Boekbespreking
1981-09-25
"De weg van het Woord"- Jaargang 25
- nummer 34
- In het spoor der vaderen
Verzamelde opstellen van Ds. W. L. Tukker Samenstellers: Ir. J. v. d. Graaf en Ir. L. v. d. Waal 323 pagina's Uitg. van J. H. Kok, Kampen - Prijs, geb. f 37,50
Ds. W. L. Tukker is geen onbekende figuur in de predikantenwereld.
Binnen de gereformeerde gezindte neemt hij een aparte plaats in. En met name in de Hervormde Kerk geldt hij als toonaangevend geref. Bondspredikant, die verschillende publikaties op zijn naam heeft staan. In december 1979 werd hem ter gelegenheid van zijn 40-jarig ambtsjubileum dit boekwerk aangeboden.
Het lag al enige tijd op bespreking van onze kant te wachten.
We beginnen met op te merken, dat het bespreking verdient!
Het is goed ook in onze kerkelijke kringen naar een gereformeerde Bondsstem te luisteren, zeker als het van iemand is die jarenlang als voorzitter genoemde Bond heeft geleid. Temeer verdient dit boekwerk de nodige aandacht, daar aan de keerzijde van het schutblad van deze uitgave een Bijbeltekst staat afgedrukt, die als beheersend uitgangspunt voor het hele geschrift geldt. Er staat: "Want wij dragen niet gelijk velen het Woord Gods te koop, maar als uit oprechtheid,.
maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus" 2 Cor. 2 : 17. Daarvan is Ds. Tukker gedurende een veertigjarige ambtsbediening zich duidelijk bewust geweest. Hij is zonder meer aanspreekbaar op het gezaghebbende Woord van God, dat hij nergens voor beter geeft. Voorts blijkt hij wezenlijk betrokken op de belijdenisgeschriften van de kerk en zoekt hij het hervormde kerkgeheel daarnaar terug te leiden. De afwijking van Schrift en konfessie in "eigen" kerk, die hem zo lief is, verhult Ds. Tukker niet. Maar het positieve in hervormde kring moffelt hij evenmin weg. Hij wil ons ervan overtuigen, dat het werkelijk mogelijk is echt gereformeerd èn tegelijkertijd gewoon hervormd te zijn. Wij moeten bij al onze kritiek op een dergelijke positiekeus beginnen met te erkennen, dat wij het orgaan missen om daarvoor begrip op te brengen. Wie als kerkelijke achtergrond de Afscheiding, de Doleantie en de Vrijmaking heeft, benadert een dergelijke kerkelijke opstelling via een heel andere invalshoek.
Dat betekent al een min": punt in de kerkelijke kontaktoefening met elkaar, die dan ook in feite op een heel laag pitje staat.
Terwijl er toch zo ontzettend veel dingen zijn, die wij gemeenschappelijk hebben. In zijn opstel: "Herinneringen aan 1834" gaat Ds. Tukker nader op de Afscheiding te Ulrum in 1834 in. Aan de ene kant schrijft hij: "Niet gebrek aan liefdebetoon deed hen gaan, eigenlijk ook niet een gebrek aan goede kerkordening, maar het gebrek aan de waarheid, aan goede prediking, aan de eer van Christus. Wil onze kerk herstellen de wonden, die daar geslagen zijn, dan zal zij deze dingen moeten herstellen" (pag. 302, 303). De auteur vindt, dat er een schuldbelijdenis moet plaats hebben van de kant van de Hervormde Kerk aan het adres van de gereformeerden.
Maar tevens wijst hij erop, dat men van hervormde zijde nog steeds wacht op een verschuldigde wederkeer van de gescheiden broeders. Maar waarin die schuldbelijdenis dan konkreet moet bestaan, komt niet duidelijk uit de verf! Het kan zijn, dat Ds. Tukker het schuldbesef zoekt in de erkenning, dat volgens hem de scheiding niet de oplossing van het kerkelijk vraagstuk gebracht heeft, omdat geen van beide "partijen" ermee gebaat is en de gereformeerde broeders aan voortdurende kerkelijke splitsing blootstaan. Terecht benadrukt Ds. Tukker het belang van de psalmen in de eredienst en evenzeer terecht maakt hij de opmerking, dat er geen lichte psalmen en geen zware psalmen zijn, maar alleen maar ware psalmen (pag. 314).
Maar we kunnen hem niet volgen als hij zo eenzijdig pleit voor het gebruik van de psalmen naar het patroon van de Dordtse vaderen, terwijl er toch zoveel schatten liggen opgetast in een goede schriftuurlijke gezangenbundel, die ook het zogenaamde vrije lied bevat.
Inderdaad vraagt Ds. Tukker aandacht voor de messiaanse strekking van de psalmen, maar waarom zou ik al zingend in de profetie blijven steken, zodat de vervulling der profetie nergens aan bod komt?
Het is een uitstekend ding, dat de geachte schrijver stelt, dat God zijn verkiezing verwezenlijkt op verbondsmatige wijze, in de weg van het Verbond of zoals wijlen Ds. I. Kievit het uitdrukte: "in de orde van het Verbond". Maar wanneer onze bejaarde en ervaren kollega de opmerking lanceert, dat er eigenlijk van tweeërlei Verbond sprake is, nl. aan de ene kant zoals God.
het met Christus en met de uitverkorenen oprichtte en anderzijds zoals de HERE het sloot met de gelovigen en hun zaad, missen wij het Schriftbewijs. We zijn, dacht ik, in de dagen van de vrijmaking terecht aangegaan tegen het spreken over een inwendig en een uitwendig Verbond. Via een dergelijke konstruktie kwam men tot de belijdenis van een tweeërlei doop. En komt Ds. Tukker eigenlijk niet via deze these, zojuist gesignaleerd, tot de beschouwing, dat er in feite tweeërlei kerk is?! Op pag. 99 vinden we deze zin: "Zo bezien ligt de kerk des verbonds ruimer dan de kerk, die God geordineerd heeft
tot het eeuwige leven". Wij menen, dat Schrift en belijdenis geen aanleiding of opening geven tot deze (onder)scheiding! Al is er wèl sprake van een tweeërlei zijn in het Verbond en een tweeërlei verkeren in de ruimte van Christus' kerk!
Wij krijgen op pag. 237 de indruk, dat ds. Tukker de gelovigen in enkele categorieën verdeelt als hij het heeft - in verband met de toegang tot de tafel van de Here - over: "kleingelovigen, toevluchtnemende gelovigen en aangevochten gelovigen".
Maar zou je niet veel meer moeten zeggen, dat de mensen, die last hebben van een smal geloof (want dàt wordt immers bedoeld door de Heiland met de uitdrukking: kleingeloof) toch uiteindelijk ook weer mensen zijn, die de toevlucht nemen tot de HERE en daarin juist bij tijden worden aangevochten door de duivel en eigen zonden?! Wanneer het over de tucht gaat, geeft de emeritus-pastor kennen hoe hoog hij de handhaving van de tuchtoefening aanslaat als hij haar rekent te behoren niet tot het wèlwezen, maar tot het wézen van de kerk! (pag. 127).
Maar als je dan aan het slot de zin leest: "Als Spreuken 5: 23 zegt, dat de goddeloze zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, dan is met een variant op dit woord te zeggen, dat de kèrk zal sterven, als zij zonder tucht geweest is", vraag je je wel - zonder hopelijk in hoogmoed verstrikt te raken - af hoe dit valt te rijmen met het beeld, dat de Hervormde Kerk in haar geheel presenteert. Wij zouden nog wel meer vragen kunnen stellen en kritische notities kunnen plaatsen.
Maar het is geenszins onze bedoeling daarin deze boekbespreking te laten opgaan. Want er staat zoveel goeds in deze bundel. Wat nadere bestudering echt waard is ook voor ons, Nederlands Gereformeerden, dat men alleen tot eigen schade een dergelijke bundel ongelezen terzijde kan schuiven. Ds. Tukker schrijft over allerlei onderwerpen. Hij kruist de degen met Prof. Berkhof.
Hij toont Calvijn gelezen en verstaan te hebben! Hij heeft zich verdiept in de theologie van Karl Barth! Hij maakt originele opmerkingen over de prediking en over het leven van het geloof! Hij kritiseert het preken over bevindingen, maar neemt het op voor bevindelijk preken! Hij dringt aan op een goede exegese in de Woordverkondiging en waarschuwt tegen het vluchten in een vlotte toepassing, die verzandt in clichétermen, die eindeloos in elke preek herhaald worden. Hij dringt aan op persoonlijk Schriftonderzoek; "Uw Bijbel is uw beste dagboek en hij wil van a tot z gelezen worden" (pag. 248).
De predikanten, jong en oud, krijgen nuttige wenken voor de wijze waarop zij het bijna wekelijks terugkerend probleem van het preken maken dienen te benaderen.
De dienaaar luistere naar het Woord van de Meester voordat hijzélf gaat spreken! Daarmee gaat een gebedsworsteling gepaard waarin het geloof van de predikant een eigensoortige funktie heeft. Zo zouden we nog een tijdje kunnen doorgaan met als nadere illustratie verschillende trefzekere citaten! Een familielid van me heeft destijds Ds. Tukker meegemaakt in Elburg en heeft mij iets van zijn pastoraal optreden verteld wat mij met ontzag voor deze figuur heeft vervuld!
Ds. Tukker had hart voor de schapen en deed trouw huisbezoek en preekte mee daardoor voor volle kerken. En wie zal, al leeft hij kerkelijk hélaas van deze V.D.M. gescheiden, zich daarover niet intens verheugen? Wij willen dit prachtig uitgegeven boek - Kok heeft er echt iets moois van gemaakt - hartelijk aanbevelen!
Enschede O. Mooiweer
Veranderingen in het denkklimaat
Vorig jaar oktober aanvaardde Dr. Sander Griffioen zijn ambt als bijzonder hoogleraar voor reformatorische wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit te Leiden.
Bij die gelegenheid sprak hij een rede uit, onder de titel: 'Veranderingen in het denkklimaat'.
Inmiddels is deze rede in druk verschenen.
en ook op de redaktietafel beland. Graag gunnen we u een blik in de "keuken".
De rede van Griffioen bestaat uit 3 gedeelten.
In het eerste deel geeft hij een schets van de rol die de filosofie speelt wat betreft de richting van onze kultuur, en ook van de invloed die is uitgegaan van met name de filosofen van de Verlichting, bijna twee eeuwen terug.
Griffioen poneert de stelling dat het moderne levensgevoel is verworteld in de Verlichting, en in het tweede deel van zijn rede draagt hij daarvoor nogal wat bewijsmateriaal aan.
Maar alvorens daarover te spreken, wijst hij erop dat de mens in zijn (theoretisch) onderzoek van de werkelijkheid (bijv. van de geschiedenis) méér doet dan louter registreren.
Immers: " ... het registreren van wat er gaande is, impliceert ook altijd interpretatie, ordening en zingeving.
In het positie-kiezen ten opzichte van het gegevene gebeurt er iets met dit 'materiaal'; het wordt opgenomen en in een kader geplaatst. “in vóór-wetenschappelijke overtuigingen gegrond" (pag. 5).
Griffioen gaat nog een stap verder.
Niet alleen vindt (min of meer passieve) inkadering van waarnemingen plaats in vóór-wetenscchappelijke overtuigingen, maar ook wordt (aktief!) richting gewezen. "Theoretische aktiviteit impliceert het kiezen van richting, en gaat dus niet op in observeren, interpreteren en ordenen ('inkaderen' -toevoeging AWB)". De auteur gebruikt het beeld van een schipper, die op grond van zijn metingen en waarnemingen, een koers uitzet (zie ook de term "zin-geving" hierboven).
De ene mens vaart daarbij op het kompas van een of andere vorm van vooruitgangsgeloof (zij het vooruitgang in materiaal opzicht, dan wel wat betreft onze kennis), een ander vaart op een historisch kompas (of nu de geschiedenis is vastgelegd door de materiële 'onderbouw' dan wel door de geestelijke 'bovenbouw', is om het even), en nog weer een ander - een christen - vaart op het kompas van Gods openbaring.
Heel treffend verwijst Griffioen hier naar een uitspraak van de bekende oud-senator H. Algra: "Zijn Gods geboden niet als die hoge sterren, met een zilveren stift in kaart gebracht aan de nachtelijke hemel, opdat de schipper niet verdwaalt op de donkere zee? (pag. 6)
Waarom roert Griffioen dit thema aan? Het lijkt toch vanzelfsprekend, dat het denken plaatsvindt in een 'subjectieve context'? Het is dat echter niet, nog steeds niet - alle beweging op dit vlak ten spijt.
Onze westerse traditie wil nl. , dat échte kennis - ware, betrouwbare kennis - slechts verkrijgbaar is langs de weg van het theoretisch denken, ' ... van al het menselijke-al-te-menselijke gezuiverd' (pag. 7).
Die traditie is (nog) springlevend, zoals Griffioen ook met name in het tweede deel van zijn rede aantoont.
De hoge verwachting van de vermogens van het denken, signaleert Griffioen met name in de filosofie van Hegel.
'We stuiten hier op een zeldzame overspanning van het denken, een denk-vergoding zelfs, die noch bij Parmonides, noch bij Kant haar weerga heeft' (pag. 7).
Griffioen's betoog mondt uit in tweeërlei konklusie: 'Ten eerste dat de verzelfstandiging van het denken tot interne verstarring leidt. In de tweede plaats dat deze verzelfstandiging de historische machten aan de menselijke verantwoordelijkheid onttrekt' (pag. 8).
Dit zijn nogal gewaagde konklusies.
De eerste is, dat een al te groot accent op de vermogens van het menselijk denken - (dikwijls) leidend tot verheerlijking c.q. verzelfstandiging ervan) paradoxaal genoeg juist een ont-krachting van dat denken uitlokt. Het verliest aan bruikbaarheid en vruchtbaarheid; de zin van het denken verarmt. 'Zo wordt het menselijke denken zowel tot het uiterste opgeschroefd als van zijn beslissings- en keuzekarakter ontdaan' (pag. 8).
De tweede konklusie geeft aan dat langs de weg van de verzelfstandiging van het denken, ook kulturele grootheden als 'de' wetenschap, 'de' techniek, 'de' politiek, 'de' kunst etc. in zekere zin los komen te staan van de mens, en aldus zich onttrekken aan de menselijke verantwoordelijkheid.
Tot welke gevolgen dit leidt voor een kultuur, is maar al te duidelijk als we letten op de problemen die zijn meegekomen met de verwetenschappelijking en vertechnisering van onze kultuur.
In allerlei toonaarden wordt de diagnose gesteld, dat onze kultuur 'ziek' is als gevolg van de 'virussen' wetenschap en met name techniek. Over de therapie verschillen de inzichten (als er überhaupt al een therapie wordt voorgesteld).
In het kort nog iets over de andere twee delen van Griffioen's rede. In de tweede paragraaf behandelt hij de visies van de Franse marxist' Louis Althusser resp. van de structuralist Michel Foucault, beide in relatie met de filosofie van Hegel en in het geval van Foucault ook met Nietzsche. Als u weet, dat Griffioen gepromoveerd is op een studie over Hegel, dan weet u dat u 'goed spul' kunt verwachten in deze paragraaf (en dat is dan ook zo!).
In het derde deel tenslotte geeft hij in het kort zijn visie op de taak van reformatorische filosofen, waar het gaat om het observeren, interpreteren, ordenen én richting kiezen t.a.v. 'Veranderingen in het denkklimaat'.
De rede is te bestellen bij het Centrum Voor Reformatorische Wijsbegeerte, Postbus 149, 3600 AC Maarssen (telefoon 03465 - 60946/ 69192). De prijs bedraagtf 4,90, inclusief verzend- en portikosten.
Op dit adres is ook informatie verkrijgbaar over de kolleges reformatorische wijsbegeerte aan openbare universiteiten en hogescholen, alsook over andere aktiviteit en van de stichting voor Reformatorische Wijsbegeerte:
- uitgave van (populair wetenschappelijk) tijdschrift BEWEGING.
- organisatie van kursussen, konferenties, studiekringen/werkgroepen.
- verspreiding (en zo nodig uitgave) van reformatorisch-wijsgerige 'lektuur': boeken, stencils, cassettes.
- verspreiding van filosofisch tijdschrift PHILOSOPHIA REFORMATA (uitg.: Vereniging voor Calvinistische Wijsbegeerte).
A. W. Biersteker (Maarssen)