dr J. P. Versteeg "Oog voor elkaar" (Apeldoornse Studies nr. 15; Kampen 1979) citeert de auteur in eigen bewoordingen iets van M. Barth. Als volgt: Barth wijst erop, dat de uitdrukking innerlijk tegenstrijdig schijnt te zijn. Het woord "onderdanig" veronderstelt een relatie van een mindere tegenover een meerdere. Die orde is evenwel niet omkeerbaar, zodat er niet van een "onderdanig zijn aan elkaar" te spreken is" (a.w. pag. 49).
Logisch: want "gelijk de ogen der knechten zijn (geslagen) op de hand van hun heren" (Ps. 123 : 2), zo niet de ogen der heren op de hand van hun knechten. De mindere is onderdanig aan de meerdere, maar omgekeerd natuurlijk niet. Of wel?
Het "gij geheel anders", het "gij zó niet" is geen uitvinding van Paulus: "gij hebt Christus leren kennen". En Christus zegt: "Gij weet, dat de regeerders der volken heer-schappij over hen voeren ... Zo is het onder u niét. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn; gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te láten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen" (Mt. 20 : 26-28).
De goede orde
Het woord dat Paulus (herhaaldelijk) bezigt, is vertaald door "onderdanigheid".
Een vertaling die zeker in ónze tijd irriteert. Het riekt naar slaafde houding, serviliteit, en dat in een tijd van emancpatie, inspraak, medezeggenschap, afkeer van geijkte patronen en rollen. Wie durft zelfs in een huwelijksformulier nog te verwijzen naar wat Paulus er onmiddellijk op laat volgen:" "Vrouwen, weest aan uw man onderdanig.... "? Nu ben ik met die vertaling ook niet zo gelukkig. Waar Paulus het over heeft is de (onderlinge) orde. Hetzelfde als in 1 Cor. 14: 40; "láat alles betamelijk en in goede orde gebeuren" - en dat heeft dan alles te maken met de onderlinge verhoudingen in de gemeente.
Wat die "orde" inhoudt, is goed te illustreren met bijv. een legpuzzle.
Elk stukje, boven of onder, heeft zijn eigen plaats. Anders past het niet.
M.a.w.: je moet je plaats (in het geheel) kennen. Dat beeld gebruiken wij als we iemand even "op z'n plaats" willen zetten: goed laten voelen waar hij of zij hoort te staan. Maar dan komt er het element "macht" bij, eventueel uitlopend op geweld en onderdrukking met alle excessen van dien.
Waar het Paulus om gaat, is de onderlinge schikking: alle stukjes passen in elkaar en hebben hun eigen plaats. In zoverre zijn ze (we) allemaal onder-geschikt aan elkaar. Dáártoe roept hij de gemeente op: "weest ondergeschikt aan elkaar ... ". Dat is, gezien de werkwoordsvorm, een eigen dáád van de betrokkenen zelf. Net als bij de laatste Olympische Spelen in Moskou: duizenden mensen beelden samen een figuur uitmaar dan moet wel ieder zijn eigen plaats innemen.
Als het goed is accepteren, ervaren we die onderlinge schikking niet als een last, een dwang, een vorm van onderdrukking. We schikken ons in en tot de goede orde. Een ongeduldig kind probeert vaak met geweld een stukje van de puzzle te plaatsen waar het niet past. Daarmee beschadig je het eigen stukje en de stukjes eromheen: je maakt "het geheel" kapot.
Geen omgekeerde orde
In een gemeente - het geheel - heeft ieder zijn of haar eigen plaats. Overeenkomstig de (verleende) gaven (de "geloofsmaat", Rom. 12 : 3) en het op hem of haar uitgebrachte beroep. Daarbij is (net als in die puzzle) sprake van af-hankelijkheid. Maar dan een afhankelijkheid die aan alle kanten gepaard gaat met aan-hankelijkheid. Zo komt en voegt zich ieder op zijn plaats - ieder in zijn eigen (rang)orde (1 Cor. 15 : 23). Daarvoor ben je gemeente, gemeenschap van en met Christus: "geheel anders".
Dat raakt o.a. huwelijk, gezin, beroep (Ef. 5 : 22 tot 6 : 9). De ondergeschiktheid, die Paulus daar vraagt, mist ten enenmale de angel van de overheersing. De manier waarop men tegenwoordig de oude "orde" wil vervangen, is in feite een omkering (revolutie) van de vroegere verhoudingen - en dan nog met geweld.
Maar gij geheel anders de gemeente van Christus zet de wereld niet op z'n kop. Maar beheerst door, vervuld van de Geest van Christus (5 : 18) laat zij de nieuwe orde van het nieuwe Jeruzalem zien: wederzijdse inschikkelijkheid waarbij geen stukje, niemand beschadigd wordt. En dat vanwege "de vreze U van Christus", die oordeelt over de gemeente naar de maatstaf, die Hij zelf van jongsaf (Luc. 2: 51) en als volwassene (Matth. 20: 28) hanteerde!