"Niet ons, o HERE, niet ons…
1981-09-25
Voorgetrokken?- Jaargang 25
- nummer 34
Als ik Psalm 115 lees, stel ik me een samenkomst van Israël voor, bij de tabernakel - later in de tempel. Iedereen is aanwezig. Al het "personeel", het huis van Aäron. En heel het volk: de groten en de kleinen, de kinderen dus ook.
Een bijeenkomst van Gods gemeente in al haar geledingen - wat komen ze daar doen?
Een uitlegger die niet zoveel op heeft met Gods uitverkoren volk, maakt de boosaardige opmerking: het zijn net schoolkindjes van de God der wereld, die voortdurend erop speculeren te worden voorgetrokken en bijzonder te worden gezegend.
Wie zó spreekt, begrijpt niets van de verhouding tussen God en zijn gemeente. Die gemeente wordt juist nooit "voorgetrokken". Een wit voetje halen? Gaan zorg en verdriet, eenzaamheid en verguizing, ziekte en dood haar soms voorbij? Zijn zij de "onaantastbaren"?
Als het' er op áánkomt, heeft Gods gemeente meer te lijden dan "de anderen", de buitenstaanders. Haar verkiezing betekent een zoveel grotere verantwoordelijkheid - zij weten dat zij rekenschap moeten afleggen. Van hen wordt het uiterste gevraagd. Vergeving van zonden? Maar niet zonder het "gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren". Naar het evenbeeld van Christus vernieuwd worden? Dat betekent vooreerst "de gestalte van een dienstknecht".
Verkeerde conclusie
Juist omdat het Gods gemeente niet beter gaat dan anderen, komt de spottende vraag van "de heidenen": waar is toch' hun God? Waar blijft Hij nu? Wat doet Hij nu? (vers 2). Want kennelijk verkeert dat volk van God in trieste, treurige omstandigheden. Waarom anders zijn de bijna laatste woorden niet veel minder dan een schreeuw van ellende: "niet de doden zullen de HERE loven, niemand van wie in de stilte zijn neergedaald" (vers 17)? Als deze psalm, behorend tot het bundeltje paschaliederen (Ps 113-118; het zgn. hallél) net als Ps 114 ïn eerste instantie ziet op de uittocht en woestijnreis ("toen Israël uit Egypte toog ... "), kan dan die dodenklacht niet slaan op het spoor van graven in de woestijn?
Had hun God niet gezworen dat allen van twintig jaar en ouder Kanaän niet zouden binnengaan? Met het oog op al die voortijdige (Ps 90 : 10) sterfgevallen, kan licht de vraag rijzen: waar blijft jullie God nu? Dat thema van een voortijdige dood wordt ook "bezongen" door Hizkia (Jes. 38: 18 - en leg daar Ps 30 maar naast). En wat zou u zeggen van een gebed (in liedvorm) in dodelijke ziekte (Ps 88)?
Als oude geschiedenissen worden opgehaald, zoals de uittocht, komen wel en wee weer naar boven. Het wee leidt bijna toch een klagend refrein (iets anders dan zelfbeklag); waarom zouden de Egyptenaren zeggen ... (Ex. 32: 12), waarom zouden de heidenen zeggen: waar is hun God? (Ps 79 : 10).
Wie is beter af?
Heel fijngevoelig heeft Israël gezegd: dat raakt niet óns in de eerste plaats - dat raakt U, uw eer (vers 2). Ook al blijft de situatie (tot op dat moment) ongewijzigd - God grijpt niet in - ze weten het antwoord. Wat onze God doet? Waar Hij is (blijft)? Onze God is in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt (vers 3)! Een vérgaande belijdenis: Hij is de levende God, en Hij is vrij in zijn handelen. Geen mens, ook zijn eigen volk niet, kan Hem dwingen, manipuleren, voor zijn karretje spannen, optrommelen, dwingende eisen stellen. Hij is niet gebonden aan mensen, Hij is vrij in zijn zegenen en vloeken, dus ook in zijn straffen.
En dat (Israël heeft het begrepen) in tegenstelling tot "hun afgoden" van zilver en goud (vers 4 - 7). Die zijn tastbaar en binnen handbereik - de heidenen menen hen naar hun hand te kunnen zetten: de mens die zijn god de baas is. Maar die afgoden zijn weTdóód ..Mond, ogen, oren, neus, handen, voeten - alles hebben ze, maar ze doen er niets mee. Zoals Jeremia hen typeert: "zij doen geen kwaad, maar goeddoen is er ook niet bij" (10 : 5). Niets-waardig, stomme afgoden (1 Cor. 12: 2), eigen maaksel waarop de maker in zijn dwaasheid zijn vertrouwen stelt (Hab. 2 : 18, 19).
Ze doen ... niets. En "heidenen" zijn pas echt alleen en tragisch, eenzaam en contact-arm. Als de nood bij hen écht aan de man is, is er niemand die luistert of van zich laat horen. Wie op hen vertrouwt, staat ook met stomheid geslagen, beschaamd en met de mond vol tanden (vers 8).
Zegt het voort!
Gods gemeente doorziet dat, en zelfs als de dood om zich- heen grijpt, belijden ze nog: ... Hij doet al wat Hem behaagt. Dat is juist géén reden tot défaitisme: een levende God hoort en ziet. En dus zeggen ze het rond, van groep tot groep: Israël ... gij huis van Aäron ... gij die de HERE vreest: vertrouwt op de HERE (als in Ps 91 : 2, 9). Ze bevestigen elkaar in het geloof. Ze zeggen niet: onze God is ook maar niets. Nee het gaat van mond tot mond en in wisselzang: Hij is hun hulp en hun schild (hun actieve en passieve bescherming; vers 9-11). Zo zeggen degenen die het goed gaat het tot de getroffenen en omgekeerd. Zo spreekt het volk tot . het huis van Aäron (geef uw dienst niet op: die is niet zinloos!) en omgekeerd.
Zo zeggen de groten het tot de kleinen en, zoals zo vaak, verrassend, de kleinen tot de groten. Ze bemoedigen elkaar: Jahweh heeft onzer gedacht en gedenkt ons - Hij zal zegenen. Is dat de stem van de hogepriester (Num. 6: 22-27)? Waarom niet de stem van een kind? Jong en oud spreken hun vertrouwen uit in de levende God. Alleen "de God die leeft" hoort en ziet en "gedenkt": grijpt in. Hoorden ze het zo niet bij hun pascha-viering, antwoordden ze zo niet hun vragende kind? Met de woorden van Mozes' tweede boek: "en God hoorde hun klacht en God gedacht aan zijn verbond... zo zag God de Israëlieten aan en had bemoeienis met hen", dééd er iets aan (Ex 2 : 24, 25).
Van zegen tot hallelujah
De HERE heeft onzer gedacht; Hij zal zegenen ... En in deze zegen worden ook alle geledingen betrokken. Ook dát gaat rond van mond tot mond: Hij zal zegenen het huis Israëls ... het huis van Aäron ... wie de HERE vrezen, kleinen zowel als groten (vers 12, 13). Moge het volk gedecimeerd zijn, moge de dood rondwaren in Israëls gelederen (vers 17), tot die zegen behoort ook de kinderzegen: de HERE moge u vermeerderen, en uw kinderen (vers 14; vgl. Ex. 1; Ps 127, 128). Met de indrukwekkende conclusie: gezegend zijt gij door de HERE, die hemel en aarde gemaakt heeft! Nog eens: de hemel is de hemel van de HERE (vgl. vers 3), maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven (vers 15, 16).
Dat is ook niet niets en evenmin voor niets. Zeker - daar zijn ook nog dood en dodenrijk (vers 17; vgl Ps 6; 30; 88; 90; 116 enz.). Maar God heeft er toch geen belang bij, dat zijn volk de dood wordt ingejaagd?
Wie zullen dan de HERE nog loven - toch zeker niet de heidenen? Daarom kan het slot (vers 18) luiden zoals het luidt: maar wij, wij zullen de HERE prijzen, van nu aan tot in eeuwigheid. Wie op de levende God zijn vertrouwen stelt, kan met recht "halleluja" zingen: prijst de HERE!