" ... naar de mate van het geloof…”
1981-09-18
Meer of minder geloof?- Jaargang 25
- nummer 33
In de tijd dat een agrarisch medewerker nog boerenknecht heette en je de melkman ongestraft mocht aanspreken met melkboer, kon je laatstgenoemde om een halve of hele kan melk vragen. Daartoe bediende hij zich van geijkte metalen maatkannen, waarmee hij de verlangde hoeveelheid, al of niet met zijn duim erin, uit de melkbus in je melkemmertje overbracht. Een soms overlopende maat.
Het zou me niet verbazen wanneer u bij het lezen van Rom. 12 een soortgelijk beeld voor ogen zweeft. Paulus schrijft daar namelijk: " ... koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot be-dacht-zaamheid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld" (vers 3). Oppervlakkig of argeloos bezien, lijkt het of God de een meer geloof heeft gegeven dan de ander. Of ook dat de een meer gelovig is dan de ander. Een "klein-gelovige" moet zich dan ook maar niets verbeelden, en zich niet groter voordoen dan hij is.
Maar de moeilijkheid is, dat in "kleingelovige" steeds een toon van verwijt meeklinkt (Mt. 6 : 30 bijv.) evenals in "kleingeloof" (Mt. 17 : 20).
Als God echter de ieder toebedeelde "mate van het geloof" bepaalt, hoe kan dan iemand zijn "kleingeloof" verweten worden? God zélf gaf de betrokkene toch niet meer?
Gedeeld geheel
Blijft de vraag, wat Paulus voor ogen stond toen hij schreef: "naar de mate van het geloof dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld".
Nemen we eerst eens dat "toebedelen" onder de loupe. Het lijkt wat saai om uit een (grieks) woordenboek te gaan citeren, maar 't is wel verhelderend.
Het griekse werkwoord merizá betekent in eerste instantie: delen, verdelen, toedelen. Denk maar aan een ronde taart die in stukken, in punten wordt gesneden. Het resultaat is meros, een zelfstandig naamwoord, dat vanzelfsprekend in eerste instantie betekent: deel van een gedeeld geheel; aandeel, portie. In het verlengde daarvan: deel (als plicht of recht) in de zin van rol of taak.
En let nu eens op wat Paulus onmiddellijk op dat "aan elkeen toebedelen" laat volgen. Met in herinnering dat "deel van een gedeeld geheel" als resultaat van Gods "toebedelen". Ik citeer nu Paulus: "Want, gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden van elkaar. Wij hebben nu gaven (! charismata), onderscheiden naar de genade, die ons gegeven (!) is: profetie, dienen ... onderwijzen, vermanen ... mededelen ... leiding geven, barmhartigheid bewijzen " (12 : 4-8). De gemeente is één geheel - elk heeft daarin zijn eigen deel, rol, taak.
Toegemeten deel
Toegegeven: Paulus gebruikt dat zelfstandig naamwoord meros, deel niet het zit opgesloten in "toebedelen". Je zou kunnen zeggen: hij vervangt het door een ander zelfstandig naamwoord: metron, maat. Hij heeft het over de maat des geloofs. Nu kan "maat" de betekenis hebben van maatstaf, maar ook het toegemeten deel (als resultaat van het weten).
De reden waarom Paulus voor dit woord kiest, kon wel eens in het voorafgaande zijn gelegen. Want pal ervóór schrijft hij: " ... ik zeg een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen. Anders gezegd: in hun denken overschrijden zij de grens, gaan zij buiten de maat. Wie zichzelf meer acht dan de ander, minacht die ander, acht hem minder.
Wie bij zichzelf hoogmoedig is, slaat de ander laag aan.
Nu had Paulus de christenen uit de heidenen ("ik spreek tot u, heidenen" 11 : 13) al gewaarschuwd voor hoogmoed ten aanzien van Israël. Hij schrijft letterlijk: "denk geen hoge dingen (wees niet hoogmoedig) maar vrees" (11 : 20). Maar de volgende keer (12 : 3) gaat het blijkbaar om de verhoudingen binnen de gemeente. Misschien sloeg degene die leiding gaf (en dus veel verantwoordelijkheid droeg) zichzelf toch wel een tikkeltje hoger aan dan iemand die "maar" diende (12 : 6-8). Misschien ook oogste die eerste bij anderen ook wel mateloze bewondering: "dienen" valt niet zo erg op!
Maat van het geloof
Als het de HERE God is die toebedeelt en de maat bepaalt voor ieder, is er voor niemand reden tot zelfingenomenheid. Bovendien worden de maten en waarden in Gods Koninkrijk heel anders getaxeerd dan in een maatschappij als van toen of van nu. Niet voor niets, dunkt me, typeert Paulus de maat als "maat van het geloof". In zijn brief vormt "het geloof"
het kernbegrip (1 : 16, 17), waarbij het vooral gaat om de tegenstelling: rechtvaardiging door het geloof óf door goede werken. Met "goede werken"
zou je jezelf kunnen opwerken tot een hoge positie. Hoe meer goede werken, hoe hoger je plaats op de ladder. 't Zijn je eigen verdiensten als je het ver schopt. Maar bij "geloof" spelen niet eigen verdiensten een rol, maar gaat het over genade-om-niet, verkregen door Christus' verdiensten.
In de wereld-van-het-geloof is geen plaats voor eigen verdienstelijkheid en voortreffelijkheid. In die wereld gelden andere maten en maatstaven dan waarmee wij plegen te rekenen. Luister maar naar Jezus: " ... wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn" (Mt. 20 : 20-28; m.n. vers 25-28).
Het mag vreemd lijken om bij "geloof" te spreken van een "maat", maar het is niet vreemder dan de maat van de genade (Ef. 4: 7) waarover Paulus in een soortgelijk betoog schrijft in Ef. 4: 1-16.
Slechts één niét met mate!
De vrede in de gemeente zou ermee gediend zijn als ieder tevreden was met het hem of haar toegemeten deel, de eigen taak en mogelijkheden.
Dat zou meerder- en minderwaardigheidscomplexen voorkomen. Het zou ook de grote verscheidenheid in wat God toebedeelt doen uitkomen.
Tegelijk zou de van God gegeven eenheid van de gemeente aan het daglicht komen. Respect voor de Gever en onderling respect van en voor de begiftigden en begaafden. Niemand heeft alle gaven. Op die Ene na, aan wie de Geest niet met mate (Joh. 3 : 34) geschonken is: Jezus - zowel Knecht als Koning der koningen (inclusief alle andere namen die Hij met ere draagt: profeet, hogepriester, apostel, leraar, herder enz.).
Wie verder steeds voor ogen houdt, dat God het is die ieder een eigen deel en functie geeft in het geheel, die beklaagt zich ook niet dat sommige gaven soms in een gemeente ontbreken. Kritiek in deze betekent feitelijk kritiek op de goede Gever!