Over de waarheid (8)

1981-09-18
  • Jaargang 25
  • nummer 33
23. Een verschuiving in de gewone ervaring?
Volgens het rapport zou zich "in de gewone ervaring" een verschuiving voordoen, die illustratief is voor de beweerde verandering in "het" waarheidsbegrip. In het voorafgaande hebben wij die beweerde verschuiving in de gewone ervaring van het waarheidsbegrip ontkend.
We kijken dus nu met extra belangstelling naar de illustratie die het rapport bij deze bewering geeft.
We citeren opnieuw: "Eenvoudiger in te leven zijn de verschuivingen in de gewone ervaring: we beginnen te beseffen dat we minder goed weten hoe de wereld, ook die van het geloof, in elkaar zit dan vroegere geslachten wel dachten" (12).
Onzerzijds eerst de vraag: wie zijn die "we"? Is dat soms de generatie die thans de toon aan geeft? Of alleen een progressieve élite daarvan?
Meenden in verleden tijden mensen van "de gewone ervaring" precies te weten "hoe de wereld in elkaar zat"? Wat kan zulk een bewering nu toch betekenen? En dan, meenden ze vroeger te weten "hoe de wereld van het geloof in elkaar zat"? Als ik nu ook eens mag proberen te vertolken wat in de gewone ervaring aangaande die zgn. "wereld van het geloof" ervaren en beleden werd door onze gereformeerde voorgeslachten, dan zou ik het anders zeggen. Ten eerste sprak men niet over "de wereld" van het geloof. Die term uit de fenomenologische wijsbegeerte kende men niet en de eerste generatie van de "calvinistische filosofen" weigerde bewust en beslist die terminologie over te nemen. Maar die eigenaardige uitdrukking laten we rusten, het gaat niet om wat termen. Maar over het geloof zelf en over wat men geloofde, hadden onze voorgeslachten een duidelijke belijdenis die men als regel met vaste geloofszekerheid beleed en beleefde, nl. dat het geloof een geschenk van God was en dat het bestond uit het eenvoudig geloven van God op Zijn Woord. Ook hebben ze met het hart geloofd en met de mond beleden, dat de Waarheid van Gods Woord iets anders en iets oneindig hogers is dan de subjectieve geloofservaringen in het altijd onvolkomen subjectieve geloofsleven. Zij hebben ook ootmoedig beleden dat Gods wegen hoger zijn dan onze wegen en Zijn gedachten hoger dan de onze, zodat zij bepaald niet pretendeerden precies te weten hoe "de wereld" in elkaar zat. Wel moet erkend worden, dat ook vroegere geslachten hun zwakke punten ha den en helaas hebben sommigen inderdaad wel de indruk gewekt dat men met een catechetisch ontworpen uittreksel uit de dogmatiek in het hoofd "goed gereformeerd" was. Maar, indien uitdrukkelijk daarnaar gevraagd, wilden zij ook altijd weer die indruk ongedaan maken. Want - hoe gebrekkig ook in de formulering soms - men wist wel beter. Men wist heel goed wat de Schrift zegt over ons "kennen ten dele". De modekreet: "ze wisten het allemaal zo goed" moge inderdaad een korreltje waarheid bevatten, en wellicht leren we tegenwoordig wat meer hoofdzaken en bijzaken te onderscheiden, zonder daarvan een catalogus te kunnen opmaken, toch zijn vele mensen van "de gewone ervaring" in geest en hoofdzaak nog gespaard gebleven voor die beweerde verschuiving in het waarheidsbegrip, gespaard gebleven ook voor die verschuiving in de houding tegenover de Waarheid van Gods Woord.
Het rapport spreekt nu echter plotseling van een verschuiving in de houding ten opzichte van "de waarheidsvragen"

24. De waarheidsvragen
Waarop zou het rapport doelen, toet deze uitdrukking? Is dat een speciaal soort vragen? Zijn niet alle "vragen" gericht op het leren kennen van waarheid? Noemde het rapport zelf niet het woord waarheid één van de "grondwoorden" die de ondertoon van ons denken vormen en van de manier waarop wij de dingen beleven (9)? Of zouden hier (niet erg consequent) met "de waarheidsvragen" alleen theologische of filosofische problemen zijn bedoeld? Ik weet het gewoon niet, daarom vraag ik maar.

25. Wij en onze voorgeslachten: waarheidsverandering of waarheidsverlies?
In paragraaf 4 spreekt het rapport inderdaad meer over de verandering in onze houding ten opzichte van de waarheid (of waarheidsvragen, of waarheidsopenbaring) dan over de waarheid of het waarheidsbegrip zelf, zoals was aangekondigd in het opschrift. Maar dat is slechts een logische oneffenheid, waaraan we nu voorbijgaan.
Ernstiger is een heel nare caricatuur die we nu voorgeschoteld krijgen. Het rapport zegt niet ronduit, maar suggereert dat "vroegere geslachten" hun geloof op een afschuwelijk wettische en rationalistische wijze beleefden, waartegenover dan onze hedendaagse "eerlijke en echte houding ten opzichte van de waarheidsvragen" zou staan. Laatstgenoemde zou dan ook (voor anderen) "meer overtuigend" zijn, omdat "wij" het ook allemaal niet meer zo goed en zo zeker weten.
Bij ongelovigen, bij twijfelaars, bij aarzelenden, die onderweg zijn hetzij van ongeloof naar geloof, hetzij van geloof naar ongeloof, kunnen "wij" nu meer overtuigend óverkomen, nu wij het zelf ook niet meer zo zien zitten, nu wij (ik citeer) "beginnen te beseffen dat we minder goed weten hoe de wereld ... van het geloof, in elkaar zit, dan vroegere geslachten wel dachten.”
Mijns inziens klinken hierin de tonen door van het wijdverbreide hedendaagse scepticisme, als late vrucht van de filosofie van Nietzsche en van de existentialistische ideologieën met hun “Entsicherungsprogramm”.
Zeker, er waren evenals in het heden, ook in het nabije en verre verleden altijd christenen – en vooral theologen, denk ik – die meer leefden bij wat het rapport noemt "een zeer gesloten, onpersoonlijk overzicht van wat men voor waar moet houden", in plaats van bij het levende Woord van de levende God. Telkens wanneer God "zijn dorsvloer doorzuivert" waait er dan ook veel kaf met de wind van de tijd mee. Zij zullen er ook in onze tijd zijn, in alle kerken, groeperingen en modaliteiten, bij fundamentalisten en bij de mensen van het abstracte uit- en aftreksel van de Bijbel dat alleen vertelt over het heil als de "bevrijding van armen en verdrukten".
Evenwel, wanneer een groep theologen en een synode in dit rapport pretendeert tot de gemeente te spreken, dan vind ik het volstrekt onverantwoord met deze caricatuur onze "vroegere geslachten" in beeld te brengen. Ik zou dan ook deze waarheidsvraag willen stellen: is het wel waar dat "vroegere geslachten"
ten onrechte verzekerd waren van de vaste betrouwbaarheid van God en van Zijn Woord? Ook deze waarheidsvraag: is het wel eerlijk om te suggereren dat men "vroeger" zich slaafs boog onder een ijzeren wet die een "zeer gesloten, onpersoonlijk overzicht van wat men voor waar moet houden" ons voorhield? ALS de theologen die dit schrijven, en die ook al niet meer zo piepjong zijn, werkelijk in die geest zijn opgevoed, dan hebben ze nooit een echte gereformeer de opvoeding gehad, al dachten ze misschien dat hun opvoeders "geheid gereformeerd" waren. Of, ALS ze, achterom kijkende, hun voorgeslachten zó ervaren, dan hebben ze niets wezenlijks verstaan van de geloofservaring van die "vroegere geslachten" .
WIJ, zegt het rapport, beginnen te beseffen dat we minder goed weten hoe de wereld van het geloof in elkaar zit, dan vroegere geslachten wel dachten. Dat wordt niet met schaamte gezegd, maar met trots.
Wel getemperde trots, want wij beginnen dat pas te beseffen. Er staat ons nog heel wat te wachten.
De schrijver(s) van deze regels denken misschien wel bij zichzelf dat er nog veel meer overhoop moet, we moeten het nog veel minder goed weten dan "vroeger", want we beginnen pas. Onze "vroegere geslachten" waren zo onnozel dat ze dachten "het" allemaal goed te weten. "Wij" beginnen al wijzer te worden en in de toekomst hopen wij nog veel wijzer te worden, misschien wel zo wijs als Socrates, van wie men beweert dat hij meende niets te weten.
Het is te vrezen, dat het rapport niet slechts redeneert vanuit een theoretische veranderd waarheidsbegrip, maar vanuit praktisch waarheidsverlies. Men is wat kwijt geraakt en men wil het weten ook.
De vastheid en zekerheid van het geloof is verwisseld voor de vaste verzekerdheid dat "WIJ" met onze open en eerlijke onzekerheid aangaande de "wereld van het geloof"
hoger ontwikkeld zijn dal) vroegere geslachten, die de nieuwe ontwikkelingen van het waarheidsbegrip nog niet konden meemaken.

26. Objectief en subjectief inéén
Nu volgt een poging van het rapport om de beweerde nieuwere betekenis van "waarheid" te schetsen.
Eerst horen we hoe wij dat nieuwe waarheidsbegrip niet moeten opvatten: "Waarheid is niet zomaar iets buiten de mens, ook niet alleen maar een inspanning van de mens en evenmin een optelsom van beide". Ook de laatste zin van deze paragraaf 5 geeft voor alle duidelijkheid nogmaals aan hoe het niet is: "het gaat dus niet om een waarheid (objectief) die vervolgens toegeëigend moet worden (subjectief), maar om beide inéén" (13). We zullen het goed onthouden.
Maar hoe is dat nieuwere waarheidsbegrip dan wel? Tegenover de in paragraaf 2 besproken zgn. objectieve waarheid (bedoeld is kennelijk de objectivistische waarheidsopvatting) en tegenover de in par. 3 besproken zgn. subjectieve waarheid (bedoeld is de subjectivistische opvatting van wat waarheid is), wordt nu in par. 5 gesteld dat objectief en subjectief inéén gedacht moet worden.
Ik laat nu de overigens niet onbelangrijke vraag maar rusten of het wel juist is om te stellen (met de eerste zin van par. 5 in het rapport) dat "achter" de geschetste veranderingen (zie ons vorige punt) deze nieuwere wijsgerige opvatting van het waarheidsbegrip schuilt. Ik denk dat het eerder andersom is. Verandering in theoretisch waarheidsbegrip volgt m.i. de praktijk der waarheidsbeleving: waarheidsverlies in de praktijk wordt gevolgd door, goedgepraat en gerechtvaardigd, door verandering van filosofische waarheidstheorieën. Maar dat nu daargelaten.
Met twee titels van twee paragrafen wordt nu in het rapport getracht een positieve voorstelling te geven van wat het "nieuwere waarheidsbegrip" van de moderne wijsbegeerte inhoudt. Het eerste is: objectief en subjectief inéén. Om duidelijk te maken wat daarmee bedoeld is, volgt een beeldspraak die ik nu letterlijk citeer: "Het is (bedoeld zal zijn: waarheid is ... A. T.) de schat in de akker èn het graven èn het vinden inéén, anders gezegd: juist in en met het subjectieve aspect komt het objectieve beter aan het licht".
Wanneer we dit beeld in het verband lezen van de beide paragrafen die ons willen leren wat het nieuwere waarheidsbegrip is, dan wil het niets anders zeggen dan dat waarheid altijd iets is wat ineen kern relatie aan de orde is. Maar dat is niets nieuws. Heeft dan de berg een muis gebaard? Eensdeels wel - we zeiden al in punt 8 (ons tweede artikel in deze reeks) dat waarheid altijd relationeel is. Maar het rapport verstaat onder "relationeel" wel iets heel bijzonders. We zullen nog heel wat kanttekeningen moeten maken bij die twee typeringen van het "nieuwere waarheidsbegrip".
We moeten echter in deze reeks een pauze inlassen van twee weken.

(wordt D.V. 9 oktober vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief