Rentmeesters en Dienaars
1981-09-11
Je kunt hier wekelijks je hymnbook ter hand nemen en er vlijtig uit zingen - zonder daarmee het hele boek te kennen. Er blijven altijd verrassingen over - vaak prettige. Zo zal het met het Liedboek ook wel gaan.- Jaargang 25
- nummer 32
Waarschijnlijk is uw aandacht nog steeds meer ingesteld op een beoordeling van de liederen dan het zingen er van? Nu goed. Het oordeel eenmaal uitgesproken en een lijst met 160 liederen aanbevolen zijnde, kunnen we misschien met wat meer aandacht en overgave onze kerkzang uitbouwen. En bemerken dat er een wisselwerking bestaat tussen mond en hart.
Zo ging het ons, toen we onlangs in een vreemde kerk hymn 451 uit de Derde Editie zongen. Die derde editie geldt hier voor zo iets als het Liedboek (in Dalmally zingen we nog uit de tweede editie, dat is zo iets als de Nederlandse Gezangen van 1938). En daar zongen we onverhoeds een lied, waarvan de tekst smeulende vonkjes achterliet. Het lied sprak ons toe en bleef spreken, nadat het gezongen was. Thuisgekomen zochten we het op, lazen het critisch door (want zo zijn we wel) en speurden toen naarstig of het ook in uw Liedboek voorkomt.
Dat doet het helaas niet. Wel hebben de opstellers van het Compendium lovende woorden gesproken over de bron (die in 1861 was gedrukt en laatstelijk in 1950 herdrukt) en bij de twee voorbeelden vermeldden ze inderdaad het door ons bedoelde lied - maar ze hebben het niet gebruikt, niet vertaald, niet overgenomen. Daarom leggen wij het u maar eens voor.
Het is zo'n lied, waarin onze hele menselijke cultuur in ons geloofsleven is geïncorporeerd en voor Gods aangezicht gebracht.
De tekst is van E. E. Drugmore, die van 1843 tot 1925 leefde en de hier gezongen melodie is van George Clement Martin, een tijdgenoot (1844-
1916) van de eerste. Maar wat meer zegt: dit lied staat in de categorie van "rentmeesters en dienaars".
Ons hymnbook heeft een andere indeling dan het Liedboek. Dat laatste groepeert zijn liederen naar het kerkelijk jaar - maar het hymnbook kent bovendien een indeling, gebaseerd op de gang van de eredienst. Dat boek heeft categorieën als "Nadering tot God" (openingslied) - Gods Woord en machtige daden (Schriftlezing) - Antwoord op Gods Woord (Toepassing) - Slotliederen. En de rubriek "rentmeesters en dienaars" valt onder de categorie "Antwoord op Gods Woord".
Als practiserend christen (wie zou dat niet willen wezen?) zijn we altijd blij, wanneer ons iets goeds wordt aangereikt, dat onze praktijk komt steunen. We weten ons immers rentmeesters en dienaars van Gods goede gaven en willen dat gráág weten ook. Zo willen we graag aangemoedigd worden, om betere en meer vruchten van dankbaarheid voort te brengen.
Teneinde op Gods Woord met heel ons leven het passend "antwoord" te kunnen geven.
Want waarom zouden we elk bloempje van een "nieuwe gehoorzaamheid" verstikken met ons veto van "onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?" Is Gods vernieuwende Geest ons niet overvloedig beloofd?
Wordt van ons niet verwacht, dat we Gods geboden doen "uit dankbaarheid"?
Of zou de Heere God met de ene hand terugnemen, wat Hij ons met de andere schenkt?
Met excuus voor deze schijnbaar overbodige zijsprong geven we nu het complete voor u vertaalde hymn 451 weer:
Almachtige Vader van alles wat leeft,
wij wijden ons leven en werken aan u,
wiens hemelen uw majesteit verkondigen
en wiens aarde getuigt van uw liefde.
Want wij weten, dat deze oude vervuilde aarde
niettemin uw eigendom is, krachtens uw herschepping,
daar het grote kruis, dat op Golgotha stond,
haar voor u verlost heeft van schuld en schande.
Van u is immers de veranderlijke schoonheid van de heuvels,
de purperen dalen, doorsneden met zilveren beekjes,
de oceaan, die glinstert onder de gouden zonnestralen
ze zijn alle van u en woordloos prijzen zij u.
U verleent kracht aan de arm van de werkman,
van u komt de heerlijke muziek, de zwier van
de dichterspen of van de schildershand,
die ons de schoonheid van zee en land tonen.
Sta ook ons dan toe, Heere, in alles u toe te behoren,
te wonen in de schaduw van uw troon,
om in spreken en werken, in denken, leven en bewegen
uw eigen beeld weer te geven - dat Liefde is.
Opdat zo, door Christus verlost van zonde en schuld,
en begenadigd door de zuiverende vlam van uw Geest,
wijzelf, ons werk en al onze talenten mogen zijn:
een offer dat voor u behagelijk is.
Het eerste couplet is de aanhef. Hier wordt onze God en Vader, de schepper van hemel en aarde, aangesproken; aan Wie ons leven en ons werken gewijd wordt. Want áls onze hulp van Hem komt, worden wij ontegenzeggelijk ook door Hem in staat gesteld, ons leven en werken als een "antwoord" Gode te wijden. - Dus niet práten over ons leven, práten over ons werk (zondig leven, onheilig werk en zo) maar het dóen van Gods geboden. Liefde tot God de Heere; liefde tot de naaste. Met woord en daad jegens elkander bewijzen.
Het tweede vers is een geloofsbelijdenis: dat wij door Christus' verlossend lijden bekwaam gemaakt zijn tot mede-arbeiders aan Gods nieuwe schepping.
Geen stenensjouwers, maar kerkbouwers. - Ook het derde vers bezingt: dat al die verrukkelijke schoonheid, die Gods natuur in deze zomer ons op weergaloze wijze schenkt, een eregroet aan de Schepper biedt. Zij vormt het schone boek, waarin de onzienlijke dingen Gods gelezen worden.
In het vierde deel komt de praktijk der godzaligheid naar voren. De arbeider werkt immers tot Gods eer, door Gods kracht, in zijn Goddelijk beroep. De muziek is een hemels geschenk, geen dubieuze bijkomstigheid.
De dichter en de schilder brengen ons de onzienlijke dingen Gods nader. Ze zijn geen abnormaliteiten; geen ornamenten die bij een "sober" leven zonder bezwaar gemist kunnen worden; maar ze zijn monden, die zingen tot Gods eer, pennen die schrijven van Gods liefde, kleuren die verstaan worden omdat God de eeuw in ons hart heeft gelegd. Zonder Gods wil kan geen schepsel zich roeren? Zonder zijn Geest blijven woorden woorden en blijft een schilderij beklodderd linnen.
En als onze dagelijkse arbeid, zowel de gewone als de ongewone, uit Hem, door Hem en tot Hem geschiedt, daar volgt vanzelf de bede uit het vijfde vers: Heere, houd ons dicht bij U. Want in U leven wij en bewegen wij. We zijn van U en we willen U dienen. Laat ons daarin Uw beeld mogen vertonen. Opdat de wereld u kenne en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt.
Opdat wij (: 6) verlost, begenadigd en gezuiverd, levende dankoffers voor U mogen zijn. Een reuk, die U welbehagelijk is. Bekwaam tot onze dienst, meesters in ons vak, vromelijk strijdend tegen de wereld, de duivel en onze eigen vleselijke wil. Om straks als goede en getrouwe rentmeesters en dienaars door U te worden verwelkomd op de bruiloft van het Lam.