SCHAAMTE
1981-10-02
Ruth Benedict is een Amerikaanse vrouw die beroemd is geworden door een boek over het verschil tussen de culturen. Zij heeft de cultuur van het Oosten vergeleken met de cultuur van het Westen en zij onderscheidde deze beiden met twee woorden: Het Oosten is een schaamte-cultuur - en het Westen een schuld-cultuur. D.w.z. in het Oosten is gezichtsverlies het ergste wat een mens kan overkomen, in het Westen is zonde, overtreding van het gebod, het ergste.- Jaargang 25
- nummer 35
Het is waar: voor een Oosterling is niets zó erg als gezichtsverlies. Wij hadden een Egyptenaar in ons huis 5 jaar geleden in Eek en Wiel en wij waren bezig een huis te bouwen. Al onze gasten hielpen mee - in de middag. De Egyptenaar vroegen wij om steentjes te bikken, d.w.z. oud cement van gebruikte stenen àf te hakken- hij luisterde onbewogen - en ging zitten en deed het werk: één middag. De volgende dag verdween hij voor wij er erg in hadden. Later hoorden wij zijn verhaal. Hij had gemeend dat wij hem vernederd hadden met hem dit werk te geven.
In een Oosterse wereld is niets zó erg als beschaamd staan - je gezicht te verliezen - voor de ogen van de mensen je eer te verliezen, naakt staan voor de ogen van je medemens - het is een schaamte-cultuur.
In ons Westen is dat anders - daar draait, misschien moet ik zeggen: draaide alles om de schuld. Het geweten - schuldbesef en schuldgevoel.
Niets is zó erg als het absolute gebod te overtreden - en zó zondaar te zijn. "Hoe krijg ik een genadig God" - zo luidt Luthers vraag, waarmee hij de "nieuwe tijd" opende.
Nu het punt waar het mij om gaat: Vandaag verandert onze cultuur van een schuld-cultuur naar een schaamte-cultuur. Van schuldgevoel naar faalangst.
Vandaag kom je nauwelijks meer mensen tegen die geplaagd worden door een schuldbesef. Vergeving is daarmee ook een dood woord geworden.
Maar duizenden zitten met een stuk innerlijke leegte: een gevoel van schaamte - ik ben een nul - een "nobody" - een nietsnut - niet de moeite waard etc.
Schaamte is de voornaamste barrière geworden die ons ook van God gescheiden houdt.
Psalm 31 is een gebed dat onze aandacht richt op dit verschijnsel van schaamte. In de eerste bede aan de aanvang van de psalm dat wij ook als opschrift van de psalm mogen zien, staat: Bij U Heere schuil ik, laat mij niet beschaamd worden; en deze bede keert terug in het hart van de psalm in vers 18: Heere, laat mij niet beschaamd worden want U roep ik aan ...
Wat wonderlijk eigenlijk dat de dichter dat zo onder woorden bracht, dat hij zo bang was voor schaamte. .. Voor beschaamd staan. Wist u dat dat woord 127 maal in het O.T. voor komt? In 15 psalmen! Wij zijn geneigd om schaamte te zien als een lastig puberteitsverschijnsel. Iedereen weet hoe vervelend het is als je in een klas zit en je zegt iets stoms en plotseling zijn alle ogen op jou gericht - en je wordt hoe roder en roder en ten slotte zou je wel in de grond willen wegzakken.
Blozen en schaamte - inderdaad het heeft altijd te maken met de ogen van de ander. Die mens mag mijn naaktheid zien, om mij lachen of mij bespotten. . . alleen is dat nu zó belangrijk dat dat centraal staat in de.
psalm (6, 25, 35, 37, 40, 69, 70, 83, 97, 119) en mag staan in dit gebed psalm 31?
Steeds weer lezen wij die bede: Oh Heere, maak mij niet beschaamd psalm 25: 2. Op U Heere vertrouw ik, laat mij niet beschaamd worden psalm 71 - beschaam mij niet o God.
Het ergste wat je je vijanden toe kan wensen is: maak hen beschaamd, laat ze beschaamd staan. Zo lezen wij in Psalm 6 : 11, 35: 4, 26, 37: 19, 40 : 15, 69 : 7, 70: 3, 83, 97, 127, 129.
Blijkbaar is schaamte en beschaamd staan iets heel ergs - niet alleen in de pubertijd maar in ons hele leven - en het is deze nood die de dichter van psalm 31 aan den lijve ondervindt. Hij bidt in deze psalm niet om vergeving van schuld maar om het wegsmelten van de schaamte.
Ik denk dat wij in de loop van de geschiedenis van de kerk teveel eenzijdig de nadruk hebben gelegd op de genade van schuldvergeving en te weinig hebben opgemerkt hoe er ook genade is bij God voor het uitwissen van onze schaamte.
Maar laten wij niet te ver afdwalen van psalm 31. Wat is de nood van de dichter? Wij lezen dat in psalm 31 : 12: voor allen die mij benauwen ben ik tot een smaad geworden voor mijn buren allermeest, wie mij op straat zien vluchten voor mij weg. Vergeten ben ik uit het hart als een dode, als gebroken vaatwerk.
Als wij denken aan David, dan kunnen wij denken aan de beschamende periode die David heeft meegemaakt toen hij moest vluchten voor zijn zoon Absalom en toen daar op de vlucht een man, genaamd Simeï, met hem mee opliep en hem uitschold. Ga weg bloedvergieter, nietswaardige.
Nu vergeldt de Heere je alles wat je tegen Hem hebt misdreven. Dat is de situatie van de dichter van psalm 31. Het beschrijft wat je voelt als je àfgaat voor de ogen van de mensen - als je over de tong gaat - en uitgelachen wordt zo dat je ten slotte ook van jezelf gaat geloven dat je niet waard bent en dat alle andere mensen het beter doen dan jij gedaan hebt.
Welke uitweg wijst nu de psalm uit deze nood? Ook dat lezen wij al direct aan de aanvang: Bij U Heere schuil ik.
Wonderlijk dat dat in alle simpelheid nu de enige weg is: Schuilen bij God: onze geest aan zijn hand toevertrouwen - ik zeg: Gij zijt mijn God.
Mijn tijden zijn in Uw hand.
Ook het danklied waarin de psalm uitmondt, spreekt van die geborgenheid: Hoe groot is het goed dat Gij hebt weggelegd voor wie U vrezen.
Juist op dat punt van onze schaamte en angst - want Gij verbergt ons in het verborgene van Uw aanschijn voor de samenscholingen van de mensen.
Gij bergt ons in Uw hart. Voor het getwist der tongen. Geprezen zij de Heere, want Hij heeft mij wonderbaar goedertierenheid betoond. Dat is de kern van het antwoord van psalm 31.
In de omgang met God worden wij in onze naaktheid bekleed. Is het alsof steeds weer opnieuw de Heere eigenhandig ons vellen maakt als van dierenhuiden, om ons te bekleden zoals Hij deed bij Adam en Eva toen schaamte hen had overvallen. D.w.z..: terwijl er alle reden is om ons te schamen, doet God er niet aan mee. Hij brengt ons in het verborgen van zijn tent. Hij slaat Zijn arm om ons heen en zegt: Al ben je voor niemand meer iets waard - voor Mij is dat anders. Voor Mij ben je kostbaar als niemand anders.
Dat is nu het evangelie van psalm 31. Het is het zelfde evangelie als van Lucas 15. Daar vindt je ook die diepte die mensen van het evangelie beschreven die ons bevrijdt ook van de schaamte. Wij lezen daar hoe de vader - terwijl de zoon nog van verre was, op hem toeliep en hem omarmde en kuste - en zei: Haal vlug de beste klederen - en trekt het hem laan en doet hem een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten.
Dat zijn niet zomaar een paar sieraden en kledingstukken. Neen, het zijn de bewijzen van zijn zoonschap. Slaven liepen op sandalen en hadden geen ring. Maar de zoon droeg schoenen en een ring. De verloren zoon krijgt niet alleen vergeving van zijn schuld. Hij wordt ook weer in ere hersteld. Hij herkrijgt het zoonschap. Hij wordt weer opnieuw tot Gods kind aangenomen en dat is het wonder: dat de vader zijn armen om hem slaat en terwijl hij nog zijn lompen aan heeft tot hem zegt: ik ben zo blij dat je er weer bent.
Ik denk dat hier een diepe dimensie ligt die verder rijkt dan schuldvergeving.
Na schuldvergeving komt de aanneming tot zonen. Daar mondt het evangelie in uit. Dat is hoogst - persoonlijk - en niet juridisch.
Vele christenen hebben het gevoel dat God ergens een hoogste instantie is ver weg bij wie wij, als wij de goede papieren hebben, vergeving van schuld en kwijtschelding van straf kunnen krijgen. Maar zo is de God en Vader van Jezus Christus niet. Hij komt ons eindeloos nabij. Hij wordt ons opnieuw ná Golgotha tot een Vader die ons ieder zeer persoonlijk bergt in het verborgene van Zijn aanschijn. Wij krijgen een tent bij God, zegt psalm 31. Hij bergt ons in zijn hut - en Hij zegt tegen ons: Jullie schamen je misschien om jezelf, maar ik schaam me niet voor jullie! (Hebr. 2 : 6 en 11 : 16)